Tijd en ruimte

Een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Alkmaar en een recente cd van de Mark Haanstra en Oene van Geel deden mij weer een keer grijpen naar het schitterende boekje De sabbat. Zijn betekenis voor de moderne mens van Abraham Joshua Heschel.

Dat zit zo. In Alkmaar vallen schilderijen van onder meer Salomon van Ruysdael van de Grote of St. Laurenskerk te zien (zie afb.). Onder meer, want er vallen ook al even mooie foto’s en een film van die kerk van Hans van der Meer te bewonderen.
Van der Meer heeft het er over dat de kerk in de tijd van Ruysdael in de ruimte was gezet, terwijl we de kerk nu meer in de tijd plaatsen. Dat wil zeggen: de kerk was in de tijd van Ruysdael (ca. 1664) een landmark, terwijl het gebouw nu kan worden getoond, zoals in de film, met verstrijkend licht – door de dag en de seizoenen heen verschietend van licht naar donker en van intensiteit.

‘Het grote probleem [voor rabbijn Shimeon, ca. 130, EvS] was’, schrijft Heschel, ‘tijd en niet ruimte; de opdracht was hoe tijd in eeuwigheid te veranderen en niet hoe de ruimte te vullen met gebouwen, bruggen en wegen; en de oplossing van het probleem ligt eerder in studie en gebed dan in meetkunde en techniek’ (p. 42).

En daar komt de nieuwe cd Shapes of Time van Haanstra & Van Geel (Zennes Records) om de hoek kijken. Muziek van grote klasse. Jazz of geïmproviseerde modern-klassieke muziek, dat is mij om het even. Als je de cd opzet, klinkt de muziek in het hier-en-nu. Terwijl je ernaar luistert verstrijkt de tijd, als bij een film van Van der Meer. En ook weer niet: er gebeurt iets met je, en het lijkt of tijdloosheid je overvalt. Of er sprake is van een eeuwigheid in de zin van Heschel.
Bassist Haanstra (die ik nog niet kende) en altviolist Van Geel (wiens werk ik al geruime tijd bewonder) lieten zich inspireren door een andere fotograaf: Udo Prinsen. Op de omslagfoto van het boekje bij de cd verschijnt niet zozeer een landschap zoals dat bij een Ruysdael op de voorgrond van zijn schilderij prijkt, maar de verstrijkende tijd. Dat hoor je terug in de muziek, met kleine verschillen in ritmiek; Haanstra met zijn ‘lopende bas’ (bij barokmuziek spreken we van een basso continuo) en Van Geel die er, de jazzmuziek eigen, net even een fractie daarna komt. Prachtig – die muziek, die schilderijen in Alkmaar. En nog steeds dat boekje van Heschel dat ik eens in de zoveel tijd móet herlezen.

Philippe Claudel en Torgny Lindgren

Philippe ClaudelIn mijn MA-scriptie over het kwaad in de filosofische studie Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel (zie foto), had ik twee paragrafen opgenomen waarin ik de verwantschap aantoonde met respectievelijk de roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren en met de techniek van het drama-in-het-drama van Shakespeare. In het kader van information overload heb ik deze twee paragrafen er in de herziene versie uitgehaald. Ik presenteer beide hier achtereenvolgens als blog. Dit is de eerste: over Claudel en Lindgren. Mede t.g.v. de publicatie van een nieuwe roman van Claudel: De boom in het land Toraja.

In de roman van Lindgren speelt het verhaal ook in een dorpje in – ditmaal is het duidelijk aangegeven – Zweden. Al zou Noord-Norrland overal kunnen liggen en zal het om het even zijn of het zo heet. Ook hier zijn er twee hoofdpersonen: een vreemdeling die zich voordoet als een vluchteling uit Duitsland, en journalist Bertil. Tegen de laatste groeit steeds meer weerstand. Uiteindelijk wordt hij, gelijk de Anderer bij Claudel, met messteken om het leven gebracht. De vluchteling blijkt oorlogsmisdadiger Martin Bormann (1900-1945) te zijn, die Zweden niet zoals de Anderer met paard en ezel binnentrok, maar wel met een “eigenaardig vervoermiddel”.[1] Het landschap van Zweden beantwoordt aan diens gemoedstoestand en staat er model voor.

Ook Lindgren speelt, net als Claudel, met de noties ‘werkelijkheid’ en ‘waarheid’. Eén van de personages bij Lindgren plaatst Gösta Berling (een figuur uit Lars Högström van Selma Lagerlöf) bijvoorbeeld zelfs in de werkelijkheid. Lindgren vraagt zich af of er in de werkelijkheid wel gebeurtenissen voorkomen. En of deze van voor naar achter moeten worden verteld. Er is een waarheid die moet worden gezegd. Maar die moet eerst worden begrepen, voor je er iets belangrijks over kwijt kunt.

Veel kan op papier worden gezet, maar sommige dingen, zoals het recept voor balkenbrij, niet. Dat valt buiten de geordende, gecultiveerde maatschappij. Just Maser, de vluchteling, wil in het boek van Lindgren de kunst van het maken ervan machtig worden, maar het lukt hem niet. Veel zou ook schadelijk kunnen zijn als het wordt opgeschreven. Wat de journalist bij Lindgren niet opschrijft, is waar Brodeck bij Claudel juist voor is aangesteld: om alles over wat groeit en bloeit te noteren.[2] Veel kan worden gezegd, maar sommige smart is, gelijk bij Claudel, woordloos. Maar als het lukt wél iets aan het papier toe te vertrouwen, is de auteur volkomen vrij. De journalist schrijft met zijn geheugen. En op de bodem daarvan bevindt zich wat je genade kunt noemen. Men vraagt zich in het dorp af of de journalist ergens verslag van moet uitbrengen. Van de vluchteling misschien, die nauwlettend door Bertil in de gaten wordt gehouden? De hoofdzaak is dat er wordt geschreven, niet wat er op papier komt.[3]

Het uiteindelijke punt bij Lindgren is niet zozeer het verschil tussen werkelijkheid en waarheid, maar echtheid. En dat is zeldzaam, als het al bestaat. We zijn als mensen aangewezen op enkel de weerschijn van het directe gebeuren. We moeten genoegen nemen met de gebaren van degene die zag, met het verhaal zoals bij Claudel. Lindgren neemt zijn toevlucht tot het idee van de grot bij Plato. Het ergste daarbij is “de goddeloze splitsing tussen actieve en deelnemende waarnemers en verstoten en versmade getuigen en toeschouwers (…), de zonde tegen de vanzelfsprekendheid”.[4]

Bertil neemt het zichzelf kwalijk dat hij niet werkelijk heeft gezien en, gelijk Brodeck, alles uit de tweede hand gewaar werd. Dat hij met andere woorden moest interpreteren in plaats van zien. Hoop wordt geput uit de cyclus van de seizoenen; aan het eind van het boek verschijnen kraanvogels als hoopvol teken. De vrouw van Bertil vindt eindelijk de berg, de Avaberg, waar ze het hele boek naar op zoek was. Op de kaart én in werkelijkheid. En ze is in staat Bertil de vrijheid in het leven en de vreugde van het scheppen terug te geven. Bertil die van de burgemeester de opdracht kreeg om zijn verslaglegging te staken, omdat hij steeds meer waarheid en verzinsel door elkaar begon te halen.

Wat er met de moordenaar van Maser gebeurt, valt te voorspellen en wordt niet opgeschreven. (Hij valt ten prooi aan longtering; ziekte als straf).


[1] Bormann was na de Tweede Wereldoorlog lange tijd onvindbaar, tot men in 1972 zijn gebeente vond in de Berlijnse Tiergarten. Vreemde vervoermiddelen staan centraal in dertien biografieën die Lex Veldhoen schreef onder de titel Markante reizigers (Rotterdam 2016). Het betrof onder meer spionnen.
[2] Met enige fantasie kun je de rol van de journalist bij Lindgren vergelijken met het Boek der Natuur, dat leidt tot natuurwetenschappelijke en filosofische kennis, en die van Brodeck – getuige ook zijn belangstelling voor boeken uit de collectie van de Anderer – tot het Boek der Schriftuur, dat leidt tot openbaringskennis. Vrij naar Pieter J.D. Drenth, Religie en wetenschap; beide onder vuur (26 april 2016, Thomaskerk, Amsterdam).
[3] Vergelijk met de joodse opvatting van Lernen: de hoofdzaak is dat er Talmoed wordt gelernd, niet in functionele zin, maar om het Lernen zelf.
[4] Tony Lindgren, Het ultieme recept (Amsterdam 2005) 205. De nazi’s duldden geen getuigen, zodat het onze plicht is om te getuigen. Dat is de boodschap van de film Son of Saul (regisseur Lásló Nemes, 2015). Feigenbaum, één van de personages, is zich bewust van de noodzaak zijn ervaringen op te tekenen en zo voor de wereld te bewaren. De in 2016 overleden overlevende van Sobibor Jules Schelvis, vond het als mede-aanklager in het proces tegen kampbewaarder John Demjanjuk zelfs belangrijker dat de wereld weet wat er is gebeurd dan dat hij straf kreeg opgelegd. Wel moest hij veroordeeld worden. Marcel Wiegman, ‘Een leven in het teken van Sobibor’, Leeuwarder Courant (5 april 2016). Deze humanistische opvatting is verwant aan wat Adriana Leter in een interview met Colet van der Ven zegt: “Een mens straf zichzelf door het verkeerde te doen”. Colet van der Ven, Van oude mensen … De twintigste eeuw weerspiegeld in twintig levensverhalen (Baarn 1997) 49.

Het jaar van Vivaldi

Vreekamp_VivaldiHet jaar van Vivaldi : hemel en aarde in onze seizoenen / Henk Vreekamp. – [Utrecht] : Uitgeverij Kok, [2016]. – 224 pagina’s ; 4 ongenummerde pagina’s platen : illustraties ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-435-2587-9

In 1991 verscheen Gedachten over gedenken van Henk Vreekamp (1943-2016) met ondertitels als ‘kerst-‘, ‘paas-‘ en ‘pinksterkring’. Dit boek is een geheel herziene versie daarvan. De ‘kringen’ uit 1991 zijn nu opgenomen in de seizoenen. Vreekamp omschreef zichzelf als een ‘door joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog.’ Hij publiceerde op deze driesprong de trilogie Zwijgen bij volle maan, De tovenaar en de dominee en Als Freya zich laat zien. Het is jammer dat we niet meer in gesprek met hem kunnen gaan over dit postuum verschenen boek. Bijvoorbeeld over zijn haast Hegeliaanse Vivaldi-opvatting: een afwisseling van harmonie, oppositie en integratie. Dit boek leent zich goed voor lees- en/of luisterkringen. Hoewel voor december 2015 aangekondigd, is de uitgave na het plotselinge overlijden van de auteur versneld verschenen, al is dat een beetje ten koste van een zorgvuldige redactie gegaan. Een mooie toevoeging vormen de sonnetten waarop Vivaldi zijn De vier jaargetijden baseerde en kleurafbeeldingen van schilderijen van de seizoenen van Poussin, Crane en Mucha.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De paasweek van dag tot dag (III)

NijkerkTen Bruggen Kate_Boerderij in de sneeuw


Henk Vreekamp heeft, proef ik uit zijn boek Het jaar van Vivaldi, een voorliefde voor de lente, de droomtijd van een herder in de polder Arkemheen bij Nijkerk, met het witte kerktorentje dat hij beschrijft (zie afb. links).
Ik bezoek de tentoonstelling van Chris ten Bruggen Kate (1920-2003) in het Noord-Veluws Museum in Nunspeet. Hij heeft een voorkeur voor het verstilde, besneeuwde Veluwse landschap (zie afb. rechts). Het past bij Stille Zaterdag, deze verstilde kunst. En ook weer niet. Omdat Ten Bruggen Kate met de sneeuw alles wat minder mooi is in de winterse natuur, dood en verval, toe wil dekken.

Wat frappant is, is dat Vreekamp in de week als gang door de tijd een weg ziet die ‘dwars door de cirkel van de jaargetijden wordt aangelegd.’ In Genesis 1 leest hij hoe de seizoenen ooit zijn begonnen. En de gemeente van de Zendingskerk in Ermelo las het met hem, op Stille Zaterdag. Bij elke dag werd één van de kaarsen van de joodse zevenarmige kandelaar aangestoken. Het licht vulde de nagenoeg donkere kerk. Ik hoorde het verhaal anders en zong tot slot mee:

O goede engel bij het graf,
de lente lost de winter af,
bewaak het jonge groen en wijs
de ingang van het paradijs.
(Lied 628:7)

Link naar een opname van de dienst op Stille Zaterdag in de Zendingskerk te Ermelo: http://www.zendingskerk.nl/diensten/maart.html

Als het waar is (II): acht jaar later

Eddy Reefhuis_2Eerder publiceerde ik hier een interview dat ik bij het intrede van Eddy Reefhuis (zie foto) als predikant van de Oude Kerk in Amsterdam met hem had. Hier volgt deel II, het verslag van een gesprek dat ik voerde t.g.v. zijn afscheid op 22 november a.s. (zie onder aan deze blog voor meer gegevens).

Ik maak me steeds meer zorgen voor de joodse wortels in de christelijke eredienst, ook in die van de Oude Kerk. Niet zozeer wat jou betreft, maar bijvoorbeeld soms luisterend naar de voorbeden. Herken je dat?
Na acht jaar heb ook ik de meeste vragen bij de aandacht voor de joodse wortels, niet alleen van onze liturgische, maar van onze hele christelijke traditie.
Wat ik destijds daarvan had geleerd, ben ik niet kwijt geraakt, integendeel. Die respectvolle vrijmoedigheid, en dat het ‘gans andere’ nu juist in onze concrete werkelijkheid zo ‘gans anderspolitiek‘ blijkt, dat is het geheim van het onderlinge geloofsgesprek dat in de laatste jaren in de Oudekerkgemeente op gang is gekomen. Maar dat dat alles joodse wortels heeft – daarvoor is de aandacht meer en meer verdwenen. Interne discussie over wat dan ‘echt joods’ zou wezen, en toenemende wrijving over de politiek van de staat Israël, hebben ernstig afbreuk gedaan aan de belangstelling daarvoor. En voor volgende generaties is de vervolging en systematische moord op joodse landgenoten steeds meer een ver in plaats van een huiveringwekkend nabij verleden.

Is de dialoog, of misschien inmiddels trialoog (inclusief de islam) daarvoor niet wezenlijk?
Of die aandacht voor de joodse wortels ooit terugkeert via de dialoog tussen kerk en synagoge, weet ik niet. Op dit moment zie ik meer mogelijkheden in de hele actuele interculturele dialoog, waarin een groep als Salam – Sjaloom een belangrijke en vrolijke rol speelt. Nu nog vooral, omdat zij de steeds fellere tegenstelling tussen joden en moslims rondom de Israëlische politiek overbruggen. Maar daarin brengen ze beide hun eigen traditie mee en die is ook nu soms verfrissend anders dan de onze.

In de tijd dat je predikant in de Oude Kerk was, is ook de Nieuwe Bijbelvertaling ingevoerd, wat niet zonder slag en stoot ging; er wordt ook in de Oude Kerk, en vooral van aanhangers van de Amsterdamse School, veel kritiek op geleverd. Op het leerhuis heb je naast kritiek op de NBV ook regelmatig waardering voor deze vertaling geuit. En zelfs de Bijbel in Gewone Taal kwam op tafel. Ben je opgeschoven qua ideeën?
Nou, voor de NBV heb ik altijd naast kritiek ook waardering gehad. Direct al bij de verschijning merkte ik, hoe mensen, lezend in de NBV, soms voor het eerst in zeventig (!) jaar ontdekten, dat de bijbel ook voor hen was. Dat is geen kleinigheid, lijkt me.
Maar terugkijkend op acht jaar Oude Kerk, en ook op ook op meer dan dertig jaar predikantschap, verbaas ik me er vooral over, hoeveel moeite het ook mezelf nog steeds kost om de Bijbeltekst als tekst, als literatuur te lezen. En daarin ben ik misschien eerder meer dan minder Amsterdamse School geworden. ‘De tekst mag het zeggen’ is daar het adagium. En hoever dat reikt, is me in de afgelopen jaren nog veel duidelijker geworden. Mede dankzij de diensten rond kunst in de kerk werd me duidelijk, hoezeer de bijbel zelf ook kunst is, literatuur, die als alle kunst op heel eigen wijze bepaalt hoe ze wil worden verstaan.
Maar als ik over een tekst moest preken, en die zich niet zo gemakkelijk prijsgaf, was het toch moeilijk om geduldig die tekst te blijven volgen, en begon vroeg of laat toch de vraag naar wie God is – over die tekst te heersen.
Daar wil ik nog verder van worden verlost. Bijbellezen, samen met anderen – ja graag.
Maar preken – eerst maar eens een jaartje niet.

Tenslotte wil ik nog een kritische noot met je kraken. Ik vind het jammer dat de afgelopen jaren de Paascyclus aan ingetogenheid verloor, en de liturgie op zondag maar uitdijt met bijvoorbeeld een Hallelujah voor de Evangelielezing waar je vragen bij kunt zetten. Wat is de diepere bedoeling achter dit alles?
Je doelt waarschijnlijk op de veranderde opzet van de Witte-Donderdag-viering, waar we de afgelopen drie jaar hard aan hebben gewerkt. Niet langer de Pesachviering van Jezus met zijn leerlingen als opmaat naar het eigenlijke Pasen, Jezus’ lijden en sterven en zijn opstanding uit de dood; maar de joodse Pesachviering als het kader waarbinnen Jezus met zijn leerlingen, dus ook met ons, zijn eigen lijden en dood durft te vieren als verhaal van bevrijding, van opstanding dus ook. Daardoor is de Witte-donderdag-viering veel uitbundiger geworden. Over de juiste vorm zijn we ook niet uitgedacht. Maar die omkering – Pesach als kader in plaats van als opmaat – daar ben ik erg enthousiast over. Die moeten we niet meer kwijt.
En dan die extra responsies op zondag, met als laatste ‘aanwinst’ het Hallejujah voor het het evangelie – die responsies bevorderen volgens mij, dat de dienst geen eenrichtingverkeer is, maar we die samen doen. Bij dat Hallelujah kun je inderdaad je vragen hebben. Suggereer je daarmee niet toch, dat het Evangelie uiteindelijk de hoogste waarheid is, belangrijker dan Tenach? Voor mij is het Evangelie vooral de verbazing dat deze hoogst bijzondere teksten ook voor buitenstaanders, dus ook voor mij, opengaan. Dat begroeten met het van oorsprong Hebreeuwse maar inmiddels in heel de christenheid en daarbuiten bekend geworden Hallelujah vind ik wel geestig. Maar ik herinner me veel diensten waarin we ook zonder bleken te kunnen. Dus die vragen erbij – vooral stellen.

En aan het eind van het gesprek stelde Eddy Reefhuis mij een vraag terug – dialoog met de teksten en met elkaar hebben we immers meer en meer als de kern van ons leerhuis ontdekt – : hoe kijk jij terug op de afgelopen acht jaar, in het bijzonder op het leerhuis waar je praktisch vanaf het begin aan hebt meegedaan?
Voor mij vallen leerhuis door de week en kerk op zondag niet los van elkaar te zien. Wat beide samenbindt, is dat ik hoop dat er een evenwicht in wordt bereikt tussen gevoel en ratio; dat mijn hart soms even opspringt en dat mijn hersenen op z’n tijd knarsen. Zodat je de week weer door kunt en op iets kunt blijven door kauwen, en in beweging wordt gezet. Tot het zich, naar je hoopt, een volgende keer weer herhaalt. Haast als een ritueel, door de gang van de seizoenen heen.
In het leerhuis kom ik ook om anderen te ontmoeten – werkelijk te ontmoeten. Dat gebeurt niet altijd, en soms wordt je er ook in teleurgesteld, maar áls het gebeurt, levert dat bijzondere momenten op om te koesteren. In de kerk kom ik vooral om (zoals je zelf een keer treffend zei) God te ontmoeten, – God in de eerste plaats (en voor mij meer dan Jezus) en als een ander je tegemoet komt – dat ervaar ik vooral in het gezamenlijk zingen, zelfs fysiek door soms naar elkaar toe te buigen – dan geeft dat een extra dimensie. En als een ander je links laat liggen – ook dat gebeurt -, dan is er de ratio die je tot de orde roept: alla, láát. Het blijft mensenwerk, dat heb ik nooit sterker ervaren dan in de teleurstellende tijd dat ik scriba en kerkenraadslid was. God heeft soms raar grondpersoneel. Ik niet in ’t minst.


De nieuwe hemel komt in de bijbel op aarde. Het is een stad!
In de eerste stad in de bijbel, Babel (of Babylon), doen ze het omgekeerde. Daar willen ze met een toren naar de hemel. Een grote spraakverwarring verhindert dat. En die spraakverwarring is van God gegeven. Want al die verschillende talen geven ruimte aan allemaal verschillende verhalen. In plaats van zich te uniformeren voor een hoger doel waaieren de mensen uit over de aarde om hun eigen weg te zoeken en hun eigen verhaal te vinden.

In Nieuw Babylon is die spraakverwarring niet verdwenen. Nog steeds mogen er verschillende verhalen naast elkaar bestaan en brengen die ook hun eigen taal mee. Maar in Nieuw Babylon nodigt de Oudekerkgemeente ieder die op 22 november a.s. de Oude Kerk komt binnenlopen, uit, niet alleen het eigen verhaal te vertellen maar ook te luisteren naar een ander. Wie weet hoor je een verhaal dat je niet kende, waarvan je de taal niet eens verstaat, en dat je toch raakt en een nieuwe wereld voor je opent, pal voor je neus.

Jeruzalem is de andere stad in de bijbel. Daar wordt erkend dat die verschillen ook tot botsingen leiden en pijnlijk zijn. Maar in Jeruzalem roepen de slachtoffers daarvan niet om wraak maar om verzoening. Gemakkelijk is dat niet. Door de eeuwen heen gaan verzoening en verraad hand in hand. Maar soms ….
Het nieuwe Jeruzalem is, dat die verzoening niet de welhaast onmogelijke taak is die wij mensen moeten volbrengen, maar een onvermoede werkelijkheid die, o wonder, over ons neerdaalt. Voor dat wonder nodigt de Oudekerkgemeente u, samen met haar afscheid nemende predikant, uit om op zondag 22 november a.s. ’s middags de Oude Kerk binnen te lopen en dat te beleven.

Zie voor meer informatie: http://www.oudekerk.nu

In tweeën

GroteKerkEpeEen bloemiste in de Hoofdstraat van Epe kijkt wat bevreemd als ik haar de weg vraag. Voorzichtig informeert ze wat ik daar dan denk te vinden. Ik vertel dat ik het boek Als Freyja zich laat zien van Henk Vreekamp nareis en dat op het kruispunt tussen Woesterweg en Laarstraat een grafheuvel zou moeten liggen. ‘Een grafheuvel’ zegt ze nadenkend en wat verbaasd.

‘Ik wil u niet teleurstellen, maar het is een asfaltweg zonder voetpad waar u langs loopt‘. Haar gezicht klaart echter op als ze zegt dat als ik tóch zo’n eind buiten het dorp wil gaan, ik beter op de fiets kan stappen naar Het Verscholen Dorp. Ik zeg dat ik dat ken en dat het erg indrukwekkend was. Ze zwijgt.

De grafheuvels heb ik die dag niet gezien, maar wel een andere verhoging in het land: een bunker. De oorlog lijkt soms meer voelbaar dichterbij dan het mysterie van Heuvel 137. Of deze nu echt nog te zien is, of in de verbeelding levend wordt gehouden, maakt me op dat moment met een blik op de straatmeubilair bij de bushaltes van Syntus eigenlijk niet eens zo veel uit: drie stenen als verwijzing naar de vele stenen (en grafheuvels) die je hier in het landschap aantreft. Volgens archeoloog Cor van Baarle – geciteerd in het boek van Vreekamp – hoef je daarvoor niet eens naar Stonehenge, en kun je in het Veluwse dorp blijven. Letterlijk in het dorp, zelfs bij een bushalte denk ik dan. Op die manier wordt in Epe het erfgoed van de streek levend gehouden. Misschien verbeeld ik het me, maar dat maakt het wat mij betreft wellicht nog mooier: leven met het verleden in het hier en nu, op een hedendaagse wijze. Zoals Freyja in Schaveren (plaats van schapen) geen schapen zag. Maar misschien wel vermoedde. Als bijbels beeld wellicht. Zoiets.

Ik probeer er de volgende dag langs een andere weg, via Emst, nog net voor een optocht met praalwagens uit, te komen, wat lukt. Net zoals Freyja niet in één keer de kerk in Epe kon betreden, omdat ze eerst moest lernen was het mij niet gelukt in één keer de heilige grond van onze voorouders te betreden. Je moet er moeite voor doen. En wat mij betreft gaat het Freyja wel eens wat te gemakkelijk af. Zeker, ze stelt vragen. Maar worstelen met wat haar wordt aangezegd, lijkt ze niet te doen. Dat is te danken aan de op mij wat missionair overkomende insteek als grondhouding van wat Vreekamps boek ten diepste wil zeggen: het eeuwige leven beërven. Kijken, opkijken en doorzien, zoals hij het in zijn uitleg op de laatste zondag van mijn vakantie in de Grote Kerk op haast Spinozistisch wijze en in een ander verband verwoordde.

Heuvel 137 staat voor regel 12 van de Apostolische geloofsbelijdenis, ‘de code van het Christendom’ zoals de ondertitel van het boek luidt en tot leidraad ervan dient: ‘Hij [Jezus van Nazareth, EvS] was dood en begraven’. Freyja krijgt de tekst van de geloofsbelijdenis artikel voor artikel door één van de twaalf apostelen uitgelegd. Apostelen die niet van zwijgen lijken te weten op momenten dat het past, zoals de bloemiste in het dorp dat wel kon. Regel 12 zit op de helft van het boek, en op de helft van de vakantie waarin ik het boek zo goed en zo kwaad als het ging nareisde. Fysiek en geestelijk.
Op het moment ook dat ik struikel over sommige omschrijvingen. Zoals die van de zonde van joden en heidenen, vanouds de gesprekspartners van de theoloog Vreekamp. Die zonde verschilt, schrijft hij, maar ‘uit beide wijzen van zondigen bevrijdt Jezus’ (p. 171). Bij zulke passages snap ik de huiver die rabbijn Tamarah Benima beving bij het lezen van dit derde deel uit de Veluwetrilogie, waarvan ik het eerste al eerder nareisde en over schreef (https://elsvanswol.nl/?p=340). Benima sprak erover tijdens de presentatie van dit derde deel, op 31 oktober 2013 in de Grote Kerk van Epe, waar ik ook was.

Het boek begint in de Grote of Sint Maartenskerk van Epe (zie afb.), waar je vroeger meteen tegen het doopvont aanliep. Op een woensdagmiddag las ik er de eerste hoofdstukken van het boek, dat eindigt in de openlucht, in Oene waar Freyja ‘zich laat zien’ (lees: een visioen van de doop ontvangt) aan de IJssel. Voor mij eindigde het nareizen weer in de Grote Kerk, waar Henk Vreekamp als gezegd voorganger was. Op het leesrooster stond Marcus 8: 22-26, over de genezing van een blinde, een genezing in tweeën omdat het Jezus de eerste keer niet lukte. Een accent dat mij aansprak. Zo gemakkelijk moet het allemaal niet gaan. Nadenken, beschouwen, je te weer stellen.

Volgend jaar verschijnt er een zo’n honderd pagina’s tellend gidsje waarin de Veluwetrilogie wordt samengevat en waarin wandelingen aan de hand van de drie delen zijn opgenomen. Van harte aanbevolen!
Maar eerst verschijnt er nog een nieuw boek van Henk Vreekamp, naar aanleiding van De vier jaargetijden van priester en componist Antonio Vivaldi: Het jaar van Vivaldi. Hemel en aarde in onze seizoenen. Daarin laat hij de vier seizoenen in gesprek gaan met het kerkelijk jaar, zoals in Als Freyja zich laat zien heden, verleden en toekomst, gelijk in de roman Papegaai vloog over de IJssel, de andere kant van de IJssel, van Kader Abdolah, dat ik als contrapunt bij het boek van Vreekamp las. Ik zie uit naar Het jaar van Vivaldi.

http://www.vreekamp.nl/www.vreekamp.nl.php

Concert of concept?

Teo KrijgsmanVan 22 mei t/m eind juni is in de Thomaskerk te Amsterdam een tentoonstelling te zien die ik a.i. mocht samenstellen. Met schilderijen van Suus Scheller en foto’s van Teo Krijgsman (zie afb.). Het zijn allemaal bomen – maar het is méér dan dat; er zit een ritme in, het ritme van de seizoenen, van het leven –  een levensritme.

Het doet denken aan een lezing die ik in 2003 voor de FASO (Federatie van Amateur Symfonie- en Strijkorkesten) hield in Theater De Kom te Nieuwegein. Een gedeelte daarvan publiceer ik hieronder.

Een collega van mij gaf eens een huisconcert. Zij zong, en iemand begeleidde haar op gitaar. Na afloop kwam een mijnheer op beiden af, om te bedanken voor het ‘mooie concept.’ Zij hadden hier erg om moeten lachen – want die concertganger had zich zeker versproken. De vraag is nu of zij daarmee gelijk hadden. Bedoelde deze mijnheer niet écht ‘concept’ – nog los van het feit of hij het optreden in één moeite door ook niet gewoon op prijs had gesteld. Het één sluit het ander toch niet uit?

Om te beginnen: het woord concept vat ik op in de filosofische betekenis van het woord, die van onderlinge verwijzing. Een paar voorbeelden om dit te verduidelijken.
Het eerste betreft vijf concerten die het Concertgebouworkest in 1983 in Amsterdam gaf onder leiding van Antal Dorati. Op het programma stond Die Schöpfung van Joseph Haydn. Dorati had besloten dit oratorium vooraf te laten gaan door Threnos van Penderecki. Dit werd toen in het programmaboekje uitgelegd als een demonstratie tegen de bewapening en een oproep voor vrede. Threnos, een klaagzang voor de slachtoffers van Hiroshima, geeft de ledige wereld weer na de verwoesting door de atoombom. Die Schöpfung schildert óók een lege wereld, maar dan in afwachting van iets goeds en zinvols. Deze programmering was een oproep om de wereld niet ten onder te laten gaan, maar de schepping te helpen voltooien.

Het tweede voorbeeld betreft een concert van een jaar later. In dit geval een orgelconcert in de Grote Kerk van Harlingen. Organist Klaas Hoek legde ook een verbinding tussen twee stukken. Het ene stuk was Principal sound (Prestantklank) van Morton Feldman en het tweede de koraalbewerking Ich ruf’ zu dir, Herr Jesu Christ uit het Orgelbüchlein van Joh. Seb. Bach. Er was geen programmaboekje waarin werd uitgelegd waarom de organist beide stukken zonder onderbreking aan elkaar laste. De verbijstering was zo al groot genoeg. Eenzelfde soort roep om vrede als bij het concert onder leiding van Dorati werd ons deel. Heden en verleden vielen samen, gericht als ze waren op de toekomst. Als luisteraar kreeg je het gevoel dat Bach een tijdgenoot was en dat de inkt van zijn stuk nog nat moest zijn.

Wat mogen we op grond van deze voorbeelden concluderen? Dat niet alleen de inhoudelijke verwijzing bij een concept van belang is, maar ook wel degelijk de vorm. Wanneer beide sterk genoeg zijn, is er sprake van een goed concept én dien ten gevolge van een goed concert. Misschien kun je dan zelfs zeggen dat het concept achter het concert is verdwenen, als een serie hulplijntjes die, net als bij een fresco, bij het overschilderen nog wel vaag te zien zijn, maar niet (meer) mogen overheersen.

Wat dirigent Antal Dorati en organist Klaas Hoek wellicht van hun luisteraars verwachtten, was dat ze door hun concert waren verrijkt, geestelijk rijker waren geworden, zich anders voelden. Dat is ze, wat mij betreft althans, gelukt. Daarbij had overigens de toelichting in het programmaboekje van de serie concerten door het Concertgebouworkest beter achterwege kunnen blijven; een luisteraar mag zijn/haar eigen invulling aan een concept geven. Maar dit terzijde.

We gaan een stapje verder: we weten nu wat ik onder concept versta en wat een goede invulling daarvan zou kunnen zijn. Het zal ook duidelijk zijn dat ik bij de voorbeelden die ik hieronder zal noemen, inhoudelijke verbindingen zoek tussen oude en nieuwe muziek. Haydn zal ons daarbij blijven vergezellen.
Het hulplijntje dat ik vooraf heb getrokken is die van de passie- en Pasentijd.

Twee symfonieën van Haydn vormen de hoekstenen van het concert (respectievelijk passie en Pasen). De openingssymfonie waarvoor ik heb gekozen is de 26e symfonie in d kl.t., ‘Lamentatione.’ Een bijnaam die verwijst naar een gregoriaanse melodie die Haydn zowel in het eerste als – duidelijker waarneembaar – het tweede deel citeert. Het is het gezang dat afkomstig is uit de liturgie van de stille week en staat bekend als één van de Klaagzangen van Jeremia.
Als sluitsteen van het concert heb ik gekozen voor de symfonie nr. 30 in C gr.t. van Haydn, ‘Alleluja.’ Deze bijnaam gaat ook terug op een gregoriaanse melodie die Haydn in het eerste deel citeert en die bekend staat als ‘Paas-Halleluja.’

Een plaats die in het passieverhaal een rol speelt, is de Olijfberg, een heuvelrug ten oosten van Jeruzalem aan de overzijde van het Kedrondal. Tegen de helling ligt onder andere Getsemane. Een Nederlandse componist die zich door deze plaats en de verhalen daarom heen heeft laten inspireren, is Coen Vermeeren. In 1997 schreef hij In monte Oliveti voor strijkorkest.
Wanneer we het passieverhaal vervolgen, kan het haast niet missen of wij komen bij zettingen van het Stabat Mater. Daar zijn in tal van voorbeelden van te vinden, die het hart van het concert zouden kunnen uitmaken.

Een concert dat dan uiteindelijk bestaat uit: de symfonie nr. 26 van Haydn, In monte Oliveti van Vermeeren voor de pauze, een Stabat Mater en de symfonie nr. 30 van Haydn na de pauze. Een programma dat loopt van donker (d kl.t.) naar licht (C gr.t.), van passie naar Pasen.