Rachid Ouramdane L’A TORDRE

Annie HanauerOp 6 juli a.s. laten, zoals het programma-overzicht van Juli Dans (International Festival for Contemporary Dance) het zegt, ‘twee danseresssen zien hoe je van een zwakte je grootste kracht maakt.’ De één is Lora Juodkaite die sinds haar kindertijd een onbedwingbare aandrang heeft rond haar as te draaien om tot rust te komen. De Raimund Hogheander is Annie Hanauer (zie foto), die een prothese-arm heeft en zich ‘niet laat tegenhouden om toch een leven als danseres te kiezen.’ Zij dansen deze avond samen een duet van Rachid Ouramdane.
Deze aankondiging riep bij bij de herinnering op aan een Culturele column die ik over Raimund Hoghe schreef (Wervel
ingen, winter 2002). Met toestemming herplaats ik deze hier.

In een serie televisiefilms naar de toneelstukken van Samuel Beckett was onlangs uiteraard ook zijn beroemdste stuk te zien: Wachten op Godot. Michael Linsday-Hoggs, de film-regisseur, was in een opvatting van de figuur Lucky, de drager van zijn meester Pozzo, verder gegaan dan Beckett in zijn tekst aangeeft. Daarin buigt Lucky zich telkens voorover om iets voor zijn meester op te rapen, maar niets wijst erop dat hij, zoals in de regie van Lindsay-Hoggs, krom is gegroeid en constant voorover loopt. Lindsay-Hoggs laat Lucky alleen rechtop staan op het moment dat hij van Pozzo mag ‘denken’. Een ander kunstje dat hij voor twee hoofdpersonen, Estragon en Vladimir, moet opvoeren, is dansen. Dat bestaat er in de regie van Lindsay-Hoggs hieruit, dat Lucky probeert rechtop te komen. Maar het lukt hem niet. Volgens Pozzo omdat ‘hij gelooft dat hij in een net gevangen is.’

Volgens sommige kenners van het werk van Beckett is Lucky gebaseerd op de figuur van Jezus van Nazareth. Volgens hardnekkige geruchten zou uit oude Romeinse archieven, die bewaard zijn gebleven in het Historisch Museum te Rome, blijken dat Jezus bijna kaal was, een bochel had en slechts 1,47 meter was. Het archief bestaat overigens niet …

Hoe dan ook: het omgekeerde van wat Lindsay-Hoggs toont, komt ook voor: denkers die krom liepen (Georg Chr. Lichtenberg, Moses Mendelssohn, Kierkegaard). En wat heet: een danser met scoliose! Zijn naam is Raimund Hoghe (zie foto). In 1995 trad hij in Nederland op met zijn solovoorstelling Meinwärts en werd ter gelegenheid daarvan uitgebreid geïnterviewd door Marian Buijs voor de Volkskrant. De kop van dit interview luidde: ‘Ons gevoel voor esthetiek is beperkt’ en de ondertitel: ‘Theatermaker Raimund Hoghe laat publiek moed putten uit zijn eigen gebrek.’

Uit het interview blijkt, dat Hoghe jarenlang als dramaturg heeft gewerkt bij het beroemde danstheater van Pina Bausch en op een gegeven moment dingen in het theater aandurfde die hij daarbuiten nog steeds niet zal doen. ‘Op het strand kleed ik mij niet uit. Maar waarom is het eigenlijk zo’n sensatie als ik mijn lichaam ontbloot? Ons gevoel voor esthetiek is zo beperkt. Ieder mens heeft toch zijn eigen schoonheid? Kijk naar de dansers van Pina, die zijn dikker dan gangbaar is in de danswereld. Langer, ouder, ze dragen een bril en hebben geen geschoren oksels. Daar sprak men in Amerika schande van. Maar de manier waarop ze zich tonen is juist prachtig’, aldus Hoghe in het interview. ‘Ik ga van mezelf uit’, vervolgt hij. ‘Het feit dat ik daar sta, geeft veel mensen moed. Een ander is dik of dun. Het gaat erom zo te zijn als je bent en je lichaam te laten zien. Zo persoonlijk kun je in het theater alleen zijn als de vorm heel sterk is, dat heb ik van Pina geleerd. Ik kots mijn privé-gevoel niet uit. Ik heb een metafoor gevonden, heel simpel, om een beetje tolerantie en sensibiliteit op te roepen.’ En dat is iets dat in deze wereld hard nodig is.

Volmaaktheid bij Spinoza

Spinoza_filmOp 16 september a.s. gaat de film over Spinoza van Robin Lutz in première in bioscoop Buitenhof in Den Haag (zie afb.). Naar aanleiding daarvan herplaats ik hier met toestemming een column die ik schreef voor het tijdschrift Wervelingen, en die werd gepubliceerd in het winternummer van 2008/2009.

Van een goede kennis kreeg ik enkele oude Mededelingen vanwege het Spinozahuis cadeau. In één ervan – de weerslag van een lezing die prof. dr. R. Henrard in 1987 hield – las ik over dat mooie idee van Spinoza dat ‘God borg staat voor zijn volmaaktheid [die van de mens, EvS], net als voor de volmaaktheid van de hele natuur.’

Omdat God (en de natuur, want dat is bij Spinoza hetzelfde) volmaakt is, betekent dit in de visie van Spinoza dat het onvolmaakte volmaakt is in zijn wezen, in zichzelf; ergens voert hij als voorbeeld een blinde op. Het is een idee waarin je, als je niet uitkijkt, door kunt schieten. Voor je het weet kom je – zoals Michiel Leezenberg in een recensie van een recent boek over Spinoza door Miriam van Reijen in NRC Handelsblad van 3 oktober 2008 opmerkte – in de ‘religieus-fundamentalistische hoek’ terecht, waar ziekte de wil of straf van God zou zijn. En dat was noch de bedoeling van Spinoza noch die van Van Reijen.

Het is een idee dat je in het verlengde moet zien van Spinoza’s opvatting dat God en natuur één zijn, d.w.z. dat God niet ín de natuur is (zoals de pantheïst meent), maar de mens in God (zoals de panentheïst denkt) – geloven in God valt volgens deze visie dan ook letterlijk op te vatten.
De mens is volgens Spinoza dan ook niet náár Gods evenbeeld geschapen maar – het denken van een panentheïst waardig – in Gods evenbeeld. Elke vraag die de hoofdpersoon stelt in een roman waarvan de titel mij helaas is ontschoten, en die neerkwam op hoe het nou toch kon: schots en scheef gebouwd en toch naar Gods evenbeeld geschapen – als speelde God een wrange grap met hem –, hoeft op deze manier dan ook te worden gesteld.

Dat geeft troost. Want het esthetische (een mooi mens, recht van lijf en leden, wat heet) is in Spinoza’s ogen een product van de subjectieve verbeelding en als zodanig van geen waarde. Het gaat hem om het opheffen van welke vorm van dualisme dan ook, aldus nogmaals prof. dr. Henrard. Het enige dat daarbij telt, is volgens Spinoza (in zijn Theologisch Politiek Traktaat, hoofdstuk 14) de naastenliefde.

Dat betekent niet meer en niet minder dan, of je nu gelovig bent of niet, de ander tot zijn recht laten komen. Er borg voor staan dat mensen die op wat voor manier dan ook ‘anders zijn’, meetellen – blinden en kromgebogenen, in letterlijke en figuurlijke zin. Het betekent de arme een ereplaats aan tafel gunnen, de zwarte een zitplaats in de bus van Alabama, asielzoekers een opvanghuis.
Het betekent dat ‘bij elke grensovergang de rode loper wordt uitgelegd als er iemand komt die een nieuw vaderland nodig heeft’, zoals oom Melnitz in de roman Het lot van de familie Meijer van Ch. Lewinsky zegt (p. 353), terwijl hij ‘een wrat op zijn neus en een bochel op zijn rug [liet] groeien.’ Oom Melnitz is volmaakt (oneindig liefdevol) in zijn zogenaamde onvolmaaktheid, want hij staat borg voor het welzijn van zijn medemens die is als hij.

https://www.pathe.nl/film/21414/spinoza

Rigoletto en anderen

RigolettoGiuseppe Verdi wilde in de tijd van het naturalisme en realisme wel eens iemand met een handicap in zijn opera’s ten tonele voeren: de blinde grootinquisiteur in Don Carlos en de gebochelde Rigoletto in de gelijknamige opera op een tekst van Victor Hugo, als bekend tevens de auteur van De klokkenluider van de Notre Dame, waarvan de hoofdpersoon is gebaseerd op iemand die scoliose had.

Wie op cd-hoesjes en in operaboeken zoekt, treft verschillende outfits van Rigoletto, de nar aan het hof van de Gonzaga’s in Mantua aan; inderdaad vaak gebochelde mensen, zoals Clare Colvin ze ook in haar roman De pracht van de Gonzaga’s beschrijft. Zwaar aangezet is bijvoorbeeld de Rigoletto in de enscenering van David McVicar (Covent Garden, 2001/2002), die door Paolo Gavanelli werd gezongen, terwijl anderen meer als een soort commedia dell’arte figuur zijn neergezet. Wat op zich ook niet zó verwonderlijk is, omdat Pulcinella vanaf de 18e eeuw vaak een bochel – en, logischerwijs, vanwege verslapte spieren – een dikke buik heeft, zoals onder andere op kunstwerken van Giovanni Domenico Tiepolo valt waar te nemen.

Nooit echter heb ik echter diepgaander een rol van een toneelfiguur met een bochel (letterlijk) vorm zien geven als in de bewerking die Ditte Pelgrom en Czeslaw de Wijs onder de titel Hoofd zonder wereld II voor het gezelschap ’t Barre Land maakten van het tweede deel van Het Martyrium (Die Blendung) van Elias Canetti. Geen gestileerde bochel van een al dan niet aanzienlijke omvang zoals in sommige regieopvattingen van Rigoletto van Verdi of, om nog een voorbeeld te noemen, Richard III van Shakespeare. Ook geen enorme spiermassa, zoals de bochel van Vulcanus die Goltzius à la Spranger vorm gaf in een beeld uit 1585 (Venus en Mars betrapt door Vulcanus) dat in het Rijksmuseum te Amsterdam viel te zien, maar een boekentas die als bochel dienst deed.

Dat is heel toepasselijk voor Fischerle, de tegenspeler van de bibliofiele hoofdpersoon sinoloog Kien. De oplichter Fischerle drong het leven van deze kamergeleerde binnen en liet hem kennismaken met iets dat in het geheel niet beantwoordde aan de trits het schone – het ware – het goede dat Kien uit zijn boeken kende. Maar omdat Fischerle een boekentas “als bochel” had, stelde hij het automatisme van het omgekeerde (een mismaakt lichaam als symbool voor het lelijke – de leugen – het slechte) dat aan zijn rol – en die van een Richard III – kleeft mijns inziens daarmee automatisch ter discussie. En terecht!

N.a.v. de uitvoering van Rigoletto op 14 maart 2015 in het Amsterdamse Concertgebouw, herplaats ik hier met toestemming een deel uit een column die eerder verscheen in Wervelingen. 
De uitvoerenden zijn:
het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor
Dirigent: James Gaffigan
Solisten: Dimitri Platanias, Arnold Rutkowski, Lisette Oropesa, Carlo Lepore, J’nai Bridges, e.a.

The Islanders

ChagallOp het eerste gezicht deed het op alle potloodtekeningen in de serie The Islanders van de Britse kunstenaar Charles Avery (Museum Boijmans Van Beuningen, 2009) voorkomende figuurtje denken aan een gebochelde kobold in een volksverhaal uit noordelijke streken. Of aan het schilderij De gebochelde (1911) van de Rus Alexej Lawlensky (particuliere collectie, Krefeld). Overal kwam ze in beeld, als een rode draad in het verhaal over een imaginair eiland dat Avery zowel beschrijft als afbeeldt. Wat deden die oude vrouwtjes daar nu aldoor?

 

Ik had het idee dat ik het figuurtje van een ander schilderij kende. Was het de Boerin met emmers en kind van Malevitsj uit dezelfde tijd als Lawlensky zijn schilderij maakte (Stedelijk Museum Amsterdam)? Het volkse zat er wel in, maar daar bleef het bij.
Na lang broeden kwam ik erachter dat het De Wandelende jood (Ahasverus) is zoals Chagall – ook een Rus – hem in 1924 schilderde; een schilderij dat ook bekend staat onder de titel Op weg (Petit Palais, Genève, zie afb.). Hij heeft geen bochel (bij beter kijken had het figuurtje van Avery dat trouwens óók niet) maar een knapzak op de rug. Daarin zeulde hij zijn hele hebben en houwen, letterlijk en figuurlijk, met zich mee. En dat is als je het negatief bekijkt niet niks, in dit niet helemaal van antijudaïsme gespeende, oorspronkelijk Duitse volksverhaal (1602). En ook niet als je het positief bekijkt: alle Bijbelse en andere verhalen die een wegwijzer en troost in het leven kunnen vormen.

Dat alles maakte de serie potloodtekeningen en verhalen van Avery over het eiland met de hoofdstad Onomatopoeia zo gelaagd als het maar kan. Het figuurtje heeft ook een naam: Coscienza. Wat weer doet denken aan de titel van een boek van de Italiaanse schrijver Italo Svevo: Bekentenissen van Zeno. De bekentenissen die daarin worden beschreven, doen denken aan de woorden die telkens bij Avery terugkomen.
Avery heeft het bijvoorbeeld over guilt, schuld, en agony, angst. Zoals Svevo de ‘kwaal’ beschrijft waarvan hij nooit meer zal genezen: ‘De angst voor de ouderdom en vooral de angst voor de dood’ (uitg. Trouw/Muntinga, 2005, p. 184).

Zeno zou zo maar de hoofdpersoon van het verhaal van Avery, of Avery’s alter ego of avatar kunnen zijn die zijn angst met ons deelt. Het is allemaal herkenbaar. De last die alle figuren torsen zit op één of andere manier in het rugzakje dat ze meezeul(d)en en waaronder ze dreig(d)en te bezwijken. Maar tegelijk jaagden ze allemaal geluk na door alles uit het leven te willen halen wat eruit te halen valt. Bij Avery gebeurt dat letterlijk door jagers, in tweedjasjes met malle hoedjes op. Je bent Engelsman of niet.

En het gebeurt figuurlijk als een jacht op de noumenon (het Ding an Sich). Je mag erop hopen, zoals Avery zijn eiland inzet als een utopia. En leven uit de verhalen die je óók in je knapzak vindt.

Met toestemming herplaats ik hier een column die ik oorspronkelijk schreef voor het tijdschrift Wervelingen (2009/3): http://www.scoliose.nl/publicaties/wervelingen/
N.a.v. de presentatie van The Islanders van Avery in het GEM te Den Haag (14 februari t/m 6 juni 2015):
http://www.gem-online.nl/tentoonstellingen/charles-avery

Shakespeare en zijn monsters

ShakespeareShakespeare kon er wat van – zijn toneelstukken bevolken met mensen met een lichamelijk gebrek. Neem Caliban in The Tempest en Richard III in het gelijknamige toneelstuk. Het heet dat Shakespeare beiden zo ten tonele voerde om het kwade te benadrukken. Dat is volgens mij maar de halve waarheid. En weer helemaal actueel, nu er zoveel onderzoek wordt gedaan naar Richard III. Door historici, een tijdschrift als The Lancet
enz.

 

Caliban
Caliban, de ‘slak’ en slaaf, is de zoon van een heks – zoals in Jan van Akens roman De valse dageraad de dienster, ‘het bocheltje Teckla’, de dochter van een heks is. Caliban is de tegenspeler van de voorname, vergeestelijkte Prospero. In een tv-film van Jack Bender (1998) werden beiden als respectievelijk een plantage-eigenaar (Gatorman) en een ongeciviliseerde wilde opgevoerd. Caliban is niet alleen opgevoerd als symbool voor een primitieve wereld, maar zelfs, in een regie van Reinhold Knick (Berlin, 1936) als voorbode van de duistere wereld die aan het doorbreken was. Wellicht omdat Caliban aanzet tot moord, doodslag en boekverbranding (derde bedrijf, tweede toneel).
Maar Caliban is óók de meest muzikale figuur uit Shakespeares toneelstukken, vol van wel duizend ‘tinkelende instrumenten’ die ‘ruisen, soms rondom mijn oor’ (vertaling Gerrit Komrij). Dit kan zowel in het verlengde van Calibans slechtheid worden gezien (geen muzikaler mens dan de nazi, zoals George Steiner in diverse essays heeft aangetoond), maar evenzeer als uiting van een iconologische traditie rond de school van Jeroen Bosch.

Richard III
Richard III had – zoals Kester Freriks in een recensie naar aanleiding van de voorstelling van dit stuk door ZT Hollandia in NRC Handelsblad schreef –, ‘in werkelijkheid geen bochel, horrelvoet of verdorde arm. Die duivelse kenmerken heeft Shakespeare hem gegeven om van deze historische titelheld de incarnatie van het kwaad te maken, een monster, een kille moordenaar van verwanten en trawanten.’
Ook Freriks bespreekt enkele saillante opvoeringen van Richard III: die uit 1983 met Gijs de Lange ‘als een decadente, gevallen engel’ en die van elf jaar later door Pierre Bokma, één van onze grootste Shakespeare-vertolkers ‘als listige verleider en virtuoos redenaar.’ Maar dan komt wat mij betreft de aap uit de mouw: het is de bedoeling van Shakespeare dat ‘de toeschouwer van hem gaat houden.’

Monsters?
Zoals elke auteur wil dat zijn publiek zich gaandeweg een toneelstuk, een roman of een goede detective, gaat inleven in (ook) zijn slechte personages. Het is zoals de fotograaf Leo Regan in een interview met Angela van der Elst in de VPRO Gids van juni 2004 zei: ‘Het is makkelijk om te denken: zij [Caliban, Richard III, vS] zijn monsters, en ik niet, maar hun onprettige kanten zitten op een bepaalde manier ook in mij, alleen in andere gradaties.’
Het is mijns inziens de bedoeling dat Shakespeare, door het ten tonele voeren van slechte, met metaforische handicaps behepte personages als Caliban en Richard III in de eerste plaats wil inspelen op het inlevingsvermogen van zijn toeschouwers. In de tweede plaats wil hij op z’n minst aan het beeld van het puur kwaadaardige van deze figuren wrikken (‘houden van’, zoals Freriks schrijft, gaat mij te ver). Want wie mankeert nu echt helemaal niets en wie valt nu door en door goed te noemen?

Eerder in een wat uitgebreidere vorm verschenen in: Wervelingen, herfst 2004 en hier met toestemming herplaatst.