Behoud Frascati!

Het Scapino Ballet kwam op 11 juni jl. met een paginagrote advertentie in de landelijke dagbladen met de oproep: ‘Behoud Scapino Ballet!’ De Raad voor Cultuur heeft de minister van OCW immers geadviseerd Scapino niet langer rijkssubsidie toe te kennen. ‘Dit advies’, staat in de advertentie, ‘is onbegrijpelijk en moet van tafel’.

Ook theater Frascati in Amsterdam zit in hetzelfde schuitje. Geen grote advertentie, maar een statement van artistiek directeur Mark Timmer op de website. De boodschap is duidelijk.

Ik ben eens in mijn geheugen gaan graven, welke Shakespeare-opvoeringen ik er in verschillende zalen heb gezien; ik beperk me daartoe, omdat er zo een samenhang ontstaat en deze blog geen oeverloze opsomming wordt.

1.
Het begint in mei 2007, toen ik de voorstelling De negen heksten van Macbeth zag. Een muziektheatervoorstelling op basis van Shakespeare’s Macbeth uiteraard, gezien vanuit het perspectief van de heksen. Er waren allemaal bekende namen aan de voorstelling verbonden: Teo Joling (concept en bewerking), Janine Bogt (dramaturgie en bewerking), Sean Berg en Guus Janssen (muziek), Porgy Franssen en Dirk Groeneveld (regie). En dan heb ik het nog niet eens over de spelers! Dagblad Trouw deed in die tijd nog niet aan sterren, maar Arend Evenhuis schreef er een groot stuk over. Over het Schots dat het echtpaar Macbeth sprak en het verschil tussen twee werelden duidelijk maakte: die van de mens en die van het occulte. Een vondst, vond ik toen. Er zouden er meerdere volgen. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

2.
Drie jaar later zie ik in Frascati een opvoering van Rosencrantz and Guildenstern are dead van schrijver Tom Stoppard, die in 1966 na de première ervan beroemd werd, gespeeld door ’t Barre Land. De betreurde recensent Loek Zonneveld wijdde er in de Groene Amsterdammer maar liefst een recensie in twee delen aan. Hij eindigde ermee, dat hij de toneelspelers bij wijze van spreken wel zou willen omarmen. Dat gold ook voor mij. En overigens ook de décormakers … Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

3.
We schuiven een jaar verder op, en komen uit bij de voorstelling Bye Bye door Dood Paard, ook niet niks. Kuno Bakker en Gilles Biesheuvel speelden een, wat het Parool noemde, ‘kwajongensachtige bewerking van Shakespeare’s Othello die aan het eind bijzonder geraffineerd blijkt’. De Marokkaans-Nederlandse acteur Chaib Massaoudi opent de voorstelling, met een verhaal in het Arabisch of Berbers (daar geeft de recensent van het Parool geen uitsluitsel over), zoals in De negen heksen van Macbeth ook Schots werd gesproken. Een combinatie, aldus de criticus, ‘van spelerslol en intelligentie’ die ‘onmogelijk is te weerstaan’. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

4.
Twee jaar verder, december 2012. Jan Decorte c.s. speelt de voorstelling Shylock. Is Othello problematisch vanwege ‘de Moor’ (een Berber werd het bij Dood Paard), Shylock is dat vanwege vermeend antisemitisme. Ik denk, dat Frascati met deze twee opvoeringen dergelijke insteken ter discussie wil stellen, en dat is goed. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

5.
Drie jaar later: het stuk der stukken, Hamlet, als afstudeervoorstelling die me nog levendig voor de geest staat: wát een theatertalent hebben we in Nederland, en wat fijn dat de studenten, na hun opvoeringen in Theater de Paardenkathedraal in Utrecht, de kans kregen in de hoofdstad te laten zien wat ze in huis hebben. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

6.
We schrijven ondertussen 2016, en pal na elkaar zag ik Lady Macbeth uit het district Minsk in het kader van het Nederlands Theater Festival, dat Mark Timmer in zijn statement ook noemt, gevolgd door Mevrouw Macbeth door Maatschappij Discordia in het kader van de serie ‘Weiblicher Akt’. Ik was met een goede kennis, en we konden van laatstgenoemde opvoering helaas geen chocola maken. Dat kan gebeuren, en kon ook heel goed aan ons hebben gelegen, want de recensies die we lazen waren niet negatief.

7.
2017: weer twee voorstellingen pal na elkaar: Troilus en Cressida en Twelfth Night, of, Zie zelf maar. De eerste werd gespeeld door studenten van de Theatervooropleiding Amsterdam, de tweede door De Theatergroep. Ik blogde over de eerste voorstelling, die indruk op mij maakte, op de site van ‘Literair Nederland’ (zie link hieronder).

8.
Februari 2018, nogmaals Othello door Het Nationale Toneel in een regie van Daria Bukvić. Toe maar! Een spraakmakende voorstelling, maar dat niet alleen: ook één die je bij blijft, met een zwarte acteur (Werner Kolf) in de hoofdrol. Ook hier schreef ik over, nu op deze blog (zie link onderaan).

9.
Verleden jaar tenslotte: Complete Works. Table top Shakespeare, gespeeld door zes acteurs van Forced Entertainment. Telkens één acteur aan een tafel, die in ongeveer drie kwartier een compleet toneelstuk solo speelt. ‘Eenvoudiger kan het niet! Grandioos!’ tweette ik.
Ik had er spijt van niet alle voorstellingen te hebben gezien, een klein festival. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

Alles bij elkaar opgeteld over de afgelopen jaren, langer dan de afgelopen vierjarige kunstenplanperiode, komt er alleen al op grond van opvoeringen van of naar Shakespeare een constante naar voren die tegemoetkomt aan de criteria van de Raad voor Cultuur: diversiteit (man-vrouw, wit-zwart enz.), spraakmakend, vernieuwend door jonge, talentvolle studenten én oude rotten in het vak die het klappen van de zweep kennen. En – misschien belangrijker – een eigen stem te midden van het grote toneelaanbod in de hoofdstad. Wie hier z’n huiswerk niet heeft gedaan, laat ik in het midden, maar het móet over, want: ‘Behoud Frascati!’ Niet zomaar een klein theater in Amsterdam!

 

https://www.literairnederland.nl/dissonanten/

https://elsvanswol.nl/othello-met-allure/

Een mooie ervaring rijker

Opeens hoor ik een mijnheer op een balkon beneden mij tegen iemand zeggen: ‘Heb je je goed voorbereid?’ Het antwoord kon ik niet verstaan, en het is natuurlijk altijd meegenomen als je het libretto van de opera die je gaat zien een beetje kent, maar helemaal nodig was het niet, want aan het begin en gaandeweg Rodelinda (1725) van Händel werd het voor ons op doek ‘uitgetekend’. Of, zoals het in het blad van De Nationale Opera, Odeon heet:

Rodelinda en haar zoontje Flavio zijn alleen achtergebleven nadat hun echtgenoot en   vader, koning Bertarido, van de troon is gestoten door Grimoaldo. Iedereen denkt dat Bertarido is gestorven in deze machtsstrijd. Grimoaldo wil dat Rodelinda zijn vrouw wordt, maar zij wil trouw blijven aan haar doodgewaande man. Rodelinda stemt in met het huwelijk onder één voorwaarde: dat Grimoaldo haar zoon eigenhandig vermoordt om te bewijzen dat zij een echte tiran is. Zij verwacht stiekem dat Grimoaldo deze daad niet kan voltrekken en hoopt het huwelijk met dit wrede verzoek uit te stellen. Intussen blijkt Bertarido toch nog in leven en de intriges stapelen zich op. Verwarring, moord, vergeving en hereniging volgen.

Het lijkt net The Heart Goes Last van Margaret Atwood in spé, in plaats van met robots compleet met een maskerade.

Meestal duurt zo’n opera voor je gevoel lang, te lang door alle herhalingen en aaneenrijging van aria’s, maar hoewel deze maar liefst ruim drie en een half uur in beslag neemt, hield dirigent Riccardo Minasi er met het topensemble Concerto Köln de vaart in. Af en toe afgeremd door (veel) applaus, maar dat behoort tot de mores van de opera, zoals – merkte ik afgelopen week weer – het direct (negatief) commentaar leveren na een lied bij de Vocale Serie hoort. Soms is een zanger nauwelijks uitgezongen, zoals countertenor Bejun Mehta na zijn eerste, verstilde aria ‘Dove sei, amato bene?’ En dat terwijl je er nog even in zou willen verwijlen.

De opera speelt in een classicistisch, Engels landhuis dat mooi werd uitgelicht en bélicht met schitterende videobeelden. Bijvoorbeeld van ruisende bomen, wanneer een pastorale als ‘Con rauco mormorio’ werd gezongen, begeleid door blokfluiten en traverso. In dit verband mogen de namen worden genoemd van Christian Schmidt (decor en kostuums), Joachim Klein (licht) en Andi A. Müller (video).

Bij de solisten viel één extra toevoeging op: de rol van Flavio, het zoontje, als zwijgende rol, gespeeld door de (kleine) acteur Fabián Augusto Gómez, op het laatst net zo vermoeiend als een kind kan zijn. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de hoofdrol, Rodelinda, gezongen door de Engelse sopraan Lucy Crowe. Ik las ergens dat haar mimiek te wensen over zou laten, maar zij doet het vooral met klassieke gebaren die soms zelfs stil worden gezet. Overigens: tijdens een lezing bij Spui25, waar ik eerder over blogde, werd juist het ontbreken van mimiek bij Maria Callas geprezen. Het kan, in de loop van de tijd, dus verkeren.

Zonder de andere solisten te kort te doen, was het hoogtepunt voor mij het adembenemende duet tussen Lucy Crowe en Bejun Mehta, ‘Io t’abbraccio’. Niet in de laatste plaats doordat de traverso en de zang, de zang en de traverso samensmolten; zó luisteren instrumentalisten naar zangers én zangers naar instrumentalisten! En ook niet in de laatste plaats door de enscenering van dit duet, in het landhuis, op twee tegenover elkaar liggende overlopen. Mede dankzij regisseur Claus Guth en dramaturg Konrad Kuhn. Zo ging de tijd voorbij en waren we een mooie ervaring rijker.

Drieluik bij het Holland Festival 2019

 

 

 

 

‘Het gezelschap combineert klassiek instrumentarium met eenentwintigste eeuwse ideeën.’ Dat was te lezen over het B’Rock Orchestra in het digitale programma bij de choreografie van Anna Teresa De Keersmaeker op Bachs Zes Brandenburgse concerten dat werd opgevoerd tijdens het Holland Festival 2019.
Het zou haast het motto kunnen zijn van de drie voorstellingen die ik tot nu toe, halverwege de festivalmaand, bezocht. Op z’n minst.

1.
Ten eerste Debussy’s opera Pelléas et Mélisande, waarvan ik de première op 5 juni bijwoonde. Het klassieke zat hem in de negentiende eeuws aandoende kleding. Meest zwart, met uitzondering van de (doorzichtige) witte jurk van de hoofdrolspeelster (Elena Tsallagova), het witte pak van Yniold (één van de leden van het Tölzner Knabenchor) en de witte jas van de arts. Die stonden in eenentwintigste eeuwse décor van dezelfde ontwerper, Pierre-André Weitz. Een decor dat allereerst bestond uit dunne, uit het plafond van het Muziektheater komende, lichtgevende buizen die het bos van koning Arkel van Allemonde moesten verbeelden. En daarna uit moderne stellages die in alle mogelijke vormen werden geschakeld, wat nogal wat menskracht vergde en enkele bijgeluiden teweeg bracht. De ene keer leek het op de kantelen van een kasteel, een andere keer op de sky line van een stad, dan weer op een piramide waardoor je hoopte dat niemand erop zou struikelen. De driehoek die soms werd gevormd, stond wellicht symbool voor de driehoeksverhouding in het libretto van Maurice Maeterlinck.
De zangers waren stuk voor stuk van hoge kwaliteit, al sprong er één voor mij uit: de jonge mezzosopraan Katia Ledoux (Geneviève). Haar stem kleurde soms wonderschoon met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Stéphane Denève, dat mooi fijnzinnig speelde maar af en toe ook behoorlijk uitpakte. Wonderschoon was ook het slotbeeld in de regie van Olivier Py. Misschien niet gebaseerd op eenentwintigste eeuwse ideeën, maar dan toch wel op twintigste eeuwse, of liever: universeel menselijke.

2.
Dan de aanleiding tot deze blog: Bachs Zes Brandenburgse concerten, op zaterdag 8 juni in een Carré dat net als de letters op het logo van het Holland Festival of de klavecimbelpartij (zie foto) op z’n kop stond. Eigenlijk blijkt dan dat een omschrijving waarin het woord ‘combineert’ voor komt, het geheel tekort doet. Net zomin als je kunt spreken van dans op de muziek van Bach. Het vormde gewoon een eenheid, smolt samen als de klank van de mezzosopraan Katia Ledoux met het Koninklijk Concertgebouworkest.
Wanneer twee houtblazers een herhaald motief verbreden, deden twee dansers dat met de beweging van hun handen ook, zoals ze ook hun pas inhielden bij het begin, lopend van achteren naar voren en weer terug. Gelijk Mélisande op de piramide van beneden naar boven liep en weer terug.
Ik moest denken aan dirigent Eduard van Beinum, die een geslaagd duet tussen fluit (Hubert Barwahser) en hobo (Haakon Stotijn) eens omschreef als ‘flobo’. Zoiets. Als een diavoorstelling, waarbij niet alleen dans en muziek vloeiend in elkaar overgingen, maar ook heden en verleden en – ook hier – universeel menselijke gevoelens.

3.
De laatste voorstelling van het Holland Festival die ik tot nu toe bezocht, was eigenlijk geen voorstelling maar een goed bezochte openbare repetitie van Anton Tsjechovs De kersentuin door het ITA-ensemble in de regie van Simon McBurney (12 juni in het Internationaal Theater Amsterdam). Volgens de flyer schildert ‘Tsjechovs laatste stuk de pijnlijke ondergang van mensen die in illusies van het verleden leven en de nieuwe tijd niet begrijpen’.
Op de middag van de openbare repetitie werd de tweede akte gerepeteerd, vanaf de overgang van de eerste akte tot en met de opkomst van de vreemdeling. Net zo’n mooie overgang trouwens als tussen enkele Brandenburgse concerten. Aan de opkomst (entrance) van de spelers, vanuit het donker achter op het toneel naar voren, werd door McBurney veel aandacht besteed.
De opkomst van de vreemdeling, gespeeld door Ruurt de Maesschalck, en de mise en scène van de andere spelers van het gezelschap, was adembenemend. De vreemdeling zou volgens dramaturg Peter van Kraaij in een korte inleiding voorafgaand aan de openbare repetitie, doen denken aan de vreemdelingen die ons ‘overspoelen’. Behalve de ongelukkige woordkeus, hoeft dat er eigenlijk niet bij gezegd. Iedereen in de doodstille RABO-zaal had dat zo ook wel door. Het is, net als de overige voorstellingen die ik tot nu toe bezocht, van alle tijden: universele angst voor het onbekende in de breedste zin van het woord.

Holland Festivalmedewerkers: jullie hebben dit jaar een prachtig programma samengesteld!

Foto links (Bach op z’n kop): Ati de Zeeuw-Kroesbergen.
Foto rechts (De Kersentuin): van website Holland Festival.

De harde kern

In de huizen van enkele van mijn neven en nichten staan stukken glaswerk. Gekregen van hun tante Bep. Geen frutsels, maar mooi glas, met smaak uitgezocht. Een blauwe vaas, een groene, ga zo maar door. Mijn moeder was gek op glas.

Glas heeft, net als ieder mens, twee kanten, als in Jantje, weet je hoe je moet fluiten?, een kunstwerk van Jan Fabre (1982, DEWEER, galerie in Otegem): het is kwetsbaar en gevoelig, maar tegelijk kan het ook verwonden.

Glas  kan ook symbool staan voor verdriet, zoals in het werk van de Zweedse toneelschrijver Lars Norén. Het huiskamerstuk Demonen van hem werd eens opgevoerd in een glazen decor, dat een gestolde traan verbeeldde.

Dat van die traan kan ik me voorstellen, en dat ‘ie op het toneel als decor gestold moet zijn ook. Maar na het zien van een prachtig, kort filmpje (‘Moving Glass’) over de glasblazer Bibi Smit denk ik daar toch anders over. Glas moet, volgens haar, beweging uitdrukken, ook hier in de dubbele betekenis van het woord: bij de makers ervan en bij de kijker ernaar die erdoor wordt bewogen, ontroerd. Dat doet haar werk, en ook de muziek die Wiek Hijmans voor dat filmpje componeerde en die zelf speelde, op elektrische gitaar.

Het instrument dat misschien bij uitstek kan uitdrukken dat glas warm kan zijn als de zon erop schijnt, maar ook koud als ijs. Het kan, als de glasblazer zijn kunst tot in de finesses beheerst, zoals Bibi Smit, fraai van vorm zijn maar ook bewust lelijk gehouden. Van glas kun je genieten, als gebruiksvoorwerp, zoals de Delta-vaas van Mart van Schijndel, of als kunstwerk. Zoals een glasobject met een ingeblazen spiraal uit de collectie van mijn moeder (zie foto; klik erop om hem groot in beeld te zien). De ziel zit binnenin, afgeschermd tegen aanraking. Alleen het licht valt binnen. Door de zon gebroken als een regenboog, als in de Venustrechter van Rebecca Horn, vanaf 1987 bij de ingang van het Gemeentemuseum Arnhem: glas, staal, verguld koper en gedistilleerd water. Het effect laat zich raden. Elke keer weer als je het ziet en het je beweegt.

https://vimeo.com/263327019

 

Minimalistische Hamlet

Hamlet_Espen HjortEr is een heleboel lef voor nodig om als afstudeerproject Hamlet van Shakespeare te kiezen. Of, laten we eerlijk zijn: een voorstelling naar Hamlet in een vertaling van Johan Boonen op de planken te zetten. Want dat was wat regisseur Espen Hjort (26) eigenlijk deed. En laat ik het meteen maar zeggen: het was een voorstelling om alle bewondering voor te hebben.

Met slechts vier spelers, violiste Yoonhee Lee en percussionist Tristan Renfrow die binnen dit kader soms wat bevreemdende muziek speelden van Sén ó Dálaigh, student sonologie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Eén speler speelde Hamlet, een tweede (enkelvoud) zijn twee vrienden, – wat soms subtiel, maar eigenlijk wat overbodig werd aangeduid: ‘Guildenstern (en Rosenkrantz)’ -, een derde wisselde soms van een jas met bontje en speelde zo niet alleen Hamlets oom, de nieuwe koning maar alle andere mannelijke personages, en een vierde speler nam alle vrouwenrollen op zich, variërend van Hamlets moeder tot zijn vriendin Ophelia.

Op die manier ontstond een uitgebeende voorstelling, ingekort tot 75 minuten, met sterk minimalistische trekken. Dit laatste werd versterkt door de stelselmatige, ritmische herhaling van gedeeltes van de tekst. Telkens met een kleine verschuiving, qua accent, of een zinnetje erbij. Ritmisch was ook de inzet van een rookmachine, die de spelers – en op het laatst ook het publiek – omhulde met rook en waarin je de geest van Hamlets vader vermoedde.
Wat een beetje uit de toon viel, was het verhaal van Orphea’s dood dat kort werd verteld.

De centrale vraag (het onuitgesproken To be or not to be) was de angst voor verlies en dood. Soms met een accentverschuiving: de rits organen die worden opgenoemd als plaats waar ontferming een plaats heeft (een overigens Bijbelse notie, die Shakespeare niet vreemd is) werd verbreed tot ‘onderbuik’. En welke associaties we daar inmiddels bij hebben, hoeft hier niet te worden vermeld.

Een diepere laag vormde het decor waarin alles ten tonele werd gevoerd. In eerste instantie leken de planken de latten van een doodskist te vormen, maar aan het eind van het stuk richtten zij zich allemaal op en vormden samen de bomen van een bos, waarin de acteurs op zoek gaan naar datgene wat hen ten diepste beweegt en richting geeft aan hun bestaan.

Yehudit_Sasportas_foto_Robert_Glas[1]Opeens zag ik de indrukwekkende video van Yehudit Sasportas (zie foto links) op de tentoonstelling Once in a Lifetime in de Amsterdamse Oude Kerk voor me, op een steenworp afstand van Frascati waar ik deze voorstelling zag. Ik schreef er al eerder over (https://elsvanswol.nl/?p=2274). Ook dit video kunstwerk gaat over leven en dood, angst en verlies.

Espen Hjort is wat mij betreft glansrijk geslaagd met zijn afstudeerproject. En met hem zijn medestudenten Janneke Gorthuis (productie), Thomas Lloyd (techniek) en Hannah Krauss (scenografie). En de vier acteurs niet te na gesproken: Bram van der Kelen, Lowie van Oers, Danielle van de Ven en Rik Witteveen. Dergelijk talent is een belofte voor de toekomst!

Nietzsche in muziek

NietzscheDe Volksuniversiteit Amsterdam heeft het najaarsprogramma 2015 bekend gemaakt. Kon verleden jaar wegens gebrek aan belangstelling een cursus over Nietzsche (zie afb.) en muziek geen doorgang vinden, dit jaar staat het gezamenlijk lezen van De vrolijke wetenschap van Nietzsche o.l.v. Robert Snel op het programma: http://www.vua-ams.nl/cursussen.php?parent_id=4267&child_id=4384&course_id=8943.
Hieronder een inleiding op Nietzsche en muziek, zoals die eventueel gegeven had kunnen worden, als de voornoemde cursus door was gegaan.

1. Inleiding
Britta Böhler eindigt haar roman De beslissing, over drie dagen uit het leven van de schrijver Thomas Mann (1936), met een op één na laatste hoofdstuk dat – hoe symbolisch – is getiteld ‘Middernacht’ (uitg. Amsterdam, Cossee, 2013). Dit hele hoofdstuk gaat over Manns liefde voor de muziek van Richard Wagner. Hij ‘krijgt’, schrijft ze, ‘nooit genoeg van het voorspel van Lohengrin (…). Van alle Wagner-stukken zijn Lohengrin en Parsifal hem ook nu nog het liefst. Tristan is de muziek van zijn jeugd, de muziek van de vervoering, van de roes, van de fascinatie met de dood. Maar de wroeging en de smart in Parsifal blijven ook op oudere leeftijd’ (p. 157-158).

Lohengrin staat in het verloop van het verhaal symbool voor de eigen ondergang die Thomas Mann vermoedt, nadat hij het nazisme d.m.v. een ingezonden brief in de Neue Züricher Zeitung heeft aangevallen. Ze beschrijft vervolgens de muziekidiolatrie van de Duitsers en legt Mann de volgende woorden in de mond: ‘De nexus van politiek en cultuur. Wagner en Hitler (…). Hij [Mann] loopt naar de boekenkast, pakt Faust eruit en gaat met het boek aan zijn bureau zitten.’ Hij was al eerder met dit Duitse volkssprookje bezig geweest. En met Goethe. Maar hij ziet hem anders dan Goethe.

Op dit moment in het hoofdstuk komt Nietzsche op de proppen: ‘Nietzsche had gelijk, het verlies van de mythe is de oorzaak en de verklaring voor het onbehagen in de huidige cultuur [1936]. De verloren, maar tevens bezworen autoriteit van de mythe in de romantiek. De mythe, in Wagners werk verheerlijkt als de enige ware taal van het volk, eenvoudig, puur en verheven. En door Hitler op een zo gruwelijke wijze verpest en misbruikt dat je er misselijk van wordt’ (p. 163-164).

‘Hij’, vervolgt Böhler, ‘begint weer te schrijven. Nu vlotter. De muziek is de Leitkunst, zoals de schilderkunst of de beeldhouwkunst dat vroeger ooit was. De muziek, dat duivelse gebied, is een stimulans en een opiaat, abstracte ordening en naar chaos neigend tegelijk. De beleving van muziek die leidt tot de terugkeer van de verdrongen dionysische levenskrachten (…). Als Faustus een vertegenwoordiger van de Duitse ziel wil zijn, moet hij musicus zijn. Faustus de musicus’ (p. 164).
Overigens zijn er interpreten die in de hoofdpersoon van Doctor Faustus, de componist Adrian Leverkühn, niet het alter ego van Thomas Mann, maar Nietzsche hebben gezien.

2. Rüdiger Safranski
Het idee dat muziek Leitkunst is, is ook de opvatting die de Duitse filosoof Rüdiger Safranski in de biografie van Nietzsches denken tentoonspreidt. Hij begint zijn boek als volgt: ‘De ware wereld is muziek. Muziek is het immense. Hoor je haar, dan behoor je tot het zijn. Zo heeft Nietzsche haar beleefd. Zij was zijn alfa en omega. Zij mocht nooit ophouden. Maar’, schrijft hij dan dreigend en als een cliffhanger: ‘zij hield op’ (p. 9).
Even verder schrijft Safranski: ‘Lange tijd was het zoals bekend de muziek van Wagner waar Nietzsche de omvang van het geluk bij het kunstgenot aan afmat’ (p. 10). En ook Safranski heeft het net als Britta Böhler over de rol van de mythe en over dionysische levenskrachten.

3. Richard Wagner
Parsifal is Wagners laatste opera en dateert uit 1882, en is dus gecomponeerd tussen de eerste druk van De geboorte van de tragedie (1872), met het ‘Voorwoord aan Richard Wagner’, en de derde druk met de ‘Proeve van zelfkritiek’ (1886). De tekst is gebaseerd op het oud-Franse Perceval, door Wagner bewerkt en vermengd met andere verhalende elementen. Wagner noemde zijn opera een ‘Bühnenweihfestspiel’, een gewijd en feestelijk toneelspel. Het gewijde slaat op enkele attributen, zoals de speer waarmee een Romeinse soldaat Jezus van Nazareth aan het kruis in zijn zij stak, en de schaal, de graal, waarin het bloed werd opgevangen.
Volstaat de constatering, dat Nietzsche met Wagner de kunst zag terugkeren naar de Griekse oudheid, of – anders gezegd –: de Griekse kunst werd wedergeboren. Ze werd weer een sacrale gebeurtenis, zeker in Bayreuth.

Het Gesamtkunstwerk – een term die Wagner zelf gebruikte –, met zijn tot één geheel samengesmolten onderdelen: muziek, zang, toneel, gestiek (gebaren), decor enzovoort, is een analogie van de eenheid tussen het Apollinische levensgevoel – voorgesteld in de afzonderlijke personages – en het Dionysische, dat de diepere gevoelens van de toeschouwers aanspreekt.

Er is nog een analogie, tussen wat Safranski in zijn boek omschrijft en wat Nietzsche zelf schrijft. Safranski schrijft (p. 11-12): ‘Soms is de beleving van de muziek zo sterk dat je vreest voor je arme ik, dat van louter vervoering in de muziek, in de orgie van de muziek ten onder dreigt te gaan. Daarom is het nodig dat er een distantiërend medium tussen de muziek en de dionysisch ontvankelijke toehoorder wordt geschoven: een mythe uit woord, beeld en scènische handeling. De aldus opgevatte mythe beschermt ons tegen de muziek, die naar de achtergrond wordt gedrongen, van waaruit zij nu omgekeerd de handelingen, woorden en beelden een dusdanige intensiteit en betekenis verleent, dat de toeschouwer het geheel hoort alsof de diepste afgrond der dingen verstaanbaar tot hem sprak.’

Nietzsche zelf schrijft in zijn De geboorte van de tragedie (p. 31): ‘De Griek was zich bewust van de verschrikkingen en kwellingen van het bestaan en ondervond ze aan den lijve: om ook maar enigszins te kunnen leven moest hij tussen zichzelf en deze kwellingen een schitterende slagorde van Olympiërs plaatsen. (…) [Dit] werd door de Grieken met behulp van die kunstzinnige tussenwereld van Olympiërs keer op keer overwonnen; in elk geval werd ze verhuld en aan het oog onttrokken. Om te kunnen leven, zagen de Grieken zich genoodzaakt deze goden te creëren.’

Misschien dat Thomas Mann juist daarom aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zijn heil zoekt bij de mythe van Faust, en Faust tot een musicus maakt. Voor Nietzsche is de mythe een plaatsvervanging van het religieuze én het rationele, dat volgens hem niet in staat zijn het leven richting te geven. Bij Wagner neemt de kunst de plaats van de religie in, zonder daarbij een zekere sacraliteit en religiositeit uit het oog te verliezen. Nietzsche keert zich op een zeker moment hiervan, en daarmee van Wagner, af. Hij richt zijn blik in ‘t vervolg op kunst in de zin van levenskunst, het van je leven een kunstwerk maken. Nietzsche schrijft dan: ‘Wagners natuur maakt je tot dichter, je verzint een nog hogere natuur. Dat is een van de heerlijkste invloeden die hij op je heeft, die zich uiteindelijk tegen hem keert (…). Lezers van mijn vroegere geschriften wil ik uitdrukkelijk verklaren dat ik de metafysisch-artistieke opvattingen die daarin op alle wezenlijke punten overheersen, heb opgegeven: ze zijn aangenaam, maar onhoudbaar’ (Safranski, p. 125-127).

Nietzsche moet niets hebben van het sacrale dat een operaopvoering van Wagner in Bayreuth aankleeft. Hij verzucht liever ‘werkelijke mensen en hun motieven’ te willen zien. Een uitlating die rijmt op wat hij als de kunstopvatting van Wagner beschouwt, en die hij inmiddels afwijst: ‘Wie’, schrijft Wagner, ‘door de kunst is betoverd, gaat zo op in het spel van de kunst dat hij omgekeerd de zogenaamde ernst van het leven alleen nog als spel beleeft’.

4. Samenvatting en conclusie
Een mooie samenvatting is te vinden in het boek De tragiek van de tragedie van Niels van Poecke. Hij schrijft (p. 104): ‘Voornamelijk in het Gesamtkunstwerk (totaalkunstwerk) van Richard Wagner zag Nietzsche de tragische kunst tot een herrijzenis komen. Wagners muziekdrama’s waren in zijn ogen de reinigende kunstwerken bij uitstek, waarin Dionysos immers reeds een verbond met zijn aartsvijand Apollo had gesloten. De Dionysische kracht van Wagners opera’s kwam tot uitdrukking in de vele ‘oneindige’ melodieën. Deze melodieën sleurden de toehoorder letterlijk de diepten van het Oer-Ene in, waarna deze, wanneer de tonen hem naar adem deden snakken, naar een Apollinische ontlading in de ‘realiteit’ ging smachten. Deze ontlading werd gecreëerd doordat Wagner de melodieën combineerde met Apollinische zangpartijen, waarvan hij de verhaallijnen baseerde op middeleeuwse mythen, sagen en legendes. Tegenover de Dionysische kracht van de muziek wist hij zodoende de Apollinische (tegen)krachten van het woorddrama en de mythe te stellen, waarmee zijn muziekdrama’s een continue wisselwerking tussen extase en ontlading uitbeelden, en daarmee, net zoals de vroegere Griekse tragedies, een louterende of reinigende inwerking op de toeschouwers uitoefende. En het was (…), precies deze dubbele artistieke neiging – zowel een onderdompeling in de Dionysische natuur als een ontlading in de Apollinische ‘realiteit’ – die de moderne Duitser volgens Nietzsche moest ondergaan.’

Wat met ‘de moderne Duitser’ wordt bedoeld, zagen we bij Thomas Mann. Overigens mag niet mag worden vergeten, wat Simon Vestdijk de romantische musicus Cuperus in zijn roman De koperen tuin in de mond legt: ‘Zal wel bij de jonge Wagner in de leer zijn geweest, ik vond tenminste iets in de buurt van pagina 120 [van het klavieruittreksel], neen verder, al helemaal tegen het slot, als Carmen door José gemold wordt (…). Goed, – goed, – banale begeleiding, maar dat hoor je niet van het orkest, – maar dit bedoel ik allemaal niet; hier, vanaf de 9e maat, dat is het, moet je goed horen, dat is je reinste Wagner, – prachtig! neen, tegen het slot is het weer afgelopen, toch óok verduiveld goed, dat es-as-f-akkoord, – maar ik bedoelde eigenlijk die contrapuntische geschiedenis even te voren, met die verdomd knappe imitaties (…), dat is Tristan, dat is Parsifal, dat is alles wat je maar wil, – maar Bizet heeft daar nooit een noot van gehoord of gelezen; hij kan hoogstens iets uit de Lohengrin gehoord hebben; de Tannhäuser zéker … Knap, heel knap.’