Betrokken raken in een gesprek

Theo Witvliet heeft een prachtig essay geschreven over het humanisme van Martin Buber. Eigenlijk moet ik zeggen: Theo Witvliet heeft wéér een prachtig boek geschreven, na onder meer Het geheim van het lege midden (2004). Meteen aan het begin deelt hij al zijn inzicht op Buber met de lezer: ‘Wie op de een of andere manier geraakt wordt door wat de heilige geschriften te vertellen hebben, ontvangt geen kant en klare waarheid, maar raakt betrokken in een gesprek.’ Met God en als mensen onderling, in de wetenschap dat er voor Buber geen scheiding bestaat tussen ‘leven in de wereld’ en ‘leven in God’, tussen het leven van alledag en de cultus van religie. Een gewone gebeurtenis kan heel bijzonder zijn. ‘Het is de opdracht van de mens de breuken te helen tussen God en wereld, materie en geest, heilig en profaan, en ook tussen mensen en volken onderling.’

Niet dat er niets meer te wensen zou zijn. Wanneer Witvliet bijvoorbeeld vertelt over het bezoek dat Gershom Scholem, de grote kenner van de joodse mystiek, uitgerekend in 1943 aan Buber bracht, en zijn bezwaren uit tegen Bubers interpretatie van het chassidisme (Kafka zou dat ook doen), was Bubers antwoord dat het hem totaal niet interesseerde. Al dan niet in de voetsporen van Eric Kurlanders boek Hitler’s monsters: u supernatural history of the Third Reich had Buber dieper kunnen pijlen.

Witvliet heeft overigens wel gelijk wanneer hij zegt dat Bubers denken ‘meer is dan een spiegeling van twee wereldoorlogen, van de Shoah en van het gevecht om de staat Israël.’ Dat heeft volgens hem te maken met drie inspiratiebronnen:

  1. Het chassidisme
  2. De bevrijding uit de slavernij
  3. Het woord jichoed (eenheid), dat verwijst naar het Sjema Israël (Deut. 6:4).

Witvliet schrijft in verband met het laatste dat hij ‘echte gemeenschap niet vaak heeft meegemaakt. Maar de enkele keer dat ik echt iets van gemeenschap voelde, waren juist momenten waar mensen van verschillende achtergronden en culturen bij elkaar waren.’ Zo licht een stukje van het rijke leven van de theoloog Witvliet op, in contact met anderen en daarmee ook het dialogische aspect dat kenmerkend is voor Martin Buber doordenkend. Een mooi boek, dat is het.


Theo Witvliet: Kwaliteit van leven. Het humanisme van Martin Buber (uitg. Skandalon, 2017). ISBN 978-94-92183-39-2, € 19,95

IJzersterk

Maarten ’t Hart richtte in het televisieprogramma VPRO Boeken als vanouds zijn pijlen op het christendom als een louter negatieve bron, Sybrand Buma creëerde in zijn H.J. Schoo-lezing – als ik Janneke Stegeman, Theoloog des vaderlands in Buitenhof even later mag geloven – een christendom dat helemaal niet bestaat, een geïdealiseerd verleden. Twee uitersten: het christendom als louter negatieve bron en een christendom als louter positieve bron, terwijl er talrijke nuanceringen vallen aan te brengen.

Volgens ’t Hart woont God op een ster, zoveel lichtjaren van ons verwijderd zodat er veel tijd zit tussen een gebed en Zijn reactie, bijvoorbeeld in de vorm van een aardbeving (!). Daarom worden volgens hem gebeden niet direct verhoord.
De komende tijd gaat de Talmoedstudiegroep waar ik deel van uit maak zich verdiepen over wat in de Talmoed wordt gezegd over het gebed. Hieronder plaats ik een niet uitgesproken, aan het slot iets voor deze blog aangevulde inleiding over dit thema die een andere kijk op het gebed geeft dan die van Maarten ’t Hart, die meende dat zijn redenering ‘ijzersterk’ was.
Ik heb mij hierbij gebaseerd op het boek Prayer in the Talmud van Joseph Heinemann (uitg. Walter de Gruyter, 1977), de Duits-Israëlische judaïst die een jaar na deze publicatie overleed. Het slot is een gedeelte uit mijn MA-scriptie.

De toegevoegde (dus niet vaste of formulier)gebeden in de Tempel gingen volgens Heinemann gelijk op met offers. Een restant daarvan treft hij aan in Lucas 1:10: ‘De gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het rookoffer.’ Het was de priester die het gebed uitsprak, beaamd door een respons als ‘Amen’ of ‘Gezegend de Ene’ (Baruch ata, Adonai). Hieraan werd grote waarde gehecht: ‘Groter is hij die antwoordt “Amen” dan hij die het gebed uitspreekt’ (Berachot 53b).
Op deze manier ontstaat er een relatie tussen het individu als deel van de gemeenschap en de Ene die direct wordt aangesproken. De vraag die Heinemann zich dan stelt is: is het denkbaar dat de gebeden van de mens invloed hebben op de wil van de Ene? Hij beantwoordt deze vraag met enkele citaten: ‘Drie dingen kunnen het besluit van de Ene annuleren: gebed, liefdadigheid en berouw’ (Tanuyet II 56b) en: ‘De Ene is geen mens, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben’ (Numeri 23:19).

Heinemann vindt dit wat naïef en komt met een volgend probleem: hoe kun je hier nog vanuit gaan na de vernietiging van de Tempel, waaruit de Shechinah (de aanwezigheid van God) is verdwenen? Hij antwoordt dan met: ‘Iedereen die in Jeruzalem bidt is iemand die bidt voor de Troon van de glorie, voor de poort van de hemel waarvan de ingang wijd openstaat en de gebeden worden gehoord, zoals in Genesis 28:17 staat: “Dit is niet anders dan een huis van de Ene, dat is de poort des hemels.” Rabbi Anan antwoordde: De poorten van de hemel zijn nooit gesloten, zoals staat geschreven: “Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de Ene, Adonai, telkens als wij tot Hem roepen?” (Deut. 4:7). Een ander antwoord stelt dat hoewel de Shechinah uit de verwoeste Tempel is verdwenen, Zij nog steeds verkeert onder de mensen in de synagogen en het Beth ha midrash. Met een vers uit Jesaja (66:6): ‘Zoekt de Ene, terwijl Hij zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.’

Dit laatste is een opvatting die het beeld dat ’t Hart schetst, van de straffende God na zoveel lichtjaren, ombuigt richting een God die mee lijdt met het leed in de wereld. God is aanwezig in het lijden. De godsdienstfilosoof en theoloog Ingolf U. Dalferth heeft de opvatting van God die aanwezig is in de geschiedenis uitgewerkt in een verzameling essays die verschenen onder de titel Gedeutete Gegenwart.[1] In verband met de aanwezigheid van God in de geschiedenis, spreekt Dalferth van openbaring, wat hij omschrijft als iets dat zonder spreken gebeurt, als een nigun, een Lied ohne Worte dat volgens de Chassidim gelijk staat aan een gebed.
Dalferth ziet niet het kruis als symbool voor het lijden, maar de woorden die Jezus van Nazareth aan het kruis sprak, de zogeheten zeven kruiswoorden. Ook de afwezigheid van God, die tot uitdrukking komt in het vierde kruiswoord (’Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’, Psalm 22:2) is volgens hem een modus van God. Dat is een ander, ijzersterk verhaal!

 

[1] Ingolf U. Dalferth, Gedeutete Gegenwart. Zur Wahrnehmung Gottes in den Erfahrungen der Zeit (Tübingen 1997).