Ver-maak met de middeleeuwen

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept. In 2018 waren dat de oude Grieken, in 2019 de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur en dit jaar waren dat de middeleeuwen. Samengevoegd tot een Top-10. In de hoop dat er tips bij zitten.

1.
Eerlijk is eerlijk: de vonk sprong al eerder dan in 2020 over. Op precies te zijn op 22 juni 2019 tijdens de vijfde aflevering van ‘Vrouwen in de muziek’ in de Domkerk van Utrecht. Het Ensemble Peregine o.l.v. Rebecca Stewart voerde muziek uit van Hildegard von Bingen (1098-1179). Ik was, zoals dat heet, flabbergasted. Toch vatte ik het idee om van de middeleeuwen een jaarthema te maken, pas later op. Eigenlijk door twee in dezelfde week vallende gebeurtenissen.

De eerste was het boekje De kleine Huizinga van Willem Otterspeer, dat ik voor mijn verjaardag kreeg en dat ik las ter inleiding van een middag over Huizinga in november 2019 aan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).
Het tweede was een concert in het kader van de Open Recorder Days (ORDA) met l’Amoureus Tourment van Guillaume de Machaut (1300-1377) en muziek van de troubadours, 25 oktober in het Conservatorium van Amsterdam.

Toen wist ik het helemaal zeker: dit is en wordt het jaarthema 2020. Want hier wil ik me wel een heel jaar wel mee bezighouden en in onderdompelen. Zonder dat er ook maar sprake is van ‘defensieve nostalgie, die zich manifesteert in het verlangen om terug te keren naar de middeleeuwen’, zoals het personage Patelski het verwoordt in Ilja Leonard Pfeiffers roman Grand Hotel Europa. Nee, ‘gewoon’ de middeleeuwen als een onbekend land dat wijze lessen te bieden heeft. Dan kantelt, aldus Pia de Jong in NRC Handelsblad (11 november 2019) je zelfbeeld.
Dat corona de keus aan tentoonstellingen en concerten zou gaan dwarsbomen, wist ik toen nog niet, maar er kwam ook veel voor in de plaats.

2.
Om meteen maar met de deur in huis te vallen: ik heb weer blokfluitles! Het begon opeens te kriebelen. Mijn blokfluitleraar, Juho Myllylä, ontgint een terrein dat voor mij tot nu toe braak lag: de middeleeuwen dus. Het eerste stuk uit die periode dat ik bij hem instudeerde, was de ballata Sento d’amor van de veertiende-eeuwse componist Lorenzo da Firenze (?-1372 of 1373), die werkzaam was aan de San Lorenzo.
Een mooie introductie in een vocale manier van spelen: lange lijnen, mooi legato, retorisch. Al kun je dit stukje ook instrumenteel benaderen. Juho Myllylä speelt voor hoe; haast een estampie wordt het zo. Het slagwerk hoor je er vanzelf bij.

 https://youtu.be/24RR8pIolLM

3.
In dezelfde veertiende eeuw schreef Giovanni Boccaccio (1313-1375) zijn Decamerone, waarin een tiental jongeren hetzelfde Firenze van Lorenzo ontvlucht. Daar heerste toen de pest. Ze vertellen elkaar verhalen.
Elke dag bracht het Internationaal Theater Amsterdam (ITA) gedurende de eerste coronagolf op hun site zo’n verhaal, verteld of voorgelezen door een acteur. De ene keer wat over de top, of saai, een andere keer met wat veel versprekingen, maar praktisch altijd om van te smullen. Vooral de kennismaking met jonge acteurs vond ik buitengewoon. Heel eenvoudig gedaan: op het toneel gezeten, in een lege zaal, met soms een kaarsje en eventueel een glas water aan een tafeltje. Ik keek er elke dag naar uit.

4.
Via twitter kwam ik op het spoor van de videocolleges van Bas Jongenelen. Hij belicht in zijn vijfde college Vanden winter ende vanden somer (ca. 1350), één van de vier abele spelen. Hierin komt Vrouw Venus, de godin van de liefde al voor, dus vóór de renaissance. Het is vermaak in de zin van ver-maak, iets dat wat met je doet in de zin van Pia de Jong.

5.
‘Weinig werken zijn tijdens de middeleeuwen zo intensief gelezen als Troost van Boëthius (477-524)’ schrijft vertaler en inleider Piet Gerbrandy in de uitgave hiervan bij DAMON. Dat wil zeggen tot de vijftiende eeuw, want ‘reformatie en contrareformatie hebben misschien een einde gemaakt aan de betrekkelijke fluïditeit die het christendom eeuwenlang had gekenmerkt: voortaan moest met in geloofszaken heldere keuzes maken’. Onlangs las ik de aanbeveling, dat het misschien weer tijd wordt voor fluïditeit in het Christelijk denken.
Ik heb, zoveel eeuwen later, van Troost genoten. Ook ver-maak in de zin van Jongenelen en De Jong, maar dan anders. Over enige tijd kom ik met een blog over het denken van Karl Jaspers, en laat die nu door Boëthius zijn beïnvloed.

6.
Nog een serie online-colleges over literatuur in coronatijd. Nu over Shakespeare. Nee, geen middeleeuwer, maar wel een grensganger in velerlei opzichten. En een die elementen uit de middeleeuwse letterkunst overnam.
Zo vertelt Lena Orlin in een college over de Sonnetten, dat nr. 144 is gebaseerd op het concept van het conflict in de ziel tussen goede en slechte engelen, zoals in een morality play. Bij Shakespeare zijn het een goede geest, een man, en een boze geest, een vrouw geworden. Sir Patrick Stewart, die onder de hashtag #ASonnetADay praktisch elke dag op twitter een sonnet voorlas, sloeg overigens vrouwonvriendelijke sonnetten (zoals nr. 20) over.

7.
Covid-19 zette als gezegd grof een streep door heel wat live toneel en -concerten. Zo ging bijvoorbeeld de uitvoering van Thomas Adès nieuwe balletmuziek Inferno door het Koninklijk Concertgebouworkest niet door. Een ballet voor The Royal Ballet in Londen, waarin Adès reflecteert op het eerste deel uit Dante’s La Divina Commedia (1472), geschreven op het breukvlak van middeleeuwen en renaissance dat in coronatijd veelvuldig werd genoemd.

In plaats van dat concert verdiepte ik mij thuis in een mooi artikel in het Tijdschrift Oude Muziek (3/2020) over ‘Muziek uit het hart’; het verschijnsel van handschriften in de vorm van het hart, ook uit de late middeleeuwen. Een longread waarin de auteur onder meer ingaat op de antithesen in die handschriften, die we ook uit het werk van Petrarca (1304-1374) kennen:

            Mijn oog verheugd zich
maar mijn hart vervloekt het uur.

Het is ook de tekst van het chanson Ma bouche rit et ma pensee pleure van Johannes Ockeghem (?-1497). Cappella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss zong tijdens de middag over Huizinga van de KNAW een klaagzang op Ockeghems dood van de hand van Josquin des Prèz (?-1521). Zo grijpt het één in het ander.

8.
Ook de televisie biedt, naast boeken en tijdschriften, internet en twitter in deze tijd veel ver-maak. Ik denk aan een serie die NPO2 uitzond in de periode september-oktober: The Dark Ages: An Age of Light. Een rake titel.
Een rake serie over de catacomben, de bouw van basilieken, de Hunnen en Vikingen met hun verre van barbaarse kunst, de rol van de islam die de rooms-katholieke, drukke kunst van de Visigoten in Spanje verfijnde.
Over twee Visigotische reliëfs uit de zevende eeuw ging een reportage van De Kunstdetective (29 september 2020). Zij hadden hun weg gevonden van Spanje naar de tuin van een aristocratische Brit. Arthur Brand vertelde dat het kunstdieven waren geweest die in 2004 hun slag sloegen in een oude kerk in Noord-Spanje.

9.
Ook de Vlaamse televisie deed mee met mijn thema ‘middeleeuwen’. Op 8 november 2020 zonden zij een Britse documentaire uit van Kenny Scott, waarin prof. Alice Robert een nieuw licht (weer dat licht!) wierp op de zogenaamde donkere, in dit geval Britse middeleeuwen.
In 410 overkwam Engeland een grote ramp: de Romeinen verlieten Engeland. Op dat moment was er geen controle meer. Er zijn weinig geschriften overgebleven, en alleen een naam cirkelt nog steeds rond: King Arthur. De vraag is of hij heeft bestaan. Volgens het verhaal verenigt hij Engeland na het vertrek van de Romeinen en de komst van de Saksen. Oorspronkelijk een wreedaard, werd hij in de veertiende- en vijftiende eeuw vriendelijker gemaakt met zijn bekende tafel.
Er zouden bewijzen van al die bloedige oorlogen moeten zijn. Archeologen zoeken er nog steeds naar op de breuklijn in Yorkshire. Er is echter niets van teruggevonden; slechts 2% van de skeletten toont wapenletsel. Er was geen invasie, maar er waren nederzettingen en landbouw. Er vond een vermenging plaats van Britten en (Anglo)Saksen. Ze werden verwelkomd, net als de Noordeuropeanen.
In Tintagel – ik was er eens – werd een steen gevonden met een drieregelige inscriptie voor een monument. Dit is heel wat interessanter, volgens Robert, dan de vraag of King Arthur al dan niet heeft bestaan: de geboorte van Engeland namelijk, verbonden met een Atlantisch netwerk. Dat is de nieuwe waarheid over de vijfde- en zesde eeuw. Laten we het er maar op houden dat King Arthur een mythe is.

Ik ontdekte zo langzamerhand een rode draad: de Hunnen waren niet zo wreed als we denken en de Vikingen van origine boeren die zeevaarders werden en tevens grote kunstenaars, geïnspireerd door de Romeinen. Neem hun boten, met prachtig houtsnijwerk (Vikingmuseum, Oslo).

10.
Terug naar het begin: mijn blokfluitleraar bracht begin december samen met twee collegae, waarmee hij het ensemble Gamut! vormt (blokfluiten, klein slagwerk,  elektronica, middeleeuwse harp, (geprepareerde) klavecimbel, jouhikko, tenorvedel, violone in G en zangstem) een debuut-cd uit onder de titel UT (het Zweedse woord voor naar buiten gaan én de eerste noot uit de middeleeuwse muziektheorie). Op deze cd smeden ze verschillende muziekstijlen (middeleeuwen, Finse volksmuziek/folk, en jazz) aan elkaar. Ze putten daarbij onder meer uit middeleeuwse handschriften en teksten over liefde, passie, treurnis en dood. Het is verschrikkelijk spannend wat ze doen, en ik ga er zeker wat van laten horen tijdens de eerste middag waarop ik de muziekgeschiedenis langs ga voor een Huis van de Wijk. Een middag over de middeleeuwen. En ook tijdens die over de renaissance. Dan is het inmiddels 2021, zodat mijn jaarthema dit keer méér dan een jaar omspant. Achterwaarts én voorwaarts in de tijd. Al wacht er natuurlijk ook een nieuw jaarthema. Maar voor alles hopen we op gezondheid, wereldwijd.

Senkrecht von oben

meteorietenmarinusboezem2016photorobert-glas2

… In elke letter
zit een nieuw heelal
(Ester Naomi Perquin)

1.
’s Ochtends hoor ik in een preek in de Amsterdamse Oude Kerk, door ds. Jessa van der Vaart, over het omslag van de folder die de Nexus-conferentie 2016 aankondigde. Daarop staat een foto van een pianist die tussen de puinhopen in Syrië zit te spelen. De vernietigingen daar en elders zijn geen aankondiging van het laatste der dagen, maar de pianist zit in, te midden van het geweld, en doet er inbreuk op. Zoals bidden dat kan doen, maar dan op de manier zoals die op wandschilderingen in catacomben in het oude Rome werd afgebeeld: met het hoofd ten hemel gericht, en zowel de handen als de ogen open, ontvangend.
En dat te midden van de tentoonstelling met werk van Marinus Boezem dat momenteel in de Oude Kerk wordt tentoongesteld. Alsof meteorieten dwars door het dak naar binnen zijn geslagen en als spiegels op de grond uiteen zijn gevallen (zie foto Robert Glas).[1]

2.
’s Middags bezoek ik de performance A prayer door Snejanka Mihaylova en Lisa Holmqvist in het kader van Amsterdam Art in de Amsterdamse Thomaskerk (curator: Dorothé Orczyk). Een gebed zoals wij nu gewend zijn te bidden: ingetogen, de ogen geneigd, in stilte. De kunstenares Mihaylova spreekt een gebed uit, en geïnspireerd op het Holy Book of the Great invisible spirit oftewel het Koptische evangelie van de Egyptenaren. Er zijn alleen klinkers uit overgebleven. Langzaam klinken ze door de ruimte, waarbij de uitvoerenden onder de koepel in het dak tegenover elkaar zitten. In de nieuwe spirituele muziek van Lisa Holmqvist weerklinken de klinkers ook, van de hoge a (in de sopraan) tot de lage e (in de bas). Gezongen door drie vrouwen en drie mannen en met één dwarsfluit (in plaats van de origineel twee (blok?)fluiten die volgens de partituur zijn voorgeschreven). De componist, die tevens dirigeert, houdt haar handen open naar boven gericht op de manier zoals we, sinds ik vanmorgen weet, uit de catacomben in Rome kennen. Op z’n tijd de losse letters tot woorden aaneen te rijgen; transformation, transliteration. In trance ook.
De morgen en de middag gaan een gesprek met elkaar aan.

3.
En dat gaat ’s avonds nog zo even door. Thuisgekomen lees ik in NRC Boeken, die iemand in de kerk altijd voor me meeneemt, een recensie van Toef Jaeger van het boek Het valse seizoen van Christiaan Weijts (NRC Boeken, 25 november 2016).
Het begint met een beschrijving van een vrouw die altviool speelt, daags na de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo, terwijl een duif neerstrijkt op de krul van het instrument. Weijts vraagt zich volgens Jaeger af of die viool troost biedt of weerstand oproept, kunst is of kitsch. Volgens Jaeger komt Weijts uit op ‘het idee van interventie, al dan niet maatschappelijk, als voorwaarde voor kunst.’ Inbreuk doen in de werkelijkheid, al wil volgens haar de vrouwelijke hoofdpersoon uit Weijts’ boek aan de puinhopen betekenis geven.
Die betekenis wilde Jessa van der Vaart, als ik haar goed heb begrepen, niet in het spel van de pianist in Syrië leggen. Doodeenvoudig omdat die betekenis er niet is. En inbreuk doen, Senkrecht von oben zoals de spiegels van Boezem, des te meer.
Bidden – met de ogen open, om die gebroken spiegels, de gebroken wereld heel helpen te maken. Dat misschien?

[1] Recensie: http://8weekly.nl/recensie/kathedraal-van-de-verbeelding/

marinus boezem

 

Arvo Pärt: muziek geworteld in wonden

Arvo PärtDe etiketten zijn weer snel aangebracht: de componist Arvo Pärt, die de Praemium Imperiale 2014 kreeg toegekend, zou een vertegenwoordiger zijn van, of op z’n minst verwant zijn aan de ‘nieuwe eenvoud’ met z’n weinige noten, het ‘post-minimalisme’ met z’n herhaalde motieven, de ‘neo-gotiek’ met z’n kerktoonsoorten, de ‘new age’ met z’n mooie samenklanken (Trouw, 17 juli 2014).
Allemaal etiketten die zijn ontleend aan de composities die wij van deze uit Estland afkomstige componist in Nederland kennen, zoals het schitterende Fratres. Ik wil dit beeld wat nuanceren, en doe dat aan de hand van drie zeg maar In memoriam stukken.

 

Zeker, Pärts orgelwerk Pari intervallo – de eerste van de drie stukken die ik hier noem – is eenvoudig en meditatief van karakter. Maar, zoals wel wordt gedaan, er meteen van uit gaan, dat de dood erin wordt toegedekt als was Pärt een aanhanger van new age- gedachten, gaat mij te ver.

Wat dat betreft kennen wij ook zijn Cantus in memoriam Benjamin Britten, het tweede stuk dat ik wil noemen. Michael van Eekeren heeft dit werk een keer beschreven als bestaande ‘uit louter dalende toonladderfiguren’. Voor hem geen ‘nieuwe eenvoud’ maar ‘de naar beneden biggelende tranen van verdriet symboliserend’ (in: Klassiek, nr. 74/1995).

En dan hebben we het nog niet eens over Pärts Pianotrio, het derde en laatste in memoriam stuk, dat in 1992 in Helsinki in aanwezigheid van de componist in première ging. Het gaat om een werk dat veraf staat van een doorgaande, eenvoudige zo u wilt ‘post-minimalistische’ stijl. Want plotseling stokte de muziek met een heftigheid die elke aanhanger van de new age-ideologie zou hebben doen schrikken.

Pärts muziek is dan ook eerder muziek die, zoals Peter Hamm het in zijn programmaboek van de Warschauer Herbst 1989 omschreef, ‘zijn wortels in wonden heeft’. Pärts muziek doet hem denken aan de vroegchristelijke catacomben. En daarmee is hij denk ik dichter tot de essentie ervan doorgedrongen dan een Elmer Schönberger die bij het luisteren naar de muziek van Pärt ‘uivormige koepels van echte kathedralen’ ziet glanzen (in: De vrouw met de hamer en andere componisten). Geen neo-gotiek dus maar echte, dat weer wel.

Gebaseerd op een stukje dat eerder verscheen in: In formatie, voor en uit de hervormde gemeente rondom de Weerenkapel (februari 1996, p. 9).