‘Auschwitz is een ziekte’

Aan de vooravond van de internationale conferentie ‘The Politics of Jewish Literature and the Making of Post-War Europe’ spraken op 28 januari jl. Yolande Jansen (universitair hoofddocent filosofie aan de UvA en bijzonder hoogleraar aan de VU) en David Wertheim (directeur van het Menasseh Ben Israel Instituut) met schrijver Arnon Grunberg.

Wertheim trapte af met de vraag: ‘Auschwitz is een ziekte, waarvan je niet wilt genezen. Wat voor ziekte?’
Ik neem dit beeld tot uitgangspunt voor deze blog. Eerst citeer ik het antwoord van Grunberg en vervolgens ga ik na wat die metafoor mij te zeggen heeft. In het laatste geval gebruik ik een mooie recensie die Vrouwkje Tuinman schreef over het boek Het ontsterven van Pulitzerprijswinnaar Anne Boyer (in Trouw, 30 januari jl.).

Arnon Grunberg
Grunberg antwoordde, dat dit een gevaarlijke metafoor is, een parafrase van Primo Levi. ‘We zijn er nog steeds vatbaar voor. We herinneren ons en (h)erkennen, dat de vervolgingen nog wel eens terug kunnen komen. Het idee van genezen verklaard zijn, staat me tegen. Ik kan niet geloven in een terugkeer naar de normaliteit, naar de status quo.’

Wertheim vraagt of het hem dan heeft verrijkt, en Grunberg antwoordt dat dit hem al even gevaarlijk in de oren klinkt. ‘Je mag dat alléén zeggen, als je dat breder trekt. De Tweede Wereldoorlog gaat iedereen aan, niet alleen het joodse mensbeeld of het Duitse. We kunnen niet terugkeren naar het humanisme van vóór 1933. De geschiedenis ontkennen, is absoluut onwenselijk. We moeten anders omgaan met het verleden. Misschien leren we komende catastrofes voorkomen. Misschien.’

Tot zover Wertheim en Grunberg.

Anne Boyer
Vrouwkje Tuinman bespreekt als gezegd Anne Boyers boek Het ontsterven, waarin ze ‘onopgesmukt, scherp en snedig schrijft over (haar) kanker en de kankerindustrie’. Boyer moffelt de waarheid over ‘het maatschappelijke moeras waarin je bij kanker belandt’ niet weg. Ze moet niets hebben van “het verslaan” van de ziekte, want er zijn mensen die het niet “lukte”. Omdat ze geen geld hadden of omdat ze ‘er een andere ziekte aan overhielden’.

Wie is het, vergelijkenderwijs, gelukt de Tweede Wereldoorlog te overleven, zonder nachtmerries en depressie(ve gevoelens)? Niet veel mensen. Zijn de Duitsers verslagen, of kunnen we toch ook van de naoorlogse manier van hun omgang met het beladen verleden leren, zoals Susan Neiman in een recente studie betoogt? Misschien.

Boyer schrijft geen handleiding over hoe je met kanker om moet gaan, want dat kan niet. Een handleiding hoe te leven bestaat volgens dichteres Ellen Deckwitz ook niet. Handleidingen over hoe je je leven moet leiden (of hoe je het lijden uit de weg zou kunnen gaan), over omgaan met ziekte en sterven. Al zijn er genoeg schrijvers die naar zulke inzichten zoeken, van Aelius Aristides tot René Gude. ‘Ik kan’, schrijft Boyer, ‘alle juiste ideeën aanhangen (…) en toch aan borstkanker sterven, en ik kan louter foute ideeën aanhangen en foute dingen doen en toch blijven leven’.

Verbergen
Het probleem is misschien hetzelfde als bij de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog: ‘Voor je het weet ben je’ of is het ‘onderdeel geworden van een industrie met uiterst dubieuze kanten’: slechte films over de oorlog, de kankerindustrie. De aandacht gaat in het laatste geval dan naar pruiken, protheses en andere manieren om te ziekte te verbergen.
Zo hoeft het ook niet verborgen te blijven dat je een jood bent, zegt Grunberg. Je kunt, zegt hij ‘niet meer oprecht geloven dat je onzichtbaar bent’, waarbij hij George Steiner citeert. Je spreekt namens jezelf en je valt nooit geheel met een groep samen. Niet met ‘de’ zieken en niet met ‘de’ joden.

Boyer breekt met de trend om te verbergen. Ze laat volgens Tuinman ‘zien hoe het die grote groep mensen die op oncologiefolders staan, stralend van “multiraciale en alle leeftijd omspannende blijdschap” werkelijk vergaat. En wat dat zegt over onze maatschappij’.
Heeft het haar verrijkt, zoals Wertheim aan Grunberg vroeg? ‘De overtuiging dat sterfelijkheid een “schitterend raamwerk” is? ‘Na mijn kanker vond mijn auteurschap dat het nu vrij baan had’.

Grotesken
Bij Grunberg is het misschien omgekeerd. Hij antwoordt op een vraag van Yolande Jansen, dat hij het groteske, ironische dat een boek als De joodse messias kenmerkt, steeds minder is gaan inzetten. Dat heeft, zegt hij, ook met de tijdgeest te maken en de iets andere rol die hij als schrijver is gaan spelen, toen hij zich meer in politieke debatten ging mengen. Het groteske kan steeds minder op begrip rekenen. Maar: ‘een wereld zonder grotesken is een wereld zonder romankunst’. Over grotesken in de romankunst in een volgende blog meer.