Vijf theologen en Mozart

Mozart moet je in september spelen
in het voorgevoel van herfst en winter.
Het is nog warm en zonnig in de tuin,
nog vol van bloemen die insecten lokken,
maar de nachten zijn allang gaan lengen.
En het eerste blad begint te kleuren,
al staat de kamperfoelie ( tweede bloei )
nog bedwelmend in de haag te geuren.

 Mozart moet je in september spelen
(het klinkt naar lente, maar het is al herfst): uitbundigheid, het voorspel van de vorst.
Geen maand is zo vol schoonheid als september,
maar het is glorie die zijn eind verwacht:
uit morgennevel wordt nog zon geboren,
maar wat er binnenkort staat te gebeuren
kun je ’s avonds in de wind al horen.

Theo van Baaren (1912-1989)
uit: Trommels van marmer (1986)

Dagelijks ontvang ik van ‘Laurens Jz. Coster’ een gedicht. Begin september was dat bovenstaand gedicht van Theo van Baaren, volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie ‘dichter, prozaïst en vertaler. Tevens theoloog, hoogleraar, beeldend kunstenaar’. Het gedicht raakte me, als poëzie- en Mozartliefhebber, en het deed me denken aan diverse boeken en artikelen van theologen over Mozart die ik in de kast heb staan. Reden om ze er weer eens uit te halen en te herlezen, met in het achterhoofd: heeft Theo van Baaren het bij het rechte eind of voegt hij iets toe aan andere opvattingen?

Karl Barth
De bekendste theoloog die over Mozart heeft geschreven, is ongetwijfeld Karl Barth. Uitgeverij Wever gaf in 1987 een boekje met zijn brief, een essay en een oratie aan respectievelijk over hem uit onder de eenvoudige titel: Wolfgang Amadeus Mozart.
Meteen al in de brief laat Barth zich kennen, wanneer hij het over ‘uw muzikale dialectiek’ heeft. In het essay heeft hij het erover dat Mozart niet ‘een lentekind’ genoemd kan worden: ‘Zo was en is Mozart niet’. Hij kende ‘de vreugde en de smart, het goede en het slechte, leven en dood tezamen in hun realiteit (…), het werkelijke leven in zijn tweespalt (…), regen en zonneschijn over zowel deze als over gene’. Ooit, schrijft Barth, heeft ‘hij eens de dood ’s mensen ware, beste vriend genoemd’. De Franse dirigent Raphaël Pichon van koor en orkest Pygmalion wist het als geen ander, toen hij tijdens het Festival d’Aix-en-Provence samen met regisseur Romeo Castellucci een avond ensceneerde rondom Mozart en sterven, uitsterven en herboren worden.
In zijn oratie over Mozart herneemt Barth de thematiek uit zijn essay. Zijn muziek, zegt hij, is vrij van elke tegenstelling. ‘Duisternis, chaos, dood en hel’ laten van zich horen, ‘zonder ook maar een moment de overhand te nemen. Zich van dit alles bewust, musiceert Mozart vanuit een mystiek middelpunt’. En even verder: ‘Geen lach zonder tranen, maar evenmin schreien zonder een lach!’ Een ‘evenwichtige confrontatie en vermenging van elementen (…) een kostelijke verstoring van de balans’.
Zelfs letterlijk, want ik kan me een les van de musicoloog Leo Plenckers herinneren, waarin hij benadrukte dat Mozart vrij omsprong met de zogenaamde periodebouw; een maatje meer deed het hem vaak.

Hans Küng
Het tweede boekje over Mozart van een bekend theoloog, een rooms-katholieke in dit geval, is van Hans Küng. Zijn studie Mozart. Traces of Transcendence verscheen in 1991 bij William B. Eerdmans/Grand Rapids.
Küng betoogt dat vooral Mozarts instrumentale muziek een uiting van ‘traces of transcendence’ is. Hij is het niet met Karl Barth eens, wanneer deze spreekt over God als totaliter aliter, de gans andere, want dat houdt in dat het attribuut ‘goddelijk’ niet op Mozart van toepassing kan worden verklaard. Ik had een, helaas inmiddels overleden docent aan de Open Universiteit, Wouter Steffelaar, die vond dat je Mozarts muziek best ‘goddelijk’ mocht noemen, als je maar verklaarde waaróm.
Küng is blij dat Mozart nog geen weet had van het negentiende eeuwse onderscheid dat traditionele kerkmusici legden tussen wereldlijke en geestelijke muziek. En daarmee kan ik alleen maar instemmen.

Geke van Schuppen
Na deze twee boeken, kom ik nu bij een artikel van de geestelijk verzorger (AMSTA), theoloog en pianist Geke van Schuppen. Zij schreef het op verzoek van mijn mede-redactielid en studiegenoot van Van Schuppen, Mirjam Elbers van Quadraatschrift (december 2001).
Zij karakteriseert daarin de muziek van Mozart als ‘twee mensen [die] een gesprek met elkaar voeren’ en gaat niet in op voornoemde brief, essay en oratie van Barth, maar op diens Kirchliche Dogmatik waarin hij het ook over Mozart heeft, en op de manier waarop die ‘de schepping in haar totaliteit hoort en tot klinken brengt, ‘vanuit een centrum, vanuit een christelijke begrenzing, vanuit een mystiek middelpunt’. Ze vervolgt dat zijn muziek een verstoring van de balans is, maar gedragen wordt ‘door het vertrouwen dat het licht uiteindelijk zal overwinnen (…). Zijn muziek wil geen boodschap overdragen, wil evenmin uitdrukking geven aan zijn persoonlijke emoties (…). Mozart plaatst de toehoorder in volledige vrijheid (…). Tegelijkertijd klinkt in de totaliteit van de goede schepping iets van Gods Koninkrijk door’. Waarmee de vraag opdoemt, of Barth ‘hier niet toch een toon te hoog zingt?’

Peter Tomson
Ik kom voorts bij een lezing die emeritus-hoogleraar Peter Tomson op 16 maart 2005 hield tijdens een interdisciplinaire studiedag ‘Kerk en Muziek’ in Brussel en dat hij mij destijds toespeelde.
Ook hij heeft het erover dat Mozart volgens Barth ‘de hele wereld van de schepping hoorde, die door het licht [Ex lux perpetua luceat eis, EvS] omstraald wordt’. Ook hij heeft het over een in dit geval ‘kinderlijk weten van het midden – want van het begin en van het einde – van alle dingen’. Tomson besloot zijn lezing met het spelen van een Andantino dat Mozart waarschijnlijk op het eind van zijn leven schreef. ‘Voor mij’, zei hij, behoort het tot het genre, als het woord al bestaat, van de “Gebete ohne Worte”. KV 236 (588b)’. 1)

Theo van Baaren
En lees dan nu het gedicht van Theo van Baaren opnieuw. Over het voorgevoel van de dood, terwijl het nog warm en zonnig is. Het is niet de muziek van ‘een lentekind’, maar lente en herfst ineen. Vol schoonheid die zijn eind verwacht, met het licht van de zon en de eeuwigheid van het Ex lux perpetua luceat eis. Wat er binnenkort gaat gebeuren, is het sterven (het eerste blad begint al te kleuren), maar het is tevens uitsterven en herboren worden. Er klinkt misschien iets van Gods Koninkrijk in door. Dat mag je allemaal in Mozarts muziek horen. Maar vergeet z’n baldadige extra maat niet! En dát doen alle theologen toch wel een beetje. Ook Theo van Baaren.


1) N.B. dit is een vrije bewerking van de aria Non vi turbate no uit Glucks opera Alceste.

Hilary Mantel

Mantel_HilaryMantel_De geest gevan

N.a.v. een interview met Hilary Mantel (zie afb. links) in de VPRO Gids #18 (30 april t/m 6 mei 2016) werk ik hier een column uit die ik eerder schreef voor Wervelingen (winter 2006-2007). Het interview verscheen n.a.v. de Nederlandse vertaling van Giving up the ghost (zie afb. rechts).

Eén van de hoofdpersonen in John Le Carré’s literaire thriller Absolute vrienden is Sasha. Een a-symmetrische man en voor alles een charismaticus, een ‘Quasimodo van de maatschappelijke genese van kennis’ (p. 97). Zelf brengt Sasha dit in verband met zijn Duits-zijn: ‘Voor mij geldt dat wat geen logica biedt betekenisloos is’ (p. 105). Le Carré legt dus geen link met Sasha’s scoliose en pijn. Of lijkt dat maar zo?

Zo’n stap wordt door onder anderen Hannemieke Stamperius wel gezet in haar boek Kleine theologie voor leken en ongelovigen. Haar visie doortrekkend, is het zo dat wanneer iets ten dienste van de maatschappij wordt gesteld, dit niet langer op het ego is gericht en dus is overwonnen (p. 214).
Stamperius besluit het hoofdstuk ‘Lijden en pijn’ met: ‘Geaccepteerd lijden breekt het ego af: psychologie en theologie gaan hier hand in hand. Er wordt dan ook wel terminologisch onderscheid gemaakt tussen lijden, dat de mens gevangen zet, en pijn, die mits geaccepteerd een bron van vrijheid en vreugde kan zijn. Tegenwoordig noemen we dat “empowerment”: in overwonnen lijden kan een enorme levenskracht zitten’ (p. 218).

Er is dus een link tussen het beeld dat Carré (maatschappelijke genese) en Stamperius (empowerment) schept: vechten voor de wereld en/of jezelf. Dit verband wordt ook beschreven in de dissertatie over lijden van Philip Krijger: De tragiek van de schepping.  Hij weet, net als overigens Stamperius die een botziekte heeft die ook haar gewrichten, spieren en zenuwen aantast, waarover hij praat, slechtziend en slechthorend als hij is. Krijger beschrijft drie modellen die niet naast elkaar staan maar in elkaar overgaan. Het gaat in de eerste plaats om het harmoniemodel (vrijheid en vreugde), vervolgens om het tragische model (frustratie, het lot) en tenslotte om het strijdmodel (confrontatie, maatschappelijke genese).

Maar er is nog een andere ingang. Die ontleen ik aan een interview dat Katja de Bruin had met schrijfster Hilary Mantel. Mantel heeft met haar boek Giving up the ghost, dat nu in een Nederlandse vertaling is verschenen (De geest geven) volgens De Bruin ‘grootste literatuur’ geschreven.
Mantel was, lezen we, ‘net twintig, toen ze geveld werd door vermoeidheid, braakaanvallen en een onverklaarbare pijn in haar benen.’ Het duurde zeven jaar voor ze zelf de diagnose stelde: endometriose. ‘De ziekte heeft haar leven bepaald. In veertig jaar is er geen dag geweest waarop ze geen pijn had.’ Tot voor kort, want na een zware operatie ‘kwam er ineens een dag waarop ik me realiseerde dat ik geen pijn had’, zegt de schrijfster.

In dit boek steeg de schrijfster boven haar eigen leed uit omdat ze, zoals ze stelt, zichzelf behandelde als een personage. Ze had dit boek nodig om voor zichzelf klaar te zijn om aan het laatste deel van haar levenswerk te beginnen: het derde deel over Thomas Cromwell. En dat is ze nu.
Bij haar is dus zowel het ego overwonnen (Stamperius) en leidt de confrontatie met de ziekte (en meer) tot een maatschappelijke genese (Krijger) in die zin dat de bewonderaars van haar werk dank zij haar autobiografie nu het derde deel over Cromwell tegemoet kunnen zien. Terwijl ze er zelf veel waarde aan hecht endometriose meer bekendheid te hebben gegeven.