De reis van Dobedo – Peter Verhelst

De reis van Dobedo en van de arend met hoogtevrees / een concept van dr. Griet Dupont ; door Peter Verhelst ; met werken van Gerhard Richter en Olafur Eliasson. -Tielt : Lannoo, [2017]. – 53 pagina’s : gekleurde
illustraties ; 33 cm ISBN 978-94-01-44691-4

Verhaal over de spannende levensreis van het jongetje Dobedo (ik-figuur) door een bos, waarin tal van thema’s uit oude mythen en sagen zijn verwerkt. Het verhaal gaat over moed en vertrouwen, dromen, de toekomst, (faal)angst, aanpassen, dood en gemis, vriendschap en liefde. Griet Dupont is kinderpsychiater, Peter Verhelst een bekend auteur die meerdere prijzen won waaronder een Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs. Het doel van dit boek is de verbeelding van kinderen aan te spreken en ze op weg te helpen in hun mentale groei. Prachtig uitgevoerd met paginagrote kleurenafbeeldingen van kunstwerken van niemand minder dan de bekende hedendaagse kunstenaars Gerhard Richter en Olafur Eliasson. Hoewel de illustraties binnen het verhaal geen echte functie lijken te hebben, zullen ze bij kinderen die daarvoor gevoelig zijn, beklijven en kan het een (eerste) kennismaking zijn met moderne kunst. Het toegankelijke verhaal met veel dialogen is verdeeld over vier
hoofdstukken en daarbinnen in meerdere paragrafen. Alle titelkopjes zijn oranje gekleurd. De tekst staat in vrij grote letters. Achterin zijn per hoofdstuk meerdere vragen opgenomen, evenals overwegingen rond de thema’s die aan bod komen. Om voor te lezen aan en over te praten met kinderen van ca. 6 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De tijd op zijn best – Robert Heppener

robert-heppenered-spanjaard

 

 

 

 

 

 

Het gaat er niet om de beste van de tijd te zijn, maar de tijd op zijn best. Aldus de Duitse filosoof Hegel. Franz Rosenzweig zei het hem ruim een eeuw later veelvuldig na: het is de bedoeling de tijd waarin je leeft optimaal tot uitdrukking te brengen. En te boven te komen, de tijd vooruit te zijn.
Rosenzweig heeft geweten wat dit betekende: door die houding aan te nemen vielen alle deuren voor een loopbaan in de universitaire wereld voor zijn neus dicht. Pas gaandeweg werd het belang van zijn denken, uiting gevend aan de tijd op zijn best en visionair tegelijk, ingezien.

Iets soortgelijks overkwam Robert Heppener (1925-2009, foto links), wiens muziek heel lang niet de (h)erkenning heeft gekregen die haar toekomt. Op 7 oktober a.s. klinkt in de serie AVROTROS Vrijdagconcert in het Utrechtse TivoliVredenburg Heppeners Del iubilo del core che esce in voce in een uitvoering door het Groot Omroepkoor o.l.v. Ed Spanjaard (foto rechts). Ter gelegenheid hiervan herplaats ik hier gedeelten van een artikel dat ik over de Heppener schreef in Mens en melodie (nr. 6/6 2003).

Zelf heeft de componist wel eens het idee gehad niet thuis te horen in de tijd waarin hij leefde, zoals hij in een interview met Paul Janssen in het Parool van 6 juni 1988 zei. Maar dat gevoel is voorbij gegaan: ‘de zijlijn is vanzelf middenveld geworden.’ In die zin voelde Robert Heppener zich verwant aan de tijdloosheid die de muziek van Olivier Messiaen ademt. En ook de vogelgeluiden, en zelfs een heuse ‘vogelcadens’ in Voir Clair voor orkest doen aan Messiaen denken.

Robert Heppener heeft de combinatie van Socratische vervreemding, het zich niet helemaal thuis voelen in de tijd waarin je leeft en het zich distantiëren van wat lang bon ton was (het serialisme), en Platoonse, visionaire hoop die tot het wezen der dingen doordringt, van niemand vreemd. Het kan namelijk ook kenmerkend worden genoemd voor het latere werk van Bertus van Lier, die van 1951 tot 1955 Heppeners mentor was. Een Socratisch leraar die tegen zijn leerling zei: ‘Als je begint aan een compositie, is onderbewust dat stuk al klaar. Dat moet je naar voren halen.’

In de geest van Van Lier is een vroege compositie van Heppener geschreven: Cantico delle creature di S. Francesco d’Assisi voor hoge stem, harp en strijkorkest (1952-1955). De sopraanpartij is in één, vrijwel ononderbroken beweging gedacht, als een vogel die zweeft in de lucht en slechts een enkele keer de vleugels beweegt. Het werk is duidelijk vanuit de tekst geschreven, waarbij de instrumenten de woorden onderstrepen.
Ook in het overwegend lyrische Voir Clair wordt de schepping bezongen door middel van gedichten van de surrealistische dichter Paul Eluard.

Opvallend is dat Eglogues voor orkest (1963) tegenover Cantico en Voir Clair staat, of liever: complementair daaraan is, omdat het de gewelddadige kanten van de schepping onderstreept. Het motto van deze in 1980 gereviseerde compositie is ontleend aan de Franse dichter Saint-John Perse (pseudoniem van Alexis Léger) en roept, aldus de componist, ‘een beeld op van de tijd waarin we leven door middel van metaforen, ontleend aan de natuur, en wel aan die van het hooggebergte, met alle grootsheid, onzekerheid en fataliteit.’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Robert Heppener de wereld van de novelle Eine Seele aus Holz van de Oostenrijkse schrijver Jacov Lind in zijn libretto voor de opera Een ziel van hout (1996) heeft omgebogen: de menselijke wereld van het grote moorden en de relatief paradijselijke wereld van de dieren in het bos staan tegenover elkaar, hoewel Lind zelf beide als één wereld beschreef.

Ook in het koorwerk dat in Utrecht wordt uitgevoerd is ook een complementair stuk: ingetogenheid gaat in deze uit 1974 daterende compositie op tekst van Jacopone da Todi over in extatische jubel. Hierin is Heppener naar de geest verwant met de muziek van Françis Poulenc, die in zijn werk soms na een grote climax tot eenzelfde, plotselinge verstilling kan komen als Heppener in het slot van dit stuk.

Del iubilo del core che esce in voce gaat vanwege de notatie en voorgeschreven zangtechnieken door als één van de meest ‘moderne’ stukken van de componist. Zelf sprak hij van een ‘nogal exuberante muzikale taal.’ Dat is, voor wie bijvoorbeeld Spinsel voor piano (1986) kent, schijn. Het enige verschil is wellicht dat Heppeners ‘moderne’ kant in eerste instantie duidelijk uit de gebruikte tekst voortkomt en, na een ziekteperiode gedurende de jaren 1979-1984, organisch vanuit zijn manier van schrijven voor instrumenten voortvloeit. Ten diepste is er geen verschil.
Het stuk straalt een helder licht uit als van een kaars op een donker schilderij uit de Gouden Eeuw. Er zijn altijd kunstenaars die een donkere tijd te boven komen. Robert Heppener was er één van.

Minimalistische Hamlet

Hamlet_Espen HjortEr is een heleboel lef voor nodig om als afstudeerproject Hamlet van Shakespeare te kiezen. Of, laten we eerlijk zijn: een voorstelling naar Hamlet in een vertaling van Johan Boonen op de planken te zetten. Want dat was wat regisseur Espen Hjort (26) eigenlijk deed. En laat ik het meteen maar zeggen: het was een voorstelling om alle bewondering voor te hebben.

Met slechts vier spelers, violiste Yoonhee Lee en percussionist Tristan Renfrow die binnen dit kader soms wat bevreemdende muziek speelden van Sén ó Dálaigh, student sonologie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Eén speler speelde Hamlet, een tweede (enkelvoud) zijn twee vrienden, – wat soms subtiel, maar eigenlijk wat overbodig werd aangeduid: ‘Guildenstern (en Rosenkrantz)’ -, een derde wisselde soms van een jas met bontje en speelde zo niet alleen Hamlets oom, de nieuwe koning maar alle andere mannelijke personages, en een vierde speler nam alle vrouwenrollen op zich, variërend van Hamlets moeder tot zijn vriendin Ophelia.

Op die manier ontstond een uitgebeende voorstelling, ingekort tot 75 minuten, met sterk minimalistische trekken. Dit laatste werd versterkt door de stelselmatige, ritmische herhaling van gedeeltes van de tekst. Telkens met een kleine verschuiving, qua accent, of een zinnetje erbij. Ritmisch was ook de inzet van een rookmachine, die de spelers – en op het laatst ook het publiek – omhulde met rook en waarin je de geest van Hamlets vader vermoedde.
Wat een beetje uit de toon viel, was het verhaal van Orphea’s dood dat kort werd verteld.

De centrale vraag (het onuitgesproken To be or not to be) was de angst voor verlies en dood. Soms met een accentverschuiving: de rits organen die worden opgenoemd als plaats waar ontferming een plaats heeft (een overigens Bijbelse notie, die Shakespeare niet vreemd is) werd verbreed tot ‘onderbuik’. En welke associaties we daar inmiddels bij hebben, hoeft hier niet te worden vermeld.

Een diepere laag vormde het decor waarin alles ten tonele werd gevoerd. In eerste instantie leken de planken de latten van een doodskist te vormen, maar aan het eind van het stuk richtten zij zich allemaal op en vormden samen de bomen van een bos, waarin de acteurs op zoek gaan naar datgene wat hen ten diepste beweegt en richting geeft aan hun bestaan.

Yehudit_Sasportas_foto_Robert_Glas[1]Opeens zag ik de indrukwekkende video van Yehudit Sasportas (zie foto links) op de tentoonstelling Once in a Lifetime in de Amsterdamse Oude Kerk voor me, op een steenworp afstand van Frascati waar ik deze voorstelling zag. Ik schreef er al eerder over (https://elsvanswol.nl/?p=2274). Ook dit video kunstwerk gaat over leven en dood, angst en verlies.

Espen Hjort is wat mij betreft glansrijk geslaagd met zijn afstudeerproject. En met hem zijn medestudenten Janneke Gorthuis (productie), Thomas Lloyd (techniek) en Hannah Krauss (scenografie). En de vier acteurs niet te na gesproken: Bram van der Kelen, Lowie van Oers, Danielle van de Ven en Rik Witteveen. Dergelijk talent is een belofte voor de toekomst!