‘Het was hilarisch’

Volgens mijn radio- en televisiegids zendt Stingray Classica NL aanstaande zaterdagavond om 20.30 uur een concert uit onder leiding van dirigent Mikko Franck (1979, Tallinn). Over deze dirigent van l’Orchestre Philharmonique de Radio France schreef ik in zomer 2003 een stukje in Wervelingen, dat ik hier naar aanleiding hiervan met toestemming en enigszins aangevuld herplaats.

                ’t Is nu [bijna] zestig jaren
dat uit d’hemels kwam gevaren
eene ziele wijs en vrom
in een lichaam scheef en krom.
Deze ziele was een’ ziele,
die van boven tot aan d’hiele,
heel uw corpus heeft (vervuld,
zelfs uw allerscheefste bult).
Want het zijn uw’ zielekrachten
omdat [hun] veel plaatse ontbrak.
G’hebt bijna nu zestig jaren
met den knobbel rond gevaren
in uw kerk en in uw kluis
als een slekke met haar huis.

Dat is een gedeelte van een spotdicht dat wonderbaarlijk genoeg uit dezelfde pen komt (en over dezelfde lichamelijke misvormde seminarieknecht gaat!) als

                Welzalig is de sterveling,
die nooit in kwade wegen ging,
maar die zijn leven, dag en nacht,
Gods wet bewaard en heeft betracht.

Uiteraard, maar helaas, heeft Guilielmus het laatste gedicht van Guido Gezelle nooit gelezen , maar is het eerste, dat volgens Gezelle’s biograaf Michel van der Plat ‘een wrede indruk maakt’, hem wellicht wel onder ogen gekomen.

Een heel gedicht ophangen aan Guilielmus ‘scheeve romp’ en ‘dikke kromme bult’ doet denken aan een verslag van een concert dat Kasper Jansen schreef voor NRC Handelsblad. Een verslag van een concert door het Australian Youth Orchestra onder leiding van Mikko Franck, die overigens geen ‘dikke kromme bult’ heeft. ‘Mikko Franck’, schrijft Jansen, ‘is in ruime mate voorzien van het omvangrijke ego dat veel dirigenten kenmerkt’. Oké, het kan verkeren. ‘Hij wist al heel jong dat hij wilde dirigeren en dat doet hij nu ook (…). Franck lijkt daarvoor nauwelijks geschikt. Hij is niet alleen klein van stuk, maar ook zijn gestel werkt niet mee. Zijn rug is zwak en dat is kennelijk niet het enige.’ Jansen vervolgt met een uitgebreide beschrijving van de wijze waarop Franck de trap in het Amsterdamse Concertgebouw afdaalde, zittend dirigeert en af en toe overeind komt.  ‘Het was hilarisch’, concludeert hij.

Er zijn meer dirigenten die ‘wandelingetjes naar de rechterkant van de lessenaar maken’, maar dat wordt in een recensie meestal niet eens (meer) vermeld. Eventjes lijkt het stuk van Jansen een recensie te worden, wanneer hij ingaat op de gespeelde werken, maar hij kan het toch niet laten en besluit met de volgende zinnen: ‘Ook op zijn dirigeerstoel voelde Franck zich niet lekker. Hij moest telkens weer zijn rug rechten, zijn haar ordenen en verzitten. Geen wonder dat Franck zo blij was dat het was afgelopen’.

Wie op internet naar andere recensies van optredens van Franck zoekt, komt onder andere terecht bij Culturekiosque (http://www.culturekiosque.com/klassik/features/orchestraconductors.html).  Het is de beruchte, vlijmscherpe Norman Lebrecht die hier enkele zinnen aan ‘jonge dirigenten’ wijdt. Hij vermeldt ook in één zin en één moeite door Francks slechte rug en grote ego, maar gaat vervolgens in op diens eerste compact discs en benoeming tot dirigent van het Orchestre National de Belgique. Francks optredens in België zullen moeten bewijzen of Franck zich niet teveel pretendeert. Dat is inmiddels het geval; zie de agenda van Franck voor de komende tijd (link onderaan).

Inmiddels wist Vesa Sirén in dezelfde tijd (ca. 2003) op de site Virtual Finland te melden dat Franck als ‘één van de meest beloftevolle jonge dirigenten’ werd beschouwd ‘sinds de doorbraak van Simon Rattle’. Dááraan is het te danken dat Franck dat jaar zijn debuut maakte bij de Berliner Philharmoniker en het jaar daarna bij de New York Philharmonic en daar inmiddels ook vaak is teruggevraagd. Inmiddels heeft hij onder meer de Zesde symfonie van Tsjaikovsky op cd gezet. De symfonie die hem, volgens Sirén, troost én oefenstof bood als hij als kind weer eens een periode in het ziekenhuis lag. Hier lag het begin voor het klinkend resultaat dat telt. En daar ging Kasper Jansen jammer genoeg niet of nauwelijks op in.

Ik ben daarom benieuwd naar de tv-uitzending aanstaande zaterdag met muziek van Maurice Ravel, want ik geloof niet dat Franck na het optreden in het Amsterdamse Concertgebouw en misschien ook ‘dankzij’ de recensie van Jansen nadien nog in Nederland te horen is geweest, maar des te meer in het buitenland.

 

https://bachtrack.com/find-concerts/performer=mikko-franck

Hilary Mantel

Mantel_HilaryMantel_De geest gevan

N.a.v. een interview met Hilary Mantel (zie afb. links) in de VPRO Gids #18 (30 april t/m 6 mei 2016) werk ik hier een column uit die ik eerder schreef voor Wervelingen (winter 2006-2007). Het interview verscheen n.a.v. de Nederlandse vertaling van Giving up the ghost (zie afb. rechts).

Eén van de hoofdpersonen in John Le Carré’s literaire thriller Absolute vrienden is Sasha. Een a-symmetrische man en voor alles een charismaticus, een ‘Quasimodo van de maatschappelijke genese van kennis’ (p. 97). Zelf brengt Sasha dit in verband met zijn Duits-zijn: ‘Voor mij geldt dat wat geen logica biedt betekenisloos is’ (p. 105). Le Carré legt dus geen link met Sasha’s scoliose en pijn. Of lijkt dat maar zo?

Zo’n stap wordt door onder anderen Hannemieke Stamperius wel gezet in haar boek Kleine theologie voor leken en ongelovigen. Haar visie doortrekkend, is het zo dat wanneer iets ten dienste van de maatschappij wordt gesteld, dit niet langer op het ego is gericht en dus is overwonnen (p. 214).
Stamperius besluit het hoofdstuk ‘Lijden en pijn’ met: ‘Geaccepteerd lijden breekt het ego af: psychologie en theologie gaan hier hand in hand. Er wordt dan ook wel terminologisch onderscheid gemaakt tussen lijden, dat de mens gevangen zet, en pijn, die mits geaccepteerd een bron van vrijheid en vreugde kan zijn. Tegenwoordig noemen we dat “empowerment”: in overwonnen lijden kan een enorme levenskracht zitten’ (p. 218).

Er is dus een link tussen het beeld dat Carré (maatschappelijke genese) en Stamperius (empowerment) schept: vechten voor de wereld en/of jezelf. Dit verband wordt ook beschreven in de dissertatie over lijden van Philip Krijger: De tragiek van de schepping.  Hij weet, net als overigens Stamperius die een botziekte heeft die ook haar gewrichten, spieren en zenuwen aantast, waarover hij praat, slechtziend en slechthorend als hij is. Krijger beschrijft drie modellen die niet naast elkaar staan maar in elkaar overgaan. Het gaat in de eerste plaats om het harmoniemodel (vrijheid en vreugde), vervolgens om het tragische model (frustratie, het lot) en tenslotte om het strijdmodel (confrontatie, maatschappelijke genese).

Maar er is nog een andere ingang. Die ontleen ik aan een interview dat Katja de Bruin had met schrijfster Hilary Mantel. Mantel heeft met haar boek Giving up the ghost, dat nu in een Nederlandse vertaling is verschenen (De geest geven) volgens De Bruin ‘grootste literatuur’ geschreven.
Mantel was, lezen we, ‘net twintig, toen ze geveld werd door vermoeidheid, braakaanvallen en een onverklaarbare pijn in haar benen.’ Het duurde zeven jaar voor ze zelf de diagnose stelde: endometriose. ‘De ziekte heeft haar leven bepaald. In veertig jaar is er geen dag geweest waarop ze geen pijn had.’ Tot voor kort, want na een zware operatie ‘kwam er ineens een dag waarop ik me realiseerde dat ik geen pijn had’, zegt de schrijfster.

In dit boek steeg de schrijfster boven haar eigen leed uit omdat ze, zoals ze stelt, zichzelf behandelde als een personage. Ze had dit boek nodig om voor zichzelf klaar te zijn om aan het laatste deel van haar levenswerk te beginnen: het derde deel over Thomas Cromwell. En dat is ze nu.
Bij haar is dus zowel het ego overwonnen (Stamperius) en leidt de confrontatie met de ziekte (en meer) tot een maatschappelijke genese (Krijger) in die zin dat de bewonderaars van haar werk dank zij haar autobiografie nu het derde deel over Cromwell tegemoet kunnen zien. Terwijl ze er zelf veel waarde aan hecht endometriose meer bekendheid te hebben gegeven.