Licht en leven

Dank zij de Poëzieweek 2017, en alle publiciteit daaromheen, kwam ik op het spoor van de indrukwekkende debuutbundel Leger van Mieke van Zonneveld. Eerder had zij al de Turingprijs in de wacht gesleept met haar gedicht ‘Nee’, dat ook in de bundel is opgenomen.
Het is een bundel die heen-en-weer beweegt tussen leven en dood, ziekte en gezondheid, hemel en aarde, met mooie Bijbelse beelden en tal van verwijzingen naar literatuur en muziek.

 

 

Het langste gedicht heet ‘Exodus’. Op internet valt het al te vinden: https://books.google.nl/books?id=mRrgDQAAQBAJ&pg=PT27&lpg=PT27&dq=de+bomen+hangen+over+ons+met+ogen+van+Zonneveld&source=bl&ots=5EIMfizc7X&sig=5oHpeUQWEvxddR7RzN7ZsdeA3nI&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjYvePrqo_SAhXDLcAKHXgwBgAQ6AEIHDAA#v=onepage&q=de%20bomen%20hangen%20over%20ons%20met%20ogen%20van%20Zonneveld&f=false

Ik volg het gedicht op de voet en probeer eruit te halen wat er misschien in zit.
De titel moge duidelijk zijn: de uittocht, uit Egypte naar het beloofde land, uit het rijk van de dood naar het levende water. Het eerste beeld gaat over mee treurende bomen, ‘met ogen / in hun takken.’ De bomen waaraan de Israëlieten tijdens de ballingschap in Babylonië hun lieren hingen (Psalm 139:2). De ik-figuur in het gedicht ‘ging onder hun blik / gebogen, slofte in de sporen van jouw / zingen zonder woorden.’ Een nigun, een lied zonder woorden, als geneuried en gefloten door de Rattenvanger van Hamelen, die eerst ratten en toen kinderen de dood in lokte.

In het tweede couplet droomt de dode ik-figuur dat zij hangt ‘aan de klanken / die de bosgeest ons verbood.’ Die bosgeest zou kunnen verwijzen naar de Silene Marsyas, een fluit spelende collega van de Rattenvanger.

In het derde couplet is sprake van een doodstraf, en wederom van ogen, die nu overlopen van het beeld ‘van de velden in de verte / engelen in het lentelicht!’ Je ziet een beeld van Elyzeese velden voor je en je hoort in de verte weer een andere fluit: die uit Glucks opera ‘Orfeo ed Euridice.’ Maar de toegang is gesloten, het beloofde land kan wel worden gezien, maar niet betreden.

Het volgende couplet herneemt het beeld uit de Psalmen van de lier die aan de wilgen wordt gehangen, en loopt over in dat van de lier van Orpheus die ‘zucht / om lang geleden liefde / die werd uitgeblust.’ Er zijn kosmische klanken die ‘boven mensenzang verheven / licht en leven is ons woordeloos / gegeven’, zoals eerder de nigun als associatie opkwam, het Lied ohne Worte.

Het laatste couplet gaat over ‘willen liefhebben in alle talen en dat / duizendmaal herhalen.’ In woorden, in muziek. De stem van de hij-persoon in het gedicht wordt herkend als een god, ‘maar menselijk wordt nu zijn stem.’ Het is Hymeneus, de god van het huwelijk. En van de hymnen. ‘O Hymneus hoor / zijn lied.’

Op een razend knappe manier neemt het kosmische besef uit dit lange gedicht een wereldlijke wending. Wat een ontdekking: Mieke van Zonneveld! Een naam om in de gaten te houden, wis en waarachtig.

Telemann-renaissance

TelemannOp 26 augustus a.s. zendt NPO Radio4 een rechtstreeks concert uit Warschau uit (20.00 uur, Zomeravondconcert). Het Freiburger Barock Orchester speelt in samenwerking met klavecinist Andreas Staier werken van Georg Ph. Telemann (zie afb.) en Joh. Seb. Bach.

Een mooie combinatie die mij terugvoert naar een artikel onder de titel Telemann-renaissance dat in 1981 verscheen in het tijdschrift Mens en melodie en dat ik n.a.v. bovengenoemd concert hier gedeeltelijk herplaats.

Romain Rolland, die in 1922 een artikel over Telemann publiceerde, weet de traagheid bij de herontdekking van Telemann aan de voorliefde voor Bach: ‘Wanneer zij [d.i. de muziekwetenschap, EvS] één figuur heeft uitverkoren, heeft zij deze vol ijver lief en wil van anderen niets weten.’ Wat niet wegneemt, dat Max Reger al in 1914 Variaties over een thema van Telemann (opus 134) schreef. Dat dit niet tot zijn sterkste werken behoort, doet daar niets aan af. Het thema dat hij nam, was een transcriptie uit het Menuet uit de Suite in Bes voor twee hobo’s, strijkers en basso continuo uit het derde deel van de Tafelmusik.

Hugo Riemann is de eerste geweest die een kamermuziekwerk van Telemann uitgaf. Dit was de fraaie Triosonate in Es uit het eerste deel van de Tafelmusik. Dergelijke uitgaven kwamen juist op tijd en de jonge muziekbibliotheken speelden grif in op de grote vraag naar ‘speelmuziek’ voor met name blokfluit. De Telemann-renaissance kwam goed op gang en Edgar Hunt kon vol trots schrijven dat ‘blokfluitisten (…) hiertoe de eerste aanleiding [hebben]  gegeven.’ Blokfluitisten van naam zagen er niet tegenop om in interviews met John M. Thomson te verklaren veel affiniteit met Telemann te hebben. Hans-Martin Linde werd zelfs lyrisch en verklaarde: ‘Telemann I really am fond of. Telemann is the recorder composer. The minor suite, that wonderful quartet from the Tafelmusik – and the d minor Sonate.’

Zo was in een kort tijdsbestek de mening totaal omgezwaaid. Want nog in 1951 kon prof. Schallenberg het door Spitta gelanceerde, veelgehoorde cliché bezigen als zou Telemann ‘een veelschrijver van groot, doch oppervlakkig talent’ zijn geweest. Toch maakte hij al wel voorzichtig een uitzondering voor Telemanns instrumentale muziek en voor diens liederen. Schallenbergs opvatting stoelt op het negentiende-eeuwse begrip van eeuwigheidswaarde. Het is duidelijk dat Telemann daarbij werd vergeleken met Bach. Terwijl Bach toch ook gewoon gebruiksmuziek schreef en die pretenties niet had. Het interessante daarbij is, dat werken van Telemann onder de naam van Bach lange tijd hoog werden gehouden: BWV 141, 160, 218, 219, Anhang 156, openingskoor BWV 145, motet Sei Lob und Preis mit Ehren BWV 231, Suite in A, BWV 824 uit het Clavierbüchlein für W.F. Bach en waarschijnlijk ook het orgelkoraal Herr Jesu Christ, dich zu uns wend BWV Anhang 56.

Het zijn Max Schneider en Romain Rolland geweest die als eersten erop hebben gewezen, dat de vergelijking tussen Bach en Telemann een fout uitgangspunt is. Dat een Fransman als Rolland veel op had met Telemann, is niet zo verwonderlijk; Rolland streefde immers in zijn hele werk naar een samensmelting van de Franse en Duitse cultuur, evenals Telemann in zijn muziek. Toch stelden ze ook, dat Telemann niet vergeleken moet worden met Bach, maar moet worden gezien als de voorloper van de klassieke stijl. Als een overgangsfiguur van laat-barok naar rococo. De inleiding tot het oratorium Die Tageszeiten met zijn natuurschildering zou bijvoorbeeld richting Empfindsamkeit wijzen, en de cantate Ino naar Gluck.

Gelukkig denken wij daar nu inmiddels ook anders over, en waarderen de eigenheid van Telemann als een groot componist die het hele scala van gevoelens beheerste en tot uitdrukking wist te brengen. En die een eigen plaats naast Bach verdient.

Ook tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht (28 augustus – 6 september a.s.) wordt op z’n minst tijdens twee, in dit geval gratis fringe concerten, werk van Telemann uitgevoerd: op 29 augustus om 11.00 uur (Telemuffat, Geertrudiskapel) en om 14.00 uur (The Goldfinch Ensemble, Bartholomeus Gasthuis). Kaarten af te halen in het Festivalcentrum (TivoliVredenburg).