Mooi boek met schoonheidsfoutjes

Er is lang gewacht op het boek van Frédéric Lenoir over Spinoza. Het werd eerst aangekondigd door Ten Have, maar ik uiteindelijk bij Uitgeverij Balans verschenen onder de titel Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud.
Het moet meteen gezegd: het is een mooie inleiding tot het werk van de filosoof. Met name diens Ethica wordt helder en toegankelijk over het voetlicht gebracht. Toch zijn er ook kleine kanttekeningen bij te plaatsen.

Eerst de loftuiting. Het raakte mij meteen, dat Lenoir – filosoof, socioloog en godsdiensthistoricus – begint met een vergelijking tussen Spinoza en Johannes Vermeer; van beider werk ben ik een liefhebber, al deel ik net zo min als de Franse auteur ‘noodzakelijkerwijs al zijn [i.c. Spinoza’s] ideeën’. Lenoir wijst op een ‘verrassende verwantschap: het licht. De kwaliteit van het licht in de binnenkamers van Vermeer vindt zijn echo in de heldere bewijzen van Spinoza’. Van de Ethica gaat volgens Lenoir een ‘kalmerende, troostende kracht uit’ – en dat geldt wat mij betreft ook voor Vermeer.

Als gezegd vormen de gedeelten over Spinoza’s Ethica een sterk onderdeel van dit boek. Het altijd moeilijke onderscheid tussen Natura naturans en Natura naturata wordt bijvoorbeeld helder uiteen gezet, net als het verschil tussen inadequate en adequate ideeën en begrippen als ‘conatus’ en ‘eeuwigheid’.

Nederland in de tijd van Spinoza
Je zou verwachten, dat Lenoir door zijn eerder genoemde verwijzing naar Vermeer meer werk heeft gemaakt van het Nederland in de tijd van Spinoza. Dat is niet het geval. Hij wijst er wel op, dat Spinoza ‘vloeiend Vlaams, Portugees en Spaans sprak, Italiaans, Duits en Frans kon lezen en vier klassieke talen beheerste: het Hebreeuws van de Bijbel, het Aramees, het Grieks en het Latijn’. Nog afgezien van het feit dat Vlaams mij vreemd voorkomt, wordt niet genoemd dat Spinoza het Nederlands niet machtig was. Ook Lenoirs lof op het ‘tolerante land’ waar de familie zich vestigde, wordt de laatste tijd terecht wat genuanceerd.
Het contact met de mennonieten waar Lenoir in verband met Rijnsburg en de nabijheid van Leiden op wijst, bestond al in Amsterdam, waar het alleen in algemene zin wordt benoemd als ‘liberale christenen’. En tenslotte: de gedenksteen achter de Nieuwe Kerk in Den Haag staat niet ‘op de begraafplaats waar Spinoza ter aarde werd besteld’ (p. 87).

Dat geeft meteen al aan, dat Lenoir niet zoveel melding maakt van recentere ontdekkingen. Bijvoorbeeld die van Odille Vlessing aangaande het verband dat Spinoza de erfenis en zware schulden van zijn ouders niet aanvaardde (en dus geen eerbied voor zijn ouders had, conform de Tien Woorden) en de ban die over hem wordt uitgesproken. De mythe dat Spinoza een aanval met een dolk wist te ontwijken, wordt nog gewoon als vaststaand feit opgevoerd.

Ronduit in de fout gaat Lenoir, wanneer hij stelt dat het ‘optimistische denken van Montaigne wortelt in zijn lichamelijke kracht en levensvreugde’. Het laatste misschien, maar het eerste zeker niet; als iemand een zwakke gezondheid had, en daar ook over berichtte, dan was het wel Montaigne.

Tijdgebonden én voorloper
Vreemd is ook, dat Lenoir op pagina 13 schrijft dat Spinoza’s ‘boodschap niets heeft te vrezen van de tand des tijds of van tijdgebonden kenmerken’, en in de Conclusie dat wijst op wat in de wandeling de ‘zwarte pagina’s’ worden genoemd: Spinoza’s opvatting over vrouwen die je zowel tijdgebonden als, op z’n zachtst gezegd, zeer vrouwonvriendelijk kunt noemen. Overigens trapt Lenoir in zekere zin toch ook nog in deze val, wanneer hij boud vaststelt, ‘dat er in het denken van de grote filosofen oorverdovend wordt gezwegen over hun eigen lichamelijke sensibiliteit’. Correcter was wellicht geweest, als hij had geschreven: ‘in het denken van de grote mannelijke filosofen’.

Je kunt Spinoza niet ‘als de grondlegger van de Bijbelexegese’ in het algemeen beschouwen, wel van de historisch-kritische methode.
Er zou ook best meer aandacht geweest mogen zijn voor het feit dat bepaalde woorden, zoals ‘democratie’, in de tijd van Spinoza iets totaal anders betekenden dan in onze tijd, zonder dat hij daarin zo ver gaat als Victor Kal in een recent boek over Spinoza (De List van Spinoza) en het – volgens uitgever Prometheus – ‘in feite [heeft over] een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten’.

Soms vraag je je af of Lenoir bepaalde foute woorden bezigde, of dat de vertalers (Marga Blankestijn en Alexander van Kesteren) bezig zijn geweest. Clara-Maria van den Enden speelde zeker geen piano, het Nieuwe Testament is niet in het Latijn geschreven maar vertaald (Vulgaat). Tenslotte schemert duidelijk door de tekst heen dat Lenoir een rooms-katholieke achtergrond heeft. Op een gegeven moment is er zelfs sprake van ‘katholieke, christelijke’ autoriteiten en van een pastoor in een protestantse kerk.

Dit zijn voornamelijk (schoonheids)foutjes die verder geen al te grote afbreuk doen aan dit boek waar lang op is gewacht en dat zeker dienst zal kunnen doen voor mensen die meer van Spinoza’s denkwereld, met name diens hoofdwerk, de Ethica, te weten willen komen.

 

Frédéric Lenoir: Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud
Uitgeverij Balans, 2020
ISBN 978 94 638 2108 7
Prijs: € 19,99

Stop Filming Us

Omdat ik dacht iets op het spoor te zijn, dook ik in mijn archiefje met knipsels over de Afrikaanse filosofie en sociologie en begon ze te herlezen. Een recensie over het boek Socrates en Òrúnmìlà van Sophie Bósèdé Olúwolé, een interview met de Nigeriaanse socioloog Oyèrónké Oyewùmí.
Oléwolé ontzenuwt het idee dat er voor het koloniale tijdperk geen Afrikaanse filosofie zou hebben bestaan (dat idee is een overblijfsel van een koloniale ideologie) en plaatst het complementair-dualistisch denken (en-of) tegenover het Westerse dualisme (of-of), ervan uitgaande dat alles zowel uit materie als ideeën bestaat.
Oyewùmí stelt zich teweer tegen het idee dat haar cultuur door het Westen geciviliseerd zou moeten worden. In sommige opzichten, bijvoorbeeld ten aanzien van genderissues, is het Afrikaanse denken volgens haar juist verder dan het Westerse denken. Niet voor niets luidt de ondertitel van Oléwolé’s boek Wat we van Afrikaanse filosofie kunnen leren.

Hoe moeizaam dat leren gaat, bleek mij later op de dag toen ik op Picl Jan Postema’s film Stop Filming Us bekeek. Hierbij nam ik mee, wat ik ’s ochtends in de knipsels over Afrikaanse filosofie en sociologie had gelezen en eruit had opgestoken. Knipsels die niet hadden geleid tot een antwoord op de vraag waar ik naar op zoek was, maar die zo wel in een ander kader van nut bleken te zijn.

Een schokkende scène is  bijvoorbeeld die waarin filmer Bernadette Vivuya in het kantoor zit van het Institute Français in Goma. Op een gegeven moment vraagt de employé van het instituut of ze een computer heeft. Vivuya blijft beleefd, maar als kijker bevangt je plaatsvervangende schaamte.

Nog een schokkende scène. Een zwarte filmster filmt in opdracht de ellende (ebola, onlusten) van Congo. Op haar vraag waarom ze dit doet, antwoordt ze, dat ze dat dit gewoon haar opdracht is, maar dat ze het niet met een eenzijdige Westerse blik doet. Ze zal nooit een hongerig, naakt kind in beeld brengen. ‘Ik laat dingen en mensen in hun waarde’, zegt ze. Het blijft haken, dat woordje ‘dingen’ en in mijn gedachten komt het idee van Olúwolé op, dat er zowel materie als ideeën bestaan die allebei hun waarde hebben.

En een beeld tot slot, van Postema zelf. Hij hangt uit een autoraam en geeft wat kinderen die om de auto hangen een koekje. Zijn geluidsman spreekt hem erop aan: ‘Heb je ook aan de kinderen gevraagd of ze dit wel lusten?’ Postema antwoordt eenvoudig: ‘Nee’, zonder door te hebben waar het eigenlijk om draait.

Postema lijkt niet in staat echt diep te graven en zichzelf te bevragen, maar ondanks dat stelt deze film door zijn ogen, zijn verbijstering soms, en ook door de opmerkingen en de kijk van de mensen die hij filmt al genoeg vragen aan ons, kijkers. In die zin is het een film die lang nawerkt, net als de boeken van Olúwolé en Oyewùmí, en oproept tot zelfreflectie.

HOVO-cursus over Alain Badiou

HOVO Amsterdam komt in de zomer met een aantal interes–sante cursussen via ZOOM. Zo zal Ype de Boer op 22, 24, 29 juni en 1 juli a.s. vier colleges geven over de Franse filosoof Alain Badiou (1937, zie foto) onder de titel: Hedendaagse filosofie over liefde en geluk.

In mijn MA-scriptie, over het kwaad in de filosofie van Susan Neiman (1955) en bij de schrijver Philippe Claudel (Het kwaad denken), heb ik het begrip Ereigniës (drama, incident) in Claudels Het verslag van Brodeck verbonden met drie kernwoorden in het denken van deze Franse filosoof  en ethicus, schrijver, wiskundige, politiek activist én fluitist: evenement, waarheid en trouw. Deze kernwoorden vormen bij hem de strengen van een koord die de verschillende domeinen die hij onderscheidt (politiek, kunst, wetenschap en liefde) bij elkaar houden.

Evenement en waarheid
Het begrip evenement betekent bij Badiou: een belangrijke gebeurtenis die inbreekt in tijd en ruimte, zonder dat degene die het overkomt er controle over heeft. Een gebeuren met andere woorden dat in het leven ingrijpt en er een spoor door trekt.

Waarheid wordt bij Badiou aan het licht gebracht door één van de vier genoemde domeinen. Zij hebben tot taak de innerlijke samenhang ertussen te duiden. Waarheid voltrekt zich zowel bij Badiou als Claudel ná de Ereigniës, na het evenement. Misschien kun je dan ook beter spreken van waarmáken. Waarheid, of waarmaken, komt tot uiting in de manier waarop degene die het evenement overkwam er trouw aan blijft, dat wil zeggen zich opnieuw verhoudt tot de wereld, in de weg die hij vervolgens gaat.

De drie kernwoorden worden als gezegd bijeengehouden door verschillende domeinen die Badiou onderscheidt: politiek, kunst, wetenschap en liefde. Met name op kunst en liefde ga ik hier kort in.

Kunst
In zijn boek De twintigste eeuw gaat Badiou op een gegeven moment in op het doek Wit vierkant op witte achtergrond van de schilder Malevitsj (1878-1935): ‘het verschil tussen achtergrond en vorm en vooral het ontbrekende verschil van wit tot wit, het verschil van Hetzelfde, dat we het vervagende verschil kunnen noemen’. [1] Het wit op wit staat voor Badiou voor het minimale verschil dat een antwoord kan zijn op het gevaarlijke ideaal van een gedeelde identiteit die mensen uitsluit, zoals de vreemdelingen in de romans van Claudel.

Volgens Badiou leidt de aandacht voor verschillen, voor anders-zijn er alleen maar toe, dat we de waarheidsvraag en het universalisme van de waarheid uit het oog dreigen te verliezen. Een gebeurtenis, een Ereigniës, gaat het hele dorp in dezelfde mate aan en de waarheid beperkt zich niet tot een bepaalde, particuliere groep. In die zin wil Badiou aan het woord ‘jood’ geen particuliere betekenis hechten in de zin van uitverkiezing. Een uitzonderingsstatus is volgens hem hetzelfde als wat de nazi’s, in omgekeerde zin, deden.

Liefde
Tenslotte nog enkele woorden over het laatste kernwoord, ‘liefde’. De dynamiek hiervan beschouwt Badiou ook als een evenement, als een waarheidsprocedure om de titel van een essay van Dominiek Hoens aan te halen. Een proces van waarmaken. Badiou wijst de opvatting dat liefde eenwording is, af. Hij doet dat op grond van het feit dat wanneer je van eenwording spreekt, meervoudigheid wordt onderdrukt. Hij laat de ander, l’autre in de zin van Levinas met een kleine letter, zichzelf zijn, – en richt zich niet op de liefde als mystieke eenwording met l’Autre, de Ander met een hoofdletter, God.

Volgens Dominiek Hoens zou er nog een vijfde kernwoord door Badiou’s hoofd hebben gespeeld: theologie.[2] Ik denk echter dat dit eerder een brug is in de zin van Claudel, die verschillende oevers (politiek, kunst, wetenschap, liefde) met elkaar verbindt. Badiou betreedt die brug onder meer in zijn boek over de apostel Paulus (uitgave Ten Have, 2008, bezorgd door Dominiek Hoens).

Of De Boer daarop in zal gaan, weet ik niet. In ieder geval zullen tijdens de HOVO-cursus twee kernwoorden bij Badiou centraal staan: liefde en geluk. Ik zie ernaar uit.

[1] Alain Badiou, De twintigste eeuw. Kampen, Ten Have, 2006, p. 78.

[2] Dominiek Hoens, ‘Immanentie van het twee. Over liefde als waarheidsprocedure’. In: Het uur van de Waarheid. Alain Badiou – revolutionair denker. Red. Richard de Brabander. Kampen, Ten Have, 2006, p. 67-81.

Massimo Pigliucci – Handboek voor de moderne stoïcijn

Handboek voor de moderne stoïcijn : 52 oefeningen voor een evenwichtig leven / Massimo Pigliucci en Gregory Lopez ; vertaald door Ruud van de Plassche. – Utrecht : Ten Have, [2019]. – 349 pagina’s : illustraties ; 23 cm. – Vertaling van: A handbook for new stics : how to thrive in a world out of your control. – © 2019. – Vertaald uit het Engels. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-259-0741-9

Praktische aanvulling op de eerder verschenen, succesvolle inleiding op de stoïcijnse filosofie van de hand van Massimo Pigliucci: Hoe word je een stoïcijn? (2017). Of liever: hoe word ik een evenwichtiger mens, hoe leid ik een zinvol en gelukkig leven met behulp van de stoïcijnse filosofie? Echt stoïcijn worden is niet de bedoeling. Pigliucci is hoogleraar biologie en filosofie in New York; de medeauteur Gregory Lopez is een geestverwant, oprichter van The Stoic Fellowship. De wekelijkse oefeningen zijn ingedeeld binnen drie aandachtsgebieden: streven, handelen en instemmen alsmede – heel zinnig – conform de tweedeling wat wel en wat niet in onze macht ligt. In elk deel zitten vragenlijsten om de vorderingen bij te kunnen houden: één aan het begin en één aan het eind van de week, met ruimte voor het invullen van de antwoorden. De probleemsituaties die het uitgangspunt vormen, worden gevolgd door een klassieke tekst van een Grieks filosoof als Epictetus, inclusief toelichting. Een helder boek voor niet-filosofisch geschoolde lezers, dat uitstekend past binnen de grote aandacht voor levenskunst en psychologie. Met eindnoten en een lijst van Engelstalige bronnen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Heilige onrust, jawel

Het verhaal gaat dat Martin Buber eens aan het mediteren was en toen er op de deur werd geklopt, verstoord open deed. Er stonden twee jonge soldaten voor hem die advies vroegen of ze nu wel of niet in de oorlog moesten gaan vechten. Buber zei dat hij bezig was en sloot de deur. Van dit voorval heeft hij zoveel wroeging gehad, dat het zijn leven op de kop zette en er een ‘heilige onrust’ over hem kwam.

Een andere joodse denker, Spinoza, die vele eeuwen eerder leefde maar net als Buber nog steeds veel te zeggen heeft, streefde zijn hele leven naar gemoedsrust. Niet iets ‘voor later’, maar in het hier en nu. Hij schreef erover in het laatste, meer mystieke in plaats van rationele deel van zijn Ethica, dat sommige mensen er niet helemaal bij vinden horen, maar juist door dit deel raakt hij veel mensen; ook ik schreef er eerder een blog over.

Je kunt natuurlijk proberen tot een synthese te komen: een heilige onrust aan de ene kant en gemoedsrust aan de andere kant. Je in het leven inzetten voor anderen en ook aandacht schenken aan je eigen gemoed. En misschien kan het een zelfs niet zonder het ander; ‘Heb uw naaste lief als uzelf’ heet het immers.

Frits de Lange lijkt, als ik afga op wat hij gisteren zei bij de presentatie van zijn boek Heilige onrust in een interview met Gerhard Scholte (predikant van de Amsterdamse Keizersgrachtkerk) wat op met beide manieren om in het leven te staan. Als uitgangspunt voor zijn boek koos hij de metafoor van de pelgrim, zoals Abraham op weg ging. Maar je kunt, zei hij, ook voor een andere metafoor kiezen, bijvoorbeeld van de vluchteling, en dan bij de mystiek uitkomen.

Volgens Tom de Haan (stadspredikant in Haarlem) heeft De Lange niet alles achter zich gelaten, maar is in beweging gekomen. De theologie als bewegingsleer heeft oude papieren: God als belofte, als evenement. Het gaat hem om verlangen, om hoop. Om de moed om je thuisland te herontdekken en dáár momenten van eeuwigheid te vinden.

De vraag is nu welke onrust heilig is. De Lange antwoordde dat hij het zoekt in transcendentie, en die is niet alleen te vinden in bijvoorbeeld het overschrijdende van muziek, maar ook in de ‘ander die je in de reden valt.’ En misschien mag je, met Levinas – al viel diens naam niet – daarvoor ook de Ander lezen, want de Naam God kan De Lange toch niet missen. In ieder geval wordt die ander volgens De Lange belichaamd door de Barmhartige Samaritaan en door de profeten uit Tenach.

Uit de zaal kwamen twee vragen die raak aansloten op de tweedeling die ik hiervoor beschreef en bij De Lange proef. Geesje Werkman (oud-medewerker voor de vluchtelingen bij Kerk in Actie) leek het boek Heilige onrust typisch het product van een babyboomer. Zij vulde aan, en dit werd door De Lange hartgrondig beaamd, dat vluchtelingen juist rust zoeken. Het boek, en het uitgangspunt van de pelgrim, is dus duidelijk cultureel bepaald.
De tweede vraag kwam van Wilken Veen (predikant van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie). Hij zag een dubbelheid in het boek: postreligiositeit aan de ene kant en ‘hart van religie’ (de ondertitel) aan de andere kant. Hij merkte op dat dit in het boek – dat hij al dank zij bol.com had kunnen lezen – niet wordt uitgewerkt. Betekent dit nu een terugvluchten naar de religie? De Lange reageerde wat geïrriteerd: ‘post’ is een voorvoegsel dat in het hele boek niet voorkomt en het hart van de religie wordt gevormd door geloven. De dubbelheid wordt in het boek niet opgelost, juist niet opgelost omdat de auteur dit wilde laten staan.

Toen ik thuiskwam van deze boekpresentatie, die was georganiseerd door uitgever Ten Have en de Keizersgrachtkerk, lag er een enveloppe van vrienden in mijn brievenbus met een orde van dienst van St. James’s Church Piccadilly (Londen), de kerk waar ik verleden week op Hemelvaartsdag een dienst bijwoonde die indruk op mij maakte. Er zat een inlegvel in dat dit ook niet naliet te doen: over het idee om in 2018 een pelgrimstocht te organiseren in het teken van ‘human rights and the Holocaust.’ Op die reis wordt het huis van Dietrich Bonhoeffer in Berlijn bezocht, het centrum voor dialoog en gebed in Krakau, Auschwitz en het gerechtshof in Neurenberg waar de processen plaatsvonden. Muziek zal ook deel uitmaken van de pelgrimage. Wat belooft dat een indrukwekkende pelgrimstocht te worden! Heilige onrust, jawel.

www.sjp.org.uk

 

God in Nederland

God in Nederland

De Bron_Amsterdam

Gisteren woonde ik een dankdienst bij voor het leven van een achternicht die op 98-jarige leeftijd is overleden. En als zo vaak werd ik heen-en-weer geslingerd in het weten: ja, daarom ga ik (nog, als je het rapport God in Nederland mag geloven) naar de kerk. En een: wáárom ga ik nog naar de kerk als er zulke taal wordt gebezigd?

Ja, daarom!
De dochter van de overledene vertelde mij na afloop dat ze via de overdenking de bijeen gekomen familie, vrienden en bekenden wat mee had willen geven. En dat is haar gelukt. Haar moeder had – net als mijn moeder – tot vlak voor haar dood telkens om water gevraagd. Op een gegeven moment (zij vatte dit letterlijk op) tot haar doordrong, dat haar moeder eigenlijk en misschien wel meer vroeg om Bijbels water.
Op dat inzicht waren enkele liederen in de dienst uitgezocht: De Heer is mijn Herder en: U kennen, uit en tot u leven:

Gij zijt het water ons ten leven;
de bronnen van de eeuwigheid
zijn ons ter lafenis gegeven,
zijn doorgebroken in de tijd.
O Gij die als een bron ontspringt
in elk die tot U komt en drinkt.

Nee, waarom?
Dergelijke mooie gedachten moesten het in de overdenking van een rooms-katholieke pastor die de overledene had gekend als bewoonster van het huis waar zij geestelijk verzorgster is, opnemen tegen ideeën die ze blijkbaar kwijt moest, al hebben ze voor zover ik weet niets te maken met het gedachtegoed van mijn achternicht.
De pastor bracht de vluchtelingencrisis ter sprake. Deze werd in verband gebracht met het ‘Eigen volk eerst’, wat in één adem (een slechte adem, zou ik zeggen) werd doorgetrokken naar “de” Israëliërs en “de” Palestijnen. En ja, Jezus had dit natuurlijk doorbroken. De jood Jezus, was Hij eerder genoemd. Een fijne nuance nietwaar.
Als je op internet gaat zoeken, vind je het verband met ‘Eigen volk eerst’ vaker. Op antizionistische en antisemitische sites wel te verstaan. Dat dergelijke ideeën nog steeds, en door het conflict in het Midden-Oosten steeds sterker de kerk in sijpelen, zou tot een weerwoord moeten oproepen. Ik heb dat gisteren niet gedaan, want de gelegenheid vroeg daar niet om.
Maar het slotlied, Wat de toekomst brenge mogen, heb ik daardoor wel met een gemengd gevoel meegezongen.

In gesprek met Ida Gerhardt

koenen-gerhardt-2014-191x300In één van de recensies over het boek met een interview, brieven, gedichten en beschouwingen dat Maria de Groot verzamelde onder de titel In gesprek met Ida Gerhardt (2e druk 2003, uitg. Ten Have), schijnt te hebben gestaan, dat er geen sprake van kan zijn van een gesprek, omdat het hier grotendeels éénrichtingverkeer betrof; de brieven van Maria de Groot zijn bijvoorbeeld niet opgenomen. Het is kritiek die ik niet helemaal kan delen, en verwoordde in een artikel in Quadraatschrift (april 2003, p. 11), dat ik hier n.a.v. het verschijnen van de biografie Dwars tegen de keer van Mieke Koenen herplaats; Mieke Koenen komt daarin ook voor.


De brieven

Om te beginnen moet ik onwillekeurig denken aan de titel van het lange gedicht Twee uur: de klokken antwoordden elkaar, dat Ida Gerhardt in mei 1971 schreef. In dit gedicht gaat het op een gegeven moment over ‘de opdracht steeds gesteld: de dialoog’, het doordringen van de logos, dia-logos. Een dialoog die je ook zélf, zonder de brieven van Maria de Groot, met de gedichten van Ida Gerhardt en een boek als dit kunt aangaan. Waarbij wij ons, net als bij het lezen van Bijbelse brieven, goed moeten realiseren ‘dat het zeer riskant is de brieven van anderen te lezen. Wij zijn immers schrijver noch adressant, en staan er in zoverre bij én ernaast’ (Sytze de Vries in: Quadraatschrift, nov. 2002, p. 13).

Ook Ida Gerhardt heeft zich, in haar gedicht Brieven aan vrienden, op de gevaren van het lezen van brieven gewezen:

           Achter een woord verscholen
           leeft het geheime leven.
          Gij moet u daar niet begeven.

Alleen daarom al past bescheidenheid én dankbaarheid dat Maria de Groot ons heeft willen laten delen in zoveel persoonlijks. Dankbaarheid omdat zij dit wat er nu ligt aan de openbaarheid prijs gaf in de wetenschap dat voor haar het ‘in gesprek zijn met’ de sleutel is om Ida Gerhardts ‘werk te begrijpen’ (p. 8).

De Groot doet dit, met het accent op het vrouwelijke ‘ontvangende’ karakter van Gerhardts poëzie (p. 15), zoals dit voor haar onder andere blijkt uit het gedicht Dankzegging uit de bundel Buiten schot. Maar gelukkig zal zij de laatste zijn, om te ontkennen dat er ook andere leeswijzen mogelijk zijn (p. 17).

Mieke Koenen
Interessant is om in dit verband Maria de Groots interpretatie van het hiervoor genoemde gedicht Twee uur: de klokken antwoordden elkaar te vergelijken met die van Mieke Koenen, auteur van niet alleen Dwars tegen de keer, maar ook van het boek Stralend in gestrenge samenhang (Historische Uitgeverij Groningen). Koenen ontvouwde deze tijdens de cursus Ida Gerhardt en de klassieke filosofen van de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden (23 november 2002).

Waar bij Maria de Groot in het beeld van de verbranding van ‘een stijf omsnoerende stapel schriften’ herinneringen worden opgeroepen aan ‘de verbranding van boeken door het nazibewind en daarop volgend de verbranding van mensen in de holocaust, en in de 21ste eeuw de verbranding van dieren als gevolg van ziekten en een slecht beheer’ (p. 71), blijft Mieke Koenen mijns inziens dichter bij de tekst en zegt nadrukkelijk dat het hier niet om het verbranden van boeken gaat, maar van interpretaties. De brandstapel wordt immers ‘symbool van een regime’ genoemd waar het vertalen in versvoeten belangrijker is dan wat beide interpreten, De Groot en Koenen, als het centrale idee van het gedicht zien:

            eerbied voor elkaar,
            dit simpelste, nog altijd onbereikt.

Zelf lijkt Gerhardt dit wel te hebben bereikt ten aanzien van (gedichten van) Maria de Groot. In de in het boek opgenomen brieven geeft zij hier blijk van. Het is interessant om de gedichten van Maria de Groot die Gerhardt zich telkens weer door Marie van der Zeyde liet voorlezen, erop na te slaan en je af te vragen waarom juist deze gedichten hen raakten. Ook zó ontstaat een vorm van dialoog, tussen de brieven uit het boek en de gedichten van De Groot. De hoofdpersoon ben je dan, al lezend en reflecterend, zelf geworden.