Katrien Ruytjens – Ruimte voor het onverwachte

Ruimte voor het onverwachte / Katrien Ruytjens, Ellen Van Stichel. – Leuven : Lannoo Campus, [2016]. – 133 pagina’s : illustraties ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-43805-6

Elk hoofdstuk in dit boek is opgedeeld in verschillende, ook door afwijkende papierkleur
onderscheiden gedeeltes: een inleiding, hoofdtekst en ervaringen uit andere boeken, verhalen uit het leven of gedichten. Zij behandelen c.q. onder-steunen tezamen de onderwerpen die aan de orde komen. Dat zijn: wachten, verwachten en open staan voor het onverwachte; het lichaam waarvan je kunt genieten maar dat ook last kan bezorgen; kinderwens, zwangerschap en ouderschap; nare gebeurtenissen in leven en sterven; angst, de klimaat- en vluchtelingencrisis en de maakbare samenleving. De beide auteurs zijn theoloog en grijpen terug op het gelijk-namige boek en gedachtegoed van Trees Dehaene (1996). Dit boek past in een tijd die om aandachtig leven vraagt. Toegankelijk geschreven gezinshulpboek over het leven van de wieg tot het graf.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Mene, mene tekel

ai-weiweifrantz

De eerste helft van de tentoonstelling met foto- en beeldhouwwerk van Ai Weiwei (foto links), #SafePassage (die t/m 7 december te zien is in FOAM, Amsterdam) bestaat uit foto’s die de kunstenaar in China maakte, de tweede helft gaat over de vluchtelingencrisis waarmee Weiwei zich verwant voelt. Het gaat mij hier om de eerste helft.

Tussen alle kleurenfoto’s die worden getoond, zit er één die eruit springt. Het is de laatste van eenentwintig foto’s die hij op 28 juli 2011 in het Bifengtang Restaurant in Beijing maakte. De enige die zwart-wit is en de reeks van twintig kleurenfoto’s afsluit. Er staat een undercover-agent op die naarstig zijn menukaart bestudeert. Zonder iets te hebben besteld, zoals op een fotobijschrift staat. Gesnapt in een snapshot.

Ik zie tijdens de op één na laatste dag deze tentoonstelling, nadat ik de dag begonnen was met de film Frantz (foto rechts) van regisseur François Ozon, naar het boek Broken Lullaby van Ernst Lubitsch. De film is grotendeels in zwart-wit gedraaid. Op het eind wordt overgeschakeld naar kleurenbeeld. Volgens de Filmkrant zijn daar twee redenen voor:

  1. De Duitser Adrien heeft een beetje kleur gebracht in het bestaan van de Franse Anna en de ouders van haar overleden verloofde, de Hoffmeisters
  2. Het morele grijsgebied van Frantz wordt door die kleuren nog complexer dan het in zwart-wit al was.

Als je, zoals ik net na het zien van de film aansluitend de tentoonstelling van Ai Weiwei in FOAM ziet, doemen nog andere betekenissen op van dat verschil tussen zwart-wit en kleur (Frantz) of kleur en zwart-wit (#SafePassage).

Om te beginnen veroorzaakt de overgang van kleur naar zwart-wit of van zwart-wit naar kleur natuurlijk een breuk. En ook weer niet, want het verhaal van de foto’s en de film zelf gaat dóór. Dat stoelt op een geschiedopvatting die haaks staat op die waarin de Eerste (en de Tweede) Wereldoorlog worden beschouwd als een breuk in de geschiedenis: je mag ze met geen andere oorlog of genocide vergelijken. Dat impliceert echter twee dingen:

  1. Dat de oorlog op die manier niet wordt geplaatst in de doorgaande lijn van het kwaad dat mensen wordt aangedaan
  2. Dat daarmee wordt ontkend, dat wat ‘eenmaal is gebeurd, weer kan gebeuren (…). Er is iets onherroepelijks gebeurd en het beeld van de mens is sindsdien veranderd.’ Op die manier blijft de Tweede Wereldoorlog, net zo goed als de Grote Oorlog ‘een mene tekel van de ontketende moderne tijd’.[1]

Op die manier bekeken staat het zwart-wit waar Ai Weiwei naar overstapt symbool voor het mene tekel waar Safranksi het over heeft: geworteld in het verleden. En vanuit datzelfde uitgangspunt zijn de kleuren waarmee Ozon zijn film verblindend afsluit óók een teken. Een teken van hoop. Een derde betekenis die je er, naast de twee die in de recensie in de Filmkrant worden genoemd, ook aan mag hechten. Vast en zeker.

[1] Rüdiger Safranski, Het kwaad (10e druk ; Amsterdam 2011) 224. Mene, mene, tekel, ufarsin is een teken uit het Bijbelboek Daniël dat wil zeggen: geteld, geteld, gewogen, gebroken.

God in Nederland

God in Nederland

De Bron_Amsterdam

Gisteren woonde ik een dankdienst bij voor het leven van een achternicht die op 98-jarige leeftijd is overleden. En als zo vaak werd ik heen-en-weer geslingerd in het weten: ja, daarom ga ik (nog, als je het rapport God in Nederland mag geloven) naar de kerk. En een: wáárom ga ik nog naar de kerk als er zulke taal wordt gebezigd?

Ja, daarom!
De dochter van de overledene vertelde mij na afloop dat ze via de overdenking de bijeen gekomen familie, vrienden en bekenden wat mee had willen geven. En dat is haar gelukt. Haar moeder had – net als mijn moeder – tot vlak voor haar dood telkens om water gevraagd. Op een gegeven moment (zij vatte dit letterlijk op) tot haar doordrong, dat haar moeder eigenlijk en misschien wel meer vroeg om Bijbels water.
Op dat inzicht waren enkele liederen in de dienst uitgezocht: De Heer is mijn Herder en: U kennen, uit en tot u leven:

Gij zijt het water ons ten leven;
de bronnen van de eeuwigheid
zijn ons ter lafenis gegeven,
zijn doorgebroken in de tijd.
O Gij die als een bron ontspringt
in elk die tot U komt en drinkt.

Nee, waarom?
Dergelijke mooie gedachten moesten het in de overdenking van een rooms-katholieke pastor die de overledene had gekend als bewoonster van het huis waar zij geestelijk verzorgster is, opnemen tegen ideeën die ze blijkbaar kwijt moest, al hebben ze voor zover ik weet niets te maken met het gedachtegoed van mijn achternicht.
De pastor bracht de vluchtelingencrisis ter sprake. Deze werd in verband gebracht met het ‘Eigen volk eerst’, wat in één adem (een slechte adem, zou ik zeggen) werd doorgetrokken naar “de” Israëliërs en “de” Palestijnen. En ja, Jezus had dit natuurlijk doorbroken. De jood Jezus, was Hij eerder genoemd. Een fijne nuance nietwaar.
Als je op internet gaat zoeken, vind je het verband met ‘Eigen volk eerst’ vaker. Op antizionistische en antisemitische sites wel te verstaan. Dat dergelijke ideeën nog steeds, en door het conflict in het Midden-Oosten steeds sterker de kerk in sijpelen, zou tot een weerwoord moeten oproepen. Ik heb dat gisteren niet gedaan, want de gelegenheid vroeg daar niet om.
Maar het slotlied, Wat de toekomst brenge mogen, heb ik daardoor wel met een gemengd gevoel meegezongen.