Opstandigheid en opstanding

Je zou de thema’s uit de nieuwste roman van Arnon Grunberg, Moedervlekken, opstandigheid en opstanding kunnen noemen. De auteur gebruikt het eerste woord zelf. Het tweede ligt besloten in de tekst.
De moeder van de hoofdpersoon zegt op een gegeven moment: ‘Ik ben opstandig, nooit heb ik opstandig kunnen zijn. Nu ben ik het. Ik heb iets in te halen.’ Het gebrek aan opstandigheid heeft ze als Holocaustoverlevende ervaren. In die tijd was het verre van verstandig om op te vallen. Opstandig is ze nu vooral tegen haar zoon, Kadoke, ‘een moederskindje.’

Het verhaal
Het verhaal over moeder en zoon is snel verteld. Kadoke is een psychiater die bij de Amsterdamse crisisdienst is belast met suïcidepreventie. Zijn moeder is overleden en Kadokes vader werd na een zware depressie die daarop volgde, ‘als het ware zijn dode vrouw. Hij deed zijn pakken de deur uit, hij eigende zich haar geschiedenis toe, hij veranderde in zijn dode vrouw.’ Hij stond op als vrouw, zoals Gregor Samsa in Kafka’s, door Grunberg bewonderde Die Verwandlung wakker werd als tor. De twee inwonende, Nepalese verzorgsters kijken er niet van op. Net zomin als de omgeving van Samsa dat deed.
Na avances van Kadoke met één van hen, Rose, vertrekken uit solidariteit beide meisjes. Niet nadat Kadoke door Darko, de vriend van Rose, in elkaar was geslagen, zonder dat hij weerstand bood. Darko komt niet alleen in opstand tegen de eer die zijn vriendin is ontnomen, maar ook tegen ‘the boss’, ‘white people’ en ‘jews.’

De plaats van de Nepalese meisjes wordt na een korte tijd waarin de zoon zijn moeder verzorgde, ingenomen door Michette, een psychiatrisch patiënte van Kadoke. Zij automutileert zichzelf, heeft zelfmoordneigingen en drinkt, net zoals van Van Gogh bekend is, schoonmaakmiddelen. Michette noemt Kadoke een ‘grensoverschrijdend psychiater.’ Een omschrijving die de arts overneemt, opstandig zoals ook hij is. In zijn geval tegen de reguliere psychiatrie. En tegen het etiket dat hij als blanke krijgt opgeplakt; hij zegt vermomd te zijn ‘als witte man. Niemand ziet dat ik niet wit ben. Dat is wat ik ben, dat is wat ik wil zijn, uitstekend vermomd.’

Fantasie en werkelijkheid
Moedervlekken
mag een hoogtepunt in het oeuvre van Grunberg heten. De mengeling van autobiografische elementen en fantasie uit zijn eerste romans, en de research die spreekt uit zijn latere werk, zijn tot een eenheid samengesmolten. We hebben door een televisiedocumentaire (3 mei 2015) van de Joodse Omroep weet van het ziekteproces van Grunbergs moeder, Hannelore Klein, het feit dat hij haar verzorgde en dat ze inmiddels is overleden.

We lezen in de roman over de fantasie van de vader die moeder werd, en plukken de vruchten van de research die de auteur binnen de psychiatrie heeft gedaan. In de verte doet het verhaal zelfs denken aan de levensgeschiedenis van de alternatieve psychiater Lowijs Perquin, die van behandelaar zelf patiënt werd. Zo wordt Kadoke van ‘the boss’ op een gegeven moment leerling op een vechtschool.

Thema’s en overeenkomsten met eerder werk

Een voorafschaduwing van deze thematiek komen we al tegen in een IKON-documentaire uit 2005. Hierin vertelde Grunberg dat het meest terugkerende verwijt thuis was dat hij ‘niet terug sloeg, niet weerbaar was, te zwak was om te overleven.’ In deze roman komt dit thema veelvuldig terug. Niet alleen in de hiervoor genoemde passage waarin hij niet terugslaat, maar ook wanneer de moeder veelvuldig zegt dat Kadoke geen man is.  ‘Misschien wordt je ooit een man maar vooralsnog merk ik er weinig van. Een moederskindje, dat ben je. Altijd geweest.’

Uit deze passage blijkt ook een overeenkomst met een eerdere roman van Grunberg, Onze oom. Hierin wordt eveneens de absolute tegenstelling tussen schuld (in Moedervlekken de verkrachting van Rose) en onschuld (het in elkaar worden geslagen door Darko) opgeheven.
Een andere overeenkomst bestaat uit het feit dat waar in Onze oom Lina zegt bang te zijn, het hier Michette is die dit zegt. Wat in Onze oom rest is een schreeuw, wat in Moedervlekken zou moeten resten, is de stoot op een ramshoorn door een rabbijn, die het echter laat afweten, zodat de functie ervan wordt overgenomen door Michette: een seculiere, levende versie van de ramshoorn die verwijst naar een leven dat goed is voor zowel de moeder, die wordt verzorgd, als de patiënte, die een alternatieve behandeling krijgt.

Details als deze, het zoeken naar de ramshoorn spelende rabbijn, maar ook het roken van Kadoke dat telkens terugkomt, zorgen voor structuur en ritme in de roman, die door een accolade in de eerste en de laatste zin wordt samengehouden.
De eerste luidt: ‘Kadoke wil aanbellen, maar het gras doet hem aarzelen.’ De tuin sterft, net als de bewoonster van het huis, net als de planten van Michette, die haar ex-vriend allemaal geknakt heeft achtergelaten. Wanneer Kadoke met Michette het huis binnenkomt, staat de moeder planten water te geven, de verdorde planten die Michette uiteindelijk laat verzuipen.

De laatste zin laat voor de lezer de conclusie open: ‘Staand voor zijn auto rookt Kadoke zijn laatste sigaret.’ Houdt hij het als ‘grensverleggend psychiater’ voor gezien? Gehoorzaamt hij zijn moeder, die hem opriep met roken, hoewel zijn moedervlekken uit de titel (= binding aan zijn moeder?) zijn verwijderd? Om zo dichter bij haar te zijn, het opstandige achter zich latend? Is het een uiting van tesjoewa (inkeer?) Of verwijst het nog naar iets anders? De lezer mag het invullen.

Conclusie
Daarvoor heeft hij eerst een hoogtepunt in het oeuvre van Grunberg gelezen, en wellicht herlezen. Slechts even, halverwege dreigt de roman in te zakken, maar al snel wordt de loop van het verhaal op een sterke manier hernomen. Vol spiegelbeelden, metaforen en verwijzingen naar thema’s uit het echte leven, andere literatuur zoals Kafka en eerdere romans van de schrijver. En wellicht ook een minder nihilistisch mensbeeld inluidend (of door de ramshoorn eerder: aanblazend) dan we tot nu toe uit het werk van Grunberg kennen.

Dit boek is genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2017: http://www.librisliteratuurprijs.nl/2017/grunberg

Een boek dat mij boos maakte

Op 23 maart is het thema van #De Groene Live: De boeken die ons boos maakten. In de aankondiging staat een zin die mij meteen raakte, omdat het een waarheid als een koe is. Het gaat daarin over boeken die niet juichend werden onthaald, maar met verontwaardiging. ‘Niet persé omdat ze iets brutaals of onredelijks vertelden, maar ook omdat lezers en recensenten nog niet klaar waren voor de ideeën of personages die de auteurs ten tonele brachten.’ Of omdat een interpretatie haaks staat op die jij als lezer uit een boek of een toneelstuk hebt opgemaakt; dat overkwam mij toen ik iemand hoorde zeggen dat Hamlet van Shakespeare gaat over ‘the inability to act’, terwijl ik het met Erik Bindervoet eens ben dat het eerder over geweldloosheid gaat (in: William. Magazine voor Shakespeareliefhebbers jan. 2017).

T.g.v. de avond van #De Groene Live, en de presentatie van de bundel De negentien boeken die ons boos maakten (in Pakhuis De Zwijger, Amsterdam), publiceer ik hier een recensie die ik schreef voor Quadraatschrift  (juni 2001). Over een boek dat mij boos maakte: Siegfried van Harry Mulisch. Uit mijn exemplaar van dit nummer valt een stukje van Yasha (Arnon Grunberg) in de VPRO Gids (nr. 22/2001). Over Mulisch’ roman. Hij concludeert daarin dat je in Siegfried, ‘en dat is triest, het faillissement van een schrijverschap [ziet].’ Dus: is het uitgangspunt van #De Groene Live deels waar en voor de andere helft toch ook niet? Ik denk het.

Een jaar of wat geleden was in De Appel aan de Amsterdamse Nieuwe Spiegelstraat een verwarrende tentoonstelling te zien. Er stonden bustes van kopstukken uit de nazitijd. Sommige kunstenaars hadden ervoor gekozen de ogen van de mannen niet te laten zien. Het verwarrende lag erin dat zij daarmee, bij mij althans, het tegenovergestelde bereikten van wat ze eigenlijk bedoelden; de gezichten kregen zo de uitstraling van een Griekse godheid.

Iets soortgelijks ernaar ik bij het lezen van Siegfried van Harry Mulisch. ‘Het laatste woord over Hitler is niets’ schrijft de auteur, waarna een filosofisch betoog volgt over het nihilisme. Maar onderhand heeft hij al Rudolf Otto’s concept van het mysterium tremendum ac fascinans van stal gehaald: Hitler als personificatie van zowel het huiveringwekkende als van het numineuze, ‘al is het dan met een negatief voorteken.’ Hier speelt Mulisch Hitler in de kaart, want volgens Ian Kershaw (Hitler 1889-1936: Hoogmoed) was deze er voor alles op uit om ‘mysterieus en fascinerend over te komen.’ Het is hem wat Mulisch betreft gelukt.
Bovendien is het volgen van het beeld van een ‘negatieve grootheid’ volgens Kershaw een vals spoor. Niet alleen omdat personalisatie plaatsvindt, maar ook omdat het filosofisch-ethische nergens toe leidt ‘en in aanleg verdedigend is omdat uit het stellen van de vraag alleen al een zekere schoorvoetende bewondering (…) voor Hitler spreekt.’

De hoofdpersoon van Siegfried, Rudolf Herter, pretendeert dat hij het boek met Zeven Zegelen (i.c. Hitler) heeft verbroken. ‘Het boek blijkt een dummy, met uitsluitend lege bladzijden.’
Het ware te wensen geweest dat Herters alter ego, Harry Mulisch, de consequenties uit dit niets, uit deze lege bladzijden had getrokken en zijn boek om filosofisch-ethische redenen ongeschreven had gelaten.