Parsifal van Wagner

Elk jaar probeer ik in de veertigdagentijd een voor mij tot dan onbekend stuk Passie-muziek te beluisteren. Dit jaar viel de keus op Wagners laatste opera, Parsifal (1882). Het lijkt een vreemde eend in de bijt na Golgotha van Frank Marin, de Johannes Passion van Arvo Pärt, Deus Passus van Wolfgang Rihm en de Brockes Passion van Händel, maar dat is het niet. In veel landen – waaronder België – is het programmeren of uitzenden van Parsifal rond Goede Vrijdag een traditie, zoals bij ons het uitvoeren van Bachs Matthäus Passion.

Mijn keus viel op een uitzending op Stingray Classica NL, een opvoering uit 2016 in het Teatro Real van Madrid. In de regie van Claus Guth, die ook in Amsterdam enkele producties regisseerde, en onder leiding van de ook in Nederland bekende dirigent Seymon Bychkov. Hoewel ik tot nu toe geen enkel vergelijkingsmateriaal heb, denk ik dat ik met deze opvoering met mijn neus in de boter ben gevallen.

Parsifal
Eerst kort iets over de opera zelf. Wagner baseerde zijn libretto op de geschiedenis van Parzival van Wolfram von Eschenbach (ca. 1210). Hij verweefde er ook elementen in uit de filosofie van Schopenhauer en tal van verwijzingen naar het lijdensverhaal van Jezus van Nazareth.
De belangrijkste personages zijn Parsifal (in Madrid gezongen en gespeeld door de bekende Duitse Wagnerzanger Klaus Florian Vogt), Klingson (de Russische bas-bariton Evgeny Nitikin) en Kundry (de Duits-Italiaanse sopraan Anja Kampe).
De belangrijkste attributen bij Von Eschenbach zijn een kelk en een speer, bij Wagner zijn dit de Graal en een speer. Bij de enscenering is gekeken naar het sanatorium zoals Thomas Mann dat in zijn Zauberberg beschreef. Het sanatorium staat bij Mann symbool voor een zieke samenleving voor de Eerste Wereldoorlog. Guth verplaatst het idee ná de Eerste Wereldoorlog. Het sanatorium wordt bevolkt door gewonde soldaten, die we ook op de videobeelden voorbij zien komen. Daarbij is de 180graden-regel toegepast door middel van het fenomeen shot-tegenschot; de ene keer zien we de soldaten het beeld in lopen, een andere keer lopen ze juist het beeld uit. De regel zien we vaker terug; zo klimt Amfortas, de gewonde koning van de ridders (de Duitse bariton Detlef Roth) moeizaam boven in beeld een hoge trap naar rechts op, terwijl onder in beeld Klingstor, steunend op een stok, naar links, naar een deur loopt.

Omdat ik als gezegd enerzijds Parsifal voor het eerst zag en dit anderzijds gebeurde binnen de context van de veertigdagentijd, ontsla ik mijzelf van het schrijven van een recensie, maar leg in deze blog de nadruk op de beelden en gevoelens die deze specifieke opvoering bij mij opriepen.

Echo’s
Het zijn vooral echo’s van beelden die mij viereneenhalf uur rechtop in mijn stoel hielden. Om te beginnen de boog van Parsifal, waarmee hij een zwaan doodde, die echode met de kruk waarop één van de soldaten steunde. Het deed me denken aan het geneigde hoofd van een zanger op hetzelfde moment dat een gambiste haar hoofd neigde in een uitvoering van Bachs Matthäus Passion (2012) onder leiding van Ivan Fischer (die op Palmzondag op NPO4 te horen was). Het is het beeld van Klingsor die met zijn hand steun zoekt op de muur, zoals één van de soldaten, die blind is, de muur aftast. Die muur krijgt zo extra betekenis, zoals joden de Klaagmuur in Jeruzalem aanraken.

Verhullen en onthullen
Behalve echo’s zijn het ook tegengestelden die opvallen. Aan het begin ligt er een wit kleed over de Graal, die zo op net zo’n manier wordt verhuld als Kundry, die een witte shawl omgeslagen krijgt en Parsifal, de reine dwaas (Fal Parsi) zijn jas over de schouders van een gewonde soldaat werpt. Later wordt de Graal uiteraard onthuld, als was het een kunstwerk. Even glimpen de ideeën op die Schopenhauer over de grote waarde van kunst had.

Soms werpen de personages die over het toneel lopen, een schaduw op dezelfde muur waar Klingsor en een soldaat tastend langsliepen. Zo verhullen ze, als in de Grot-allegorie van Plato, hun ware zijn.
Het toneel wordt op het eind steeds donkerder, wat een terugkeer naar de wereld, het Da-sein van na de Eerste Wereldoorlog en het interbellum voor de Tweede lijkt te verbeelden. Niet voor niets staat op dat moment een militair in plaats van koning Amfortas naast Gurnemanz, hoeder van de burcht die als een priester gekleed gaat. Een huiveringwekkend beeld. De rol van Gurnemanz werd in Madrid gezongen en gespeeld de Duitse bas Franz-Josef Selig, die nota bene eerst kerkmuziek studeerde.

Christelijke beelden
Tenslotte enkele aan het Christendom ontleende beelden die mij raakten.
Eerst de doop. Gurnemanz doopt Parsifal, zalft en zegent zijn hoofd zoals Johannes de Doper Jezus van Nazareth doopte. Parsifal doopt Kundry. Kundry op haar beurt wast en zalft op zijn beurt Parsifals voeten en droogt deze, als was ze Maria Magdalena, af met haar lange haar.
Herkenbare elementen, die echter niet verward mogen worden met de boodschap die het Christendom erin legt. Op mij werkte het allemaal uit als het tegenovergestelde (sacraliteit) van geseculariseerde, verwereldlijkte beelden. Wat een opera, wat een doordachte enscenering, wat een opvoering die mij zomaar in de schoot werd geworpen, op een zondagmiddag in de veertigdagentijd.

Elegant en intiem

Ian Buruma krijgt de Gouden Ganzenveer 2019 voor zijn werk dat, volgens de jury, getuigt van ‘een groot verantwoordelijkheidsbesef’. Dat is helemaal waar en beter te vatten dan het gegeven dat – ook een uitgangspunt bij het toekennen van de prijs – grote verdiensten heeft voor ‘het Nederlands geschreven en gedrukte woord’.

Lees het nawoord van zijn prachtige boek Hun beloofde land er maar op na: Buruma schrijft zijn boeken uitsluitend in het Engels. Ze komen dus in Nederlandse vertaling tot ons.
Ik heb dit boek er maar weer eens bij gepakt en ik raad iedereen aan dit ook te doen.
Buruma vertelt in dit boek op basis van hun briefwisseling het verhaal van zijn Duits-joodse grootouders, Ben en Win, die Engelser werden dan Engels. ‘Zorgvuldig en mooi geschreven (…), elegant en intiem’ aldus Philip Roth op de achterflap. Ik kan het alleen maar beamen.

Hier en daar heb ik streepjes of een vraagtekentje in de kantlijn geplaatst: op twee ervan ga ik hier in. Het eerste vormt de aanleiding tot deze blog: een foto van ‘een nog heel jonge rabbi Zimet’, op een trap zittend, tokkelend op een mandoline en een lied zingend met twaalf pleegkinderen. Ik kan het mis hebben, maar het lijkt me toch eerder een luit te zijn op die foto (zie afb. rechts boven).

Dit voert me naar het tweede streepje: naar de zinsneden ‘Wins gevoelens waren wat ingewikkeld doordat ze, buiten de Duits-Joodse band met de klassieke muziek, geen religieuze of culturele traditie had, maar blijkbaar was het voor Bernard zelf ook niet altijd helemaal duidelijk waar hij zich het meest thuis voelde’.

Ik moet denken aan een hoofdstuk over weliswaar ‘De terugkeer van de blokfluit’ (in: De blokfluit en zijn muziek van Edgar Hunt, 1966). Hoewel het dus niet over de luit gaat, geeft Hunt wel een goed beeld van de Engelse en Duitse wedergeboorte van oude instrumenten als de blokfluit, maar terzijde ook de luit en de viola da gamba in de tijd die Buruma ook beschrijft: voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In Engeland was het Arnold Dolmetsch (1858-1940) die zich in die oude instrumenten verdiepte, in Duitsland onder meer Max Seiffert (1868-1948). Dat de blokfluit ook het instrument werd van de Hitlerjugend is navrant. Wat rabbi Zimet met de kinderen op de trap zong, was ongetwijfeld een volksliedje. Dat paste in dat tijdsgewricht.
De oude instrumenten werden uiteindelijk als volwaardige instrumenten beschouwd, en niet langer ‘voorlopers’ van de dwarsfluit, gitaar of cello.

Juist die verhouding tussen Engeland (patriottische volksmuziek) en Duitsland (nationalistische muziek)  zou het verhaal van Buruma aangaande muziek(instrumenten) nog een diepere laag hebben kunnen geven. Maar niet getreurd – hij is, volgens een recent interview bij Eva Jinek, alweer met een nieuw boek bezig. Ik ben, en blijf, benieuwd!

Vergulde klanken

Blog n.a.v. komende concertserie met de zes Concerti armonici van Unico Wilhelm van Wassenaer door het Amsterdam Baroque Orchestra o.l.v. Ton Koopman.

Eens in de maand leidt ik een muziekclubje in een verzorgingshuis.Nog nooit heeft een middag zoveel stof doen opwaaien als uitgerekend eentje over barokmuziek in de Nederlanden. Ik had gekozen voor muziek van Carel Hacquart, Unico Wilhelm van Wassenaer en Pieter Hellendaal. Heel onschuldig, zou je denken, maar daar dachten de mensen uit ‘mijn’ clubje heel anders over.

Ze vonden de muziek ‘saai’, ‘overladen door een adellijke parfum’, ‘afstandelijk’ en ga zo maar door. Die componisten hadden volgens hen hun oren laten hangen naar hun opdrachtgever/mecenas (twee advocaten, in het geval van Hacquart). Alleen Hellendaal leek in eerste instantie de toets der kritiek te kunnen doorstaan.
Kwam het nu omdat ik had verteld dat Van Wassenaer van adel was en dat ze daar niets mee hadden, en dat Hellendaals muziek soms lekker tegen volkse, ruige muziek aanhing en door iemand als de violiste Antoinette Lohmann ook als zodanig wordt uitgevoerd?

Toen kwam er opeens de mening van een mevrouw die vond dat die Hacquart het eigenlijk toch ook wel heel góed had gedaan: ‘Want die twee viola da gamba’s die cirkelen zo mooi om elkaar heen, die gingen met elkaar in gesprek’. Een schitterende constatering van iemand die goed had zitten luisteren – daar doe je het voor, voor zó’n gesprek. Ik ging helemaal vrolijk naar huis, en de ouderen hoop ik uiteindelijk ook. Een ervaring rijker.

Het deed me een beetje denken aan het gedicht ‘Mozart’ van Martinus Nijhoff, waarbij het de vraag is en blijft of hij hem wel recht heeft gedaan, zoals wij die middag de muziek van met name Unico Wilhelm van Wassenaer. Het luidt aldus:

Het vroege zonlicht trilt in de cypressen,
Drijft als een blonde schaduw over ‘t gras
En stroomt, huiv’rend in ‘t hooge vensterglas,
In ‘t blank boudoir der grijzende comtesse.

Dezelfde dag moest steeds opnieuw gebeuren,
– Hoor den gekooiden vogel boven haar –
Weer buigt haar witgepoederd kapsel naar
‘t Borduurwerk van verguld en bonte kleuren.  

Op ‘t zelfde uur wordt iemand ingelaten
Die zwijgend buigt en voor ‘t klavier zich zet,
En uit het oude hart van ‘t zwak spinet
Waait de verwelkte geur van een sonate.  

Zij volgt zijn handen langs de gele toetsen,
– De thema’s keeren telkens weer terug –
En ziet door ‘t zijraam de oprijlaan, de brug,
De wandelaars, de miniature koetsen.

https://oudemuziek.nl/musici/som-1819-amsterdam-baroque-orchestra/
https://youtu.be/7Q5Nten4RII

Een schitterend vergeten leven

Boumans_Schitterend vergeten levenEen schitterend vergeten leven : de eeuw van Frieda Belinfante / Toni Boumans.  – Amsterdam : Uitgeverij Balans, [2015]. – 376 pagina’s, 24 ongenummerde pagina’s, platen : illustraties ; 23 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-600-3815-0

Toni Boumans geeft een eerlijk beeld van Frieda Belinfante (1904-1995): een doorzetter, pedagogisch sterk, maar ook bazig. Zelf noemt de radio- en
televisiejournaliste haar boek ‘niet meer dan een eenvoudige chronologische weerslag van de belangrijkste momenten’ uit het leven van Belinfante. Van psychologische duidingen, aangaande bijvoorbeeld haar lesbische liefdesleven, houdt zij zich verre. Belinfante studeerde cello. Dat ze ook viola da gamba speelde, is tamelijk uitzonderlijk voor die tijd, en een feit waar de auteur niet op ingaat. Later was ze voor alles dirigent. Tijdens de oorlog zat zij in het verzet en was betrokken bij de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister. Ze vlucht naar Zwitserland. Terug in Nederland was ze gedesillusioneerd. Ze emigreerde naar Amerika en pakte het gambaspelen weer op, dirigeerde, gaf les en organiseerde onder andere school- en jeugdconcerten. Door discussies, ruzies en machtsspelletjes brak haar carrière en verbitterde ze. Op ziektes die haar overvielen reageerde ze gelaten. Mooie, evenwichtige biografie van een interessante vrouw. Gezien de breedte van het denken en doen van Frieda Belinfante is het een boek voor een breed publiek.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen. Geplaatst in week 13 (2015).