Voor waar houden

Ook het tweede hoorcollege van de module Jodendom van de Universiteit van Amsterdam, die ik via ZOOM (en de Illustere School) volg, geeft aanleiding tot overdenking en een blog. Ik kreeg zomaar ‘een beurt’, en toen dorst ik even later ook wel een vraag te stellen … Over de rol van de Bijbel in de Talmoed, want daar had ik in dit college, over onder meer die Talmoed, nog niets over gehoord. De docent, dr. Bart Wallet, antwoordde dat Talmoedisten niet de Bijbel bestuderen, maar de Talmoed. ‘De Bijbel’, zei hij, ‘is gewoon deel van de discussie’. Dat mag zo zijn, toch was ik niet helemaal overtuigd. Het antwoord kwam deels uit onverwachte, indirecte hoek: in een artikel van Udo Doedens over Pieter Bruegel de Oude (in: In de Waagschaal, 19 september 2020).

Eerst nog even terug naar het college en wat Wallet, in aanvulling op het studieboek Introducing Judaism van Eliezer Segal zei: de twee stromingen binnen het Talmoedische denken, de Palestijnse en de Babylonische, ontwikkelden zich als in een soort dialectiek: Talmoed Jerushalmi en Talmoed Bavli. In de dialectische manier van denken valt later de invloed te bespeuren van de islam, aldus Wallet. Rabbijn a zegt dit, rabbijn b meent iets anders. So far so good.

Doedens schrijft over het schilderij De strijd tussen Vasten en Vastenavond (1559) van Bruegel (zie afb.), dat de tegenstellingen die hierop worden getoond, de veelvraten aan de ene kant en de mageren aan de andere kant, ‘samen de inwendige en uitwendige strijd van de mensheid verbeelden’, maar: ‘Er moet nog een derde element bijkomen om orde op zaken te stellen’ (p. 19). Dat derde element is volgens hem de wijsheid ‘die in Christus op aarde was gekomen’ (p. 20).

Maar waar putte Christus die wijsheid uit? Op het midden van het schilderij staat immers een put. Juist, uit Tenach, de joodse Bijbel.
Ik blader wat terug in de aantekeningen die ik maakte tijdens het laatste jaar (2017-2018) dat ik met een groepje onder leiding van een joodse leermeester gedeelten uit de Talmoed bestudeerde. Ik stuit op deze aantekening: ‘Een enkele keer lukt het niet om een tegenstelling op te heffen (teku = moet blijven staan)’. En ik vul aan: tot de Messias komt. Tot zo lang is het derde element de Bijbel om uit te putten. Niet vanuit de idee these – antithese – synthese, niet als ‘gewoon’ een onderdeel van de discussie, maar als de grond eronder die als een palimpsest schemert door de discussies tussen rabbijn a en rabbijn b. Daar waar God aanwezig is, lees ik in mijn aantekeningen. Zó wil ik het voor waar houden.

De balans vinden

Het is altijd leuk als je colleges volgt en je de geleerde stof meteen kunt toepassen.
Op dit moment schuif ik (via ZOOM) aan bij een module over jodendom van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Dat wil zeggen bij de hoorcolleges daarvan door dr. Bart Wallet; de interactieve werkcolleges door prof. dr. Jan Willem van Henten en prof. dr. Irene Zwiep laat ik – los van het feit of dit de bedoeling is of niet – aan mij voorbijgaan. De schriftelijke proeven van bekwaamheid en wat dies meer zij hoef en mag ik in ieder geval niet maken. Wat niet wegneemt, dat ik de verplichte leesstof, in casu het goede, maar ook wat  te gedetailleerde boek van Eliezer Segal (Introducing Judaism, uitg. Routledge, 2009) intensief bestudeer. By the way gekocht bij Athenaeum op het Amsterdamse Spui, dat nu helaas in zulk zwaar weer verkeert.

Terug naar de module van de UvA, met name het eerste college op 8 augustus jl.. Wallet had het over de geschiedenis van het jodendom, dat in een dialectische verhouding staat tot de joodse identiteit. Over het vinden van een balans tussen de heftige geschiedenis door de eeuwen heen, het denken vanuit de Sjoah, het finalistische denken dat begint en eindigt met de Tweede Wereldoorlog en het teleologische denken vanuit de staat Israël. In beide gevallen sluit je, aldus Wallet, de rijkdom van de joodse geschiedenis op een of andere manier uit.

Een soortgelijk concept meende ik tegen te komen in twee bundelingen van columns die Roel Abraham schreef voor onder andere de Joodse Omroep, het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Volzin: Wederwaardigheden en Wederwaardigheden 2. Ik kreeg ze ter recensie toegestuurd en wist er op het eerste gezicht niet zo goed raad mee. Deel 1 (2006-2015) was vooral humoristisch van toon, een enkele keer zelfs wat over de top. Het tweede deel, tot en met onze coronatijd, bevat serieuze(re) stukken, over zaken als de aanslagen in Parijs en Antwerpen bijvoorbeeld. Je zou ze dus eigenlijk – de redenatie van Wallet volgend – in combinatie met elkaar moeten lezen. Dan pas ervaar je zowel de humor als de rijkdom in Abrahams columns.

Terug naar Wallet. Hij had het op een gegeven moment over verschillende definities die mogelijk zijn voor het begrip ‘jood’. Bij zijn definitie beriep hij zich op een model van de filosoof Wittgenstein: Familienähnlichkeit; joodse gemeenschappen (meervoud), die overeenkomsten en verschillen hebben. Er bestaat een taalveld, een discursieve gemeenschap. Dat komt de onderlinge dialoog ten goede.
Abraham schrijft daar mooi over: ‘We staan ondanks al onze verschillende opvattingen, verschillende manieren van religieuze beleving, verschillende kijk op de halacha, schouder aan schouder. Dat moeten we nooit vergeten. Hou vertrouwen en blijf de verbinding zoeken’ (deel 2, p. 55).

Bij Abraham vind ik ook een mooi voorbeeld van de spanning tussen autoriteit (de rabbijnse traditie) en zelfidentificatie, zoals Wallet het noemt. Het gaat over Pesach (deel 2, p. 71 e.v.). ‘Elk jaar is het (…) opnieuw pesach, we doorlopen met elkaar al duizenden jaren dezelfde cyclus van Joodse feestdagen en dat doen we al bijna net zolang op dezelfde manier (…). Mooier is het – mijns inziens – als je elke keer opnieuw naar jezelf in combinatie met de Joodse feestdag van dat moment kijkt (…). Wat zegt pesach jou, op dit moment in je leven, dit jaar? (…) We hebben allemaal ons eigen verhaal.’
Op die manier, zegt Wallet, contextualiseer je telkens het begrip ‘jodendom’. En dat is in wezen flexibel. En toen viel de internetverbinding weg, want Wallets kinderen waren beneden bezig met een spelletje, maar de boodschap was al wel duidelijk geworden.
Met die recensies, of liever: aanschafinformaties voor NBD Biblion,  is het ook goed gekomen. Die valt over enige tijd op deze blog te lezen.

Dat kennen we …

Een van mijn bibliotheekstages deed ik jaren en jaren geleden bij een faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Een van de hoogleraren die – hoe opmerkelijk! – af en toe een praatje met mij maakte, was een hoogleraar ethiek. Van de bibliothecaris had ik al eens gehoord, dat hij vond dat de Verkeerswet in de collectie moest worden opgenomen, want dat was óók ethiek: geen voorrang nemen maar voorrang verlenen.1) Sindsdien bedank ik elke weggebruiker die mij voorlang verleent met een opgestoken hand. Een klein kind op een fietsje deed het me onlangs exact na. Een komisch gezicht.

Een soortgelijke situatie doet zich nu tijdens de coronacrisis voor. En hoe anders wordt daar door iedereen op gereageerd. Ik bedoel met name hoe concertzalen, schouwburgen en bioscopen met de restitutie van al gekochte entreekaartjes omgaan. Dat verschilt enorm. De meeste houden zich aan het op 9 april jl. gepresenteerde ‘Bewaar je ticket, geniet later’, waarin ook is opgenomen dat als je op een verschoven datum niet kunt, er twee opties zijn: of je doneert je geld of je krijgt het terug.

Niet iedereen haakt aan bij dit initiatief. Van een bioscoop en een museum in Londen kreeg ik zonder meer mijn geld teruggestort. Was geen twijfel over mogelijk, en de Nationale Opera en Ballet kwam met zelfs vijf opties: doneren van het volledige bedrag, of een deel ervan, het geld laten omzetten in een tegoedbon (voucher), het laten verrekenen met een abonnement voor komend seizoen of het laten restitueren.

Maar de mail waarmee onlangs een kleine zaal kwam, schoot mij in het verkeerde keelgat. Waarom? Omdat het me deed denken aan die voorrangsregels: je krijgt voorrang, je neemt het niet. Maar ik krijg helemaal niets, ze lijken alles te gaan nemen. Lees maar:

‘We moeten er definitief van uitgaan dat alle in dit seizoen geplande voorstellingen naar het nieuwe seizoen verplaatst worden. Per voorstelling krijgt iedereen die kaartjes gekocht had bericht met daarin de nieuwe datum. In principe zullen alle voorstellingen in het seizoen 2020/2021 alsnog gespeeld worden en daarom worden de betalingen niet gerestitueerd. In het nieuwe seizoen hopen we vooralsnog eind augustus weer gewoon open te kunnen gaan, wellicht met wat veiligheidsvoorzieningen maar wel met hetzelfde aantal stoelen.’

Zo die zit. Ik snap de moeilijke positie van alle theaters, ook – en misschien vooral – van kleintjes, met hun minimale personeelsbezetting. Immers: elders in het land is er al een omgevallen. Maar dit, nee dat kan echt niet.

Ik ben benieuwd naar wat [vet van mij] die veiligheidsvoorzieningen zullen behelzen. Enkele strepen op de vloer om een route door de smalle, monumentale gang aan te geven? Stoplichten in die gang? Een plastic spatscherm bij de koffiecounter/kassa? Geen cash aannemen, wat eigenlijk al overal is geaccepteerd? Maar opgepakt zitten in een kleine zaal met ruim honderd stoelen, zonder ruimte ertussen, is voor iemand die tot de kwetsbare bevolkingsgroepen behoort verre van een fijn en veilig vooruitzicht. Los van het feit of het maar de vraag is of hiermee geen regels van de regering en de RIVM overtreden gaan worden en of ik op die nieuwe datum kan, ziet het ernaar uit dat ik mijn geld linksom of rechtsom kwijt ben. Want zo voelt het; niet als een minimale donatie die ik vooral de optredende kunstenaars overigens graag had gegund, maar als iets wat niet zo netjes is: graaien in mijn portemonnee zonder daar toestemming voor te vragen. Het gebaar daarvoor kennen we inmiddels maar al te goed.

Misschien – laat ik me tenslotte nog van een mildere kant zien – moeten we dit mailtje lezen vanuit een woede van de directie van het zaaltje richting WVC; een minister die in het televisieprogramma M zit te glunderen en te popelen tot ze het woord mag nemen om, eh, een al even minimale toezegging te kunnen uitspreken, maar eigenlijk de kaalslag die onder Halbe Zijlstra is ingezet afmaakt als je eerlijk bent. Geld dat misschien niet eens bij zo’n ongesubsidieerd zaaltje als dit terecht komt. Misschien wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. Laten we ’t hopen. Misschien ….

1) Ik moet bij de recente discussie onder ethici, over wie op de intensive care (ic) voorrang krijgt, hieraan denken. Er is een protocol gemaakt [aanvulling op deze blog, dd. 19-6-2020) waarin jongeren voor gaan op mensen die al een lang stuk van hun leven achter de rug hebben. Ook hier heb ik weinig zin om bij de ingang van de ic tegen gehouden te worden en heb dat inmiddels al geruime tijd zelf geregeld: wanneer het zover is, hoeft dit traject voor mij niet te worden ingezet.

 

Afbeelding bij deze blog van een mogelijke opstelling van het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) in  grote bezetting (ontleend aan een mail van het KCO, 29 april 2020).Op de parterre, in de vlakke zaal van het Concertgebouw, met het publiek twee aan twee op de balkons en het podium, met telkens anderhalve meter ertussen. De vraag is dan hoe ze alleengaanden naar een concert gaan plaatsen … Carré – die ook gaat samenwerken met de Kleine Comedie en Theater Bellevue – heeft daar overigens al wel over nagedacht, en komt met wat de directeur noemt ‘solo seats’. Zo blijft er altijd wel wat te wensen over … Sterkte, zalen, met het proactief nadenken!

 

Vladimir Jankélévich: ‘Een curiosum’

De Pools-Vlaamse filosofe Alicja Gescinska heeft wat met het werk van de filosoof Vladimir Jankélévitch (1903-1985). Zijn naam duikt vaak bij haar op, het laatst in een column in het aprilnummer van Filosofie Magazine. Hij was, schrijft ze daar, ‘een curiosum in het intellectuele landschap van naoorlogs Frankrijk. De muziek- en moraalfilosoof was een einzelgänger. Bij de existentialisten zocht hij geen aansluiting, evenmin bij de conservatieve personalisten. Met de postmodernisten had hij weinig tot niets gemeen. Hij had geen school, geen volgelingen. En hij schreef en dacht in een unieke, onnavolgbare stijl die misschien het best als poëtisch filosoferen omschreven kan worden.’

Een mooie karakteristiek van de filosoof wiens werk ik ook volg, vanaf het moment dat ik in 1992 zijn biografie over Ravel kocht (1959) en jaren later het boek Het onzegbare en het onuitsprekelijke van Ronald Commers kocht. Dat was inmiddels in 2005. Via een avond over ‘Filosofie en kunst: over stilte in de muziek & het denken in het theater’ van Felix & Sofie in Felix Meritis, vijf jaar later. Tot nu, wanneer ik zijn naam weer regelmatig tegenkom in columns, essays en boeken van Gescinska.

Jaël Kraut
Tijd om mijn aantekeningen van die avond in Felix Meritis erbij te pakken en hier als blog te brengen. Omdat Jankélévich meer aandacht verdient en nu dank zij Gecinska gelukkig ook weer krijgt.
De avond werd geopend met een lezing door de filosofe Jaël Kraut (nu werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam), die aan een proefschrift werkte onder de titel From Silence to Muteness (2010). Daarin onderzocht ze diverse perspectieven op stilte in relatie tot muziek. Haar lezing ging daarover.

Ze begon met te zeggen dat haar ideeën met betrekking tot het belang van stilte zijn gebaseerd op die van Jankélévich. Hij onttrekt zich aan wat Levinas het onethische van muziek noemt. Ethisch is de confrontatie met de a/Ander. Met kunst kun je volgens Levinas geen dialoog hebben, want het representeert. Hierin is hij een iconoclast.
Als voorbeeld hoe je er anders tegenaan kunt kijken, noemt ze de opera Pelléas et Mélisande van Claude Debussy, waar Jankélévich op ingaat. Debussy neemt breuken in zijn muziek op. Alles valt in de opera naar beneden, zoals op een gegeven moment een ring. Dan valt de stilte, wat zij assassination noemt, dat wil zeggen het geweld van wegstervend geluid.
Een andere filosoof, Adorno, pleit voor onesthetische muziek, muziek die moet schuren. Dus niet de stilte van bijvoorbeeld 4’33” van John Cage, want Cage is anti-muziek volgens haar.

Er is ook muziek die ons niets meer zegt, die zin ontbeert. Dit noemt Kraut verstomming (muteness). Als voorbeeld noemt ze Metastasis voor 61 instrumenten van de componist Xenakis. Dit is volgens haar een objectivistische constructie, dat werd gespeeld bij de opening van het Philipspaviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel.

Fenomenologie
In 2007, nog enkele jaren voor ze haar proefschrift voltooide, schreef Jaël Kraut een essay in het tijdschrift Phenomenology (2007, p. 425-441). Hierin werkt ze haar ideeën over subjectivisme en objectivisme in de muziek verder uit. De aleatorische muziek van een Xenakis leidt volgens haar tot de eliminatie van muziek zelf. Adorno stelt een uitweg uit deze lege muziek voor en pleit voor een herstel van de subjectieve elementen, maar aangezien zijn idee van subjectiviteit dubbelzinnig is (soms is het universeel, soms beschouwt hij het vanuit een objectief standpunt, dat wil zeggen, als psychologisch, willekeurig en in tegenstelling tot objecten), faalt zijn argumentatie. In tegenstelling tot de objectivistische notie van subjectiviteit, stelt Kraut in haar artikel een fenomenologische lezing voor van de antinomieën (tegenspraken die geen paradoxen zijn) waarmee hedendaagse muziek wordt geconfronteerd, door Adorno’s willekeurige subject te vervangen door het universele a priori van transcendentale subjectiviteit.

Daarmee had ze haar lezing in Felix Meritis ook besloten, maar toen kon ik het nog niet helemaal duiden. Inmiddels weet ik, dat je met die transcendentale subjectiviteit (Husserl) ook uitkomt bij de trouwring die Mélisande in Debussy’s opera in het water laat vallen: zij valt en reikt tegelijkertijd naar boven; Mélisande staat voor de ziel. Over een antinomie gesproken.

Zin en samenhang (II)

De lege kant van sommige vitrineplanken op de door Bert Sliggers samengestelde tentoonstelling Foute boeken? in het Huis van het boek in Den Haag (nog t/m maart 2020 te zien), komen dreigend over (zie foto links). ‘Er kan nog meer naars bij’, lijken ze uit te willen drukken.
De lege kanten van de boekenplankjes van het kunstwerk ‘Progress at Last. My Personal Bookcase’ van Ruth Schreiber (zie foto rechts), op de door Bilha Zussmann en Janet Heit samengestelde tentoonstelling Spinoza in Beeld Vertaald (nog tot zondag 8 december) in de Amsterdamse Oranjekerk, komen daarentegen verwachtingsvol over: ‘Er kan nog meer moois bij!’

Schreiber gaat ervan uit, dat vrouwen in zowel de kunstgeschiedenis als het jodendom per definitie ofwel werden buitengesloten ofwel drastisch in hun leven werden beperkt. ‘Als een soort Spinoza’, zegt ze. Dit is aan het veranderen doordat vrouwelijke wetenschappers binnen de Joodse studies steeds meer opgang maken, worden geaccepteerd en gangbare meningen aanvullen of op hun kop zetten.
Schreiber bouwde een miniatuur boekenkast met vijf boekenplankjes. Ze worden gevuld met twee tot tien boeken, lopend van 0-500 voor de gewone jaartelling, via de vierde plank die de tijd van Spinoza omvat en waarin het aantal al meer dan verdubbeld is, tot nu toe.

In het kader van de tentoonstelling in Den Haag hield Rietje van Vliet op 25 november jl. Een Studium Generalelezing over ‘Foute boeken?’. Hierin noemde zij Spinoza, wiens werk overigens op de tentoonstelling zelf niet aanwezig is. Immers: diens Ethica werd tijdens zijn leven door sommigen als een fout boek beschouwd. En helaas soms nog wel, als we bijvoorbeeld de boeken en artikelen van Victor Kal lezen. ‘Wie?’ vroeg Steven Nadler tijdens een cursus over de Ethica aan de Universiteit van Amsterdam (2018) toen enkele studenten zeiden bij hem colleges over Spinoza te hebben gevolgd. Al moet je daarbij misschien bedenken, dat Kal de omgekeerde weg als Spinoza bewandelde en daardoor misschien roomser is dan de paus.[i]

Op de terugreis uit Den Haag las ik in de trein Ilja Leonard Pfeijffers roman Grand Hotel Europa uit. Hij heeft het erover, dat hij hoopt dat, wanneer het boek van de ik-persoon af is, ‘het inzicht mij vanzelf zou toevallen’.
Zoiets hoopte ik ook, na de laatste zaal in het Huis van het boek in Den Haag, waarin talloze meningen op de muren zijn geprikt. Een recensent, Wilma de Rek, had (in: de Volkskrant, 18 oktober jl.) gehoopt dat die wanden helemaal leeg bleven. Dat is niet het geval, maar ik begreep haar aan de ene kant wel, hoewel die uitingen aan de andere kant de dialoog openhouden beter zijn dan boekverbrandingen. ‘Helderheid’, schreef Pfeiffer, ‘zou de leegte helder maken’. Die van de stukjes aan weerszijden van de vitrines en die van de boekenplankjes. Het een als horror vacui, het ander beloftevol. Als de zon die doorbrak en de mist oploste (p. 471, Pfeiffer). Zoals vandaag.

 

[i] En ook, dat Rico Sneller bijvoorbeeld in zijn boek Hoe het vlees weer Woord werd (Uitg. Meinema, 2002) zijn waardering uit over Kals boek Levinas en Rosenzweig (Uitg. Meinema, 1999).

Spinoza en Steven Nadler (III)


Morgenavond voor 22.00 uur dienen de studenten van de Universiteit van Amsterdam die de cursus volgden over de Ethica van Spinoza door Steven Nadler, een paper (900 woorden) bij hem in te dienen. Ze kunnen daarbij kiezen uit enkele vragen en dienen zelf te kunnen reflecteren over zaken als: was Spinoza een goed gelovige, een atheïst, een pan(en)theïst , een joodse jongen of doet die vraag er helemaal niet toe?
Ik heb genoten van de zes collegeavonden, van de inzichten die Nadler op een heldere manier over het voetlicht wist te brengen en van de soms pittige discussies met de circa vijfendertig studenten en circa vijf aanschuivers via de Illustere School. Jammer was dat op het eind wat interessante onderwerpen, zoals het begrip
multitudo, erdoor werden gejaagd.
Op bovengenoemde vraag alleen al werden vele, meest goed beargumenteerde antwoorden gegeven. Waaruit overigens maar weer eens bleek hoeveel verschillende visies er mogelijk zijn.
Zoals ook bij de vorige opdracht (zie blog
Spinoza en Nadler I), waag ik me aan deze slotopdracht.

Vroom
Nadler zelf gaf een voorzet. Romantische dichters, betoogde hij, zagen in Spinoza de meest vrome filosoof ooit, omdat hij God overal zag. In ieder geval was hij geen traditionele Deïst en was zijn God niet de God van Abraham, Isaak en Jacob.
Spinoza als pantheïst zien, is een anachronisme aldus Nadler; de term bestond in zijn tijd nog niet. Hooguit kun je hem als een panentheïst beschouwen, zie stelling 15 uit deel een van de Ethica:

Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch denkbaar.

Pantheïst of atheïst
De pantheïsten zeggen hetzelfde als de atheïsten: al wat er is, is Natuur. Alleen begeven zij zich daarmee op glad ijs. Immers: bij Spinoza is geen sprake van transcendentie, maar van immanentie. Als er al een verschil is (God=Natuur), dan is het de eerbied voor God waar bij de pantheïsten sprake van is; er is iets gewijds in de Natuur. De atheïsten ontkennen beide. Hoewel, volgens Nadler, niet valt te ontkennen, dat er in de wetenschap ook een gevoel van eerbied voor de Natuur bestaat. Het is het gevoel van: Wow, wat verbazingwekkend is de Natuur! Een gevoel dat aanzet om dieper te graven. Bij de pantheïst bestaat dat gevoel ook, maar dat uit zich in sprakeloosheid.Stoïcijn
Op een vraag van een student of Spinoza niet eerder als stoïcijn kan worden beschouwd, antwoordt Nadler dat hij eerder vanuit Maimonides gelezen dient te worden. In die zin, dat Maimonides ervan uitging, dat als je je verstand gebruikt, je langer en gelukkiger leeft. Als voorbeeld noemt hij iemand die juist als het geweldig stormt besluit op een schip te stappen dat met man en muis vergaat. Dit was hem niet overkomen, als hij even had nagedacht en dit had na gelaten.
In de tijd van Spinoza noemde je iemand een atheïst, als hij niet in jouw God geloofde. Iets dat volgens Nadler vergelijkbaar is met ‘communist’ in het Amerika van McCarthy. Je kunt niet ontkennen dat Spinoza het ware geloof aanhing, wanneer hij stelt

Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden.

Dit staat overigens bekend als de zogenaamde gulden regel, het Thoragebod van de naastenliefde (Lev. 19:18) dat ook in het Nieuwe Testament terugkomt. Dit heeft volgens Nadler echter niets met geloven in God te maken, zonder dat hij het overigens als humanisme bestempelde. Het heeft alles te maken met een gedeelde moraal, het onderwerp van de laatste collegeavond dat niet helemaal uit de verf kwam omdat Nadler te lang bij onderwerpen van de vorige avond bleef hangen.

God is één
Terug naar stelling 15 uit deel een. Nadler vergeleek deze met de visie van de filosoof Pierre Bayle, die onderscheid maakte tussen vrolijke en droevige mensen die nooit tegelijk in God kunnen zijn. Nadler zette daar het idee van éénheid tegenover, waarin binaire en duale ideeën zijn opgeheven en eindigde met de conclusie dat God mee lijdt met de wereld – voorwaar een theologische visie die ik echter niet op het conto van Spinoza durf te schrijven, omdat God volgens hem geen gevoelens heeft. Iets dat later uit het betoog van Nadler wel weer naar voren kwam, toen hij stelde dat God geen enkele morele karaktertrek heeft. ‘Hij is’, aldus Nadler (JHWH, denk ik dan: Ik ben die Ik ben).
Zowel het idee van de éénheid als deze laatste constatering, voerden mij in gedachten naar het Sjema Israël:

שמע ישראל יהוה אלהינו יהוה אחד

(Sjema Israel, Adonai Elo-hénoe, Adonai echád ,
Hoor Israël, de HEER is onze God, de HEER is één (Deut. 6:4)).


MRB
Als je stelt dat het er allemaal niet toe doet, welk etiket je op het denken van Spinoza plakt, dan gaan zulke doorzichten verloren. Daarom pleit ik niet voor een of-of oplossing (Spinoza was atheïst of Spinoza was panentheïst of Spinoza was een joodse jongen of zelfs een humanist), maar voor de visie die heden ten dage wel opgang doet onder de naam multiple religious belonging (MRB). Ik citeer hoogleraar André van der Braak, kenner van MRB: ‘Wat is MRB nu precies? De term valt lastig in het Nederlands te vertalen. Ze probeert te beschrijven dat voor veel mensen tegenwoordig de waarheidsclaims van één religieuze traditie als een keurslijf voelen. Niet alleen keren ze zich af van de kerken en de religieuze instituties, ze willen ook niet langer onderworpen zijn aan religieuze autoriteiten die ze voorschrijven waar ze in moeten geloven (…). Eigenlijk passen MRB-ers niet in de bestaande hokjes. We moeten op een nieuwe manier gaan nadenken over religie en het verlangen naar religieuze verbondenheid (…). Het gaat misschien niet meer om de vraag “wat is mijn religieuze identiteit?” De nieuwe vragen zijn veel meer: wat betekent het om je echt thuis te voelen in een religieuze traditie? Moet je dan ergens lid van zijn? Moet je het eens zijn met de geloofsuitspraken van die traditie? Of gaat het erom dat je bepaalde praktijken uit die traditie beoefent? Of dat die traditie je een richtsnoer biedt voor je dagelijkse handelen?’

Bij elke zin zowat moet ik aan Spinoza denken, die het jodendom als een keurslijf ervoer, uit de synagoge werd gezet, niet meer onderworpen aan de parnassiem, niet in een hokje passend, maar wél nadacht over religie en bepaalde opvattingen hiervan in zijn dagelijks handelen incorporeerde (‘Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’).
Het is geen verlegenheidsoplossing, maar een van deze tijd. Een anachronisme? Nee, eentje die naar mijn idee aan het denken en doen van Spinoza méér recht doet dan welke eenzijdig antwoord dan ook. We hebben er een naam aan gegeven, maar het bestond stilzwijgend ook vast in de tijd van Spinoza.

En om in sfeer te blijven, liggen er twee Mededelingen vanwege het Spinozahuis ter lezing op me te wachten.

Steven Nadler en Spinoza (II)

Opvallend genoeg begon Steven Nadler zijn serie colleges over Spinoza’s Ethica aan de Universiteit van Amsterdam, met een uitvoerige bespreking van de cherem (banvloek) die de joodse gemeente over de filosoof uitsprak. Op die manier leek het een statement dat ergens toe moest leiden. De ontknoping is nog niet daar, want het laatste college is pas aanstaande donderdagavond. Toch begint iets ervan me al duidelijk te worden, mede na lezing van het hoofdstuk ‘Verbeelding’ in het boek Ik bid dus ik ben van de theoloog Bert Hoedemaker (uitg. Skandalon, 2018), dat ik onlangs cadeau kreeg.

Cherem
Maar eerst, als context, nog even de achtergronden van de cherem, zoals Nadler die ook weergeeft in zijn boek over Spinoza (uitg. Olympus, 2001).
Nadler geeft een economische interpretatie, uitgaande van het feit dat Baruch zich wilde vrijwaren van de aansprakelijkheid voor de schulden van zijn overleden vader Michael (p. 155). Vervolgens geeft hij een opvatting weer, waarbij de oorzaak van de banvloek ligt in het gegeven dat Spinoza de Bijbel niet op joods-theologische gronden interpreteerde, maar vanuit de filosofie (p. 168). Tenslotte wijst hij op een politiek aspect, door te stellen dat de parnassiem (het bestuurscollege van de joodse gemeente) wilde laten merken dat ze de zaak onder controle hadden (p. 193).
Door de banvloek werd Spinoza ‘afgesneden van deelname aan de riten van de gemeenschap’ (p. 160). Aan het slot van dit hoofdstuk concludeert Nadler, dat Spinoza van dit alles geen spijt had en met vreugde de weg insloeg die voor hem open lag (p. 198). Op een aspect van die weg, de verschillende soorten van kennis die de filosoof onderscheidde, ga ik nu eerst kort in.

Kennissoorten
Spinoza onderscheidt in zijn hoofdwerk, de Ethica, drie soorten kennis:
1. Imaginatio (verbeelding)
2. Ratio (rede)
3. Scientia intuitiva (intuïtie).
Dat wil niet zeggen, dat het bij het steeds een trede hoger gaan op de ladder, je elk vorig niveau meteen verlaat of verliest, maar wél dat je steeds dichterbij de adequate kennis komt.
De verbeelding – volgens sommigen inbeelding – levert beperkte, inadequate kennis op. De rede onderkent wetmatigheden en de intuïtie tenslotte doorschouwt. Het is de bedoeling, de verbeelding uiteindelijk terug te dringen. Vanuit Spinoza’s ervaring in de twee jaar voor en door zijn ban, snap ik, mede door Hoedemakers boek gelezen te hebben, waarom die ban zo belangrijk is geweest. En dus ook waarom Nadler er zoveel nadruk op legde.

Hoedemaker
Hoedemaker stelt, gelijk Spinoza – die hij overigens niet noemt –, dat de verbeelding aan de rede vooraf gaat. Met Spinoza is hij het eens wat betreft het feit dat er geen kennis bestaat zonder verbeelding. Het is geen fase die je achter je kan laten. In tegenstelling tot Spinoza, ziet Hoedemaker in de ratio echter niet iets dat méér ruimte in moet nemen, wel iets om de verbeelding, die hij een belangrijke plaats gunt, in zijn uitwassen mee te temmen.
Onder religieuze verbeelding verstaat Hoedemaker ‘voorstellingen, symbolen, rituelen, praktijken en verhalen (…) [waarin] vaak sprake is van leven voor de geboorte en na de dood’ (p. 26). En waarmee, als het te ver gaat, je moet oppassen, want dan kan het ontaarden in ‘een dichtgetimmerd verbeeldingssysteem – een soort fundamentalistische afwijzing van de wereld, een zich vastklampen aan het eigene’ (p. 38).
En dat is wat Spinoza nu allemaal net níet wil. Gedurende die twee jaar die Nadler aanhoudt, voltrok zich volgens hem een proces waarin Spinoza onder meer een afkeer ontwikkelde voor rituelen, het leven na de dood ontkende en steeds verder afdreef van het joodse geloof.

De cherem bevestigde die breuk én maakte voor Spinoza de weg ook formeel vrij om de weg te nemen die hij wilde volgen. Zoveel is me duidelijk, c.q. in de context van de drie soorten kennis, duidelijker geworden. In die zin kun je de cherem inderdaad als een statement beschouwen, gelijk Nadler deed.

Steven Nadler en Spinoza (I)

Via de Illustere School, die open colleges aan de Universiteit van Amsterdam aanbiedt, volgen een handjevol mensen twee weken lang naast zo’n ruim dertig studenten en – als aparte ‘categorie’ – emeritus hoogleraar Piet Steenbakkers, die de leerstoel Spinozastudies aan de Erasmus Universiteit bekleedde, avondcolleges over de Ethica van Spinoza door niemand minder dan prof. Steven Nadler, auteur van verschillende boeken over deze en andere filosofen, maar ook over Rembrandt en – recent verschenen – rabbijn Menasseh ben Israël.

Na de eerste week kregen de studenten de opdracht om één van de stellingen uit de Ethica te kiezen en er een stukje van driehonderd woorden over te schrijven. Voor vanavond 11.59 uur. Helemaal op eigen kracht, zonder gebruikmaking van secundaire bronnen, zonder omhaal van woorden hoezeer hun opa of oma al van Spinoza hield. Als ik op de intelligente vragen die ze tijdens de colleges stellen af mag gaan, worden dit vast zeer lezenswaardige stukjes!

Wij als – meest – oudere jongeren die aanschoven, hoeven die driehonderd woorden niet op papier te zetten, maar aangezien ik de grijze cellen graag beweeglijk wil houden, heb ik me er ook aan gewaagd. Met dit verschil, dat ik me niet helemaal aan de opdracht heb gehouden, het is tenslotte een blog.
Ik koos voor de derde definitie (mag dat ook?), in de vertaling van Nico van Suchtelen:

Onder ‘substantie’ versta ik datgene, wat op-zich-zelf bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen datgene, waarvan het begrip niet het begrip van iets anders, waaruit het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.

‘Het ligt misschien voor de hand om bij een definitie over de woorden “versta ik” heen te lezen, maar dat zou in dit geval jammer zijn, omdat er iets wezenlijks in wordt verwoord dat, pars pro toto, veel zegt over wat we in de rest van de Ethica tegenkomt – “ontvouwd wordt”, om met Nadler te spreken. De omschrijving betekent niet alleen: lezer, ik neem je bij de hand, volg mij in mijn argumentatie, maar óók: lezer, ik ga net zoals ik in de Talmoed leerde, in gesprek met andere, in dit verband vooral filosofen. Zoals Jezus van Nazareth een soortgelijke Talmoedische omschrijving bezigde in de Bergrede: ‘Maar ik zeg u’.
Spinoza gaat in deze definitie overigens in gesprek met Descartes, die in tegenstelling tot hemzelf twee substanties onderscheidt: God en mens, waar bij Spinoza de mens een mode is van het subject God of Natuur (Deus sive Natura), door Nadler in zijn colleges een paar keer aangevuld met ‘Power’ (potestas, macht, zie de propositie bij stelling 36: ‘Al wat bestaat openbaart Gods macht, welke de oorzaak is van alle dingen’). Waarbij kan worden aangetekend dat macht zowel behoort tot de substantie als tot de expressie ervan, de attributen.
De substantie is eeuwig en oneindig. Dit impliceert dat de Natuur/natuur, Schepper/schepping eeuwig zijn, dat wil zeggen dat de schepping nog niet is voltooid; een joods idee. Immers: de mens kreeg de opdracht (mitswa) de schepping te helpen voltooien. Want al noem je Spinoza atheïst (zoals Nadler als ik het goed begreep volgende week zal betogen, en ook in zijn boek over de Ethica betoogde) of panentheïst, die veren schud je, ban (cherem) of niet, niet zomaar af. Het biedt in ieder geval openingen tot wat Nadler creatief, zelfstandig denken noemt. En dat is wat hij ook van zijn studenten vraagt.’ (300 woorden). 

Stan Verdult wees op zijn blog naar een video van Nadler over Spinoza en Menasseh ben Israël, waarvan ik de link hierbij onder dank doorgeef: https://bdespinoza.blogspot.com/2019/05/beluister-steven-nadlers-lezingen-over.html

 

Zien met je hart

Ik zie, ik zie / wat jij niet hoort’ staat er op mijn canvas schoudertas van het Wilminktheater in Enschede. Het heeft al tot heel wat leuke, spontane ontmoetingen geleid. Een oudere heer zei bijvoorbeeld, mij tegemoet lopend op een brug in Amsterdam: ‘Ik hoor niet of nauwelijks meer, maar zien kan ik als de beste. Leuk hoor, die tekst! Ik heb nog les gehad van Wilmink, hier, aan de Universiteit. De beste Nederlandse dichter als je ’t mij vraagt. Nou – een prettige dag nog verder!’ riep hij, achterom zwaaiend, terwijl hij de brug over de gracht verder op klauterde en ik de afdaling inzette.

‘In het kijken zit al het horen’ zei een docent tijdens een studiedag over Cézanne en de filosofie. In het ruiken zit al het zien, denk ik, terwijl ik me weer zie uitstappen bij het voormalige concentratiekamp Majdanek, in de buurt van het stadje waar de historische roman De duizendkunstenaar van Lublin van Isaac Bashevis Singer zich afspeelt. Ik ruik verbrand vlees en denk eerst nog naïef dat er een barbecue bij de naastgelegen huizen wordt gehouden, tot ik me met een schok realiseer wát ik ruik. Dichterbij kun qua sensitieve waarneming misschien niet komen.

Was deze begraafplaats er ook al tijdens de Tweede Wereldoorlog?’ vraag ik aan de Poolse staatsgids die ons over het terrein rondleidt. ‘Nee’, antwoordt ze stellig, de werkelijkheid geweld aandoend. Want die begraafplaats was er wel degelijk al, ontdek ik thuis, net als de naastgelegen huizen. Over-en-weer moeten de mensen elkaar hebben gezien.
‘Ik zie, ik zie / wat jij ook hoort’ vult de docent van de cursus de tekst van Wilmink na de pauze aan. Dát moet het zijn: zien en horen naar getuigenissen. Met je hart:

6.000.000

jij kan het cijfer
6.000.000 beleven
als druppels van de zee
als zoveel keer maal tien

ik, die een generatie eerder
werd geboren,
kan dit getal helaas niet
onbevangen zien

voor mij is zes miljoen
helaas geen cijfer
maar een belevenis
zo groot zo zwart zo wreed

omdat ik achter dit getal
zo nuchter opgeschreven
een gruwelijk en koel
berekend einde weet.

(Ida Vos, Vijfendertig tranen).

T.g.v. de a.s. verschijning van de biografie van Willem Wilmink door Elsbeth Etty (januari 2019, uitg. Nijgh & Van Ditmar).

Max van den Broek – Alledaagse paradoxen

Alledaagse paradoxen / Max van den Broek ; redactie: Florian Jacobs. – 1e druk. – Leusden : ISVW Uitgevers, [2018]. – 94 pagina’s ; 18 cm ISBN 978-94-925383-7-6

Een van de onderdelen van de filosofie is logica. Hier komt de laatste tijd ook binnen de publieksfilosofie steeds meer aandacht voor. Een aspect daarbinnen vormen filosofische paradoxen, dat wil zeggen problemen die ook met logisch denken niet zijn
op te lossen. Max van den Broek, masterstudent logica aan de Universiteit van Amsterdam, pakt er in dit boekje dertien aan. Zoals: stoppen met roken, vroeger opstaan, afvallen en meer sporten. Het doel van dit boek is het geven van recepten hoe problemen als deze zijn op te lossen, om daardoor een beter leven te kunnen leiden.
Van den Broek doet dit met behulp van het blokkeren van redeneringen en het ontkennen van premissen (een biertje drinken is niet te veel). Hiervoor moet de lezer, schrijft hij, ‘nogal filosofisch onderlegd zijn’. Of eerder: ervoor open staan en er gevoel voor hebben. De meeste problemen zijn niet al te groot en niet alle oplossingen even overtuigend. Toch is het een leuk boekje. Pocketuitgave; normale druk.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.