Bovenaardse werkelijkheid

Op de een of andere manier heb ik altijd moeite gehad met kunsthistorici en filosofen die het immanente en transcendente, het wereldse en het goddelijke tegenover elkaar plaatsen. Ik heb het idee dat beide, transcendentie en immanentie, ’’ uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering’ aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[1] ‘De kracht van het transcendenteren bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het om’ volgens Rüdiger Safranski.[2] Een personage in de roman Weg uit de USSR van Dato Turashvili antwoordt op de vraag “Wat zegt Kant?”: “’De sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij’”.[3]

Ik voelde de waarheid die in die woorden van Bentz van den Berg, Safranski en Turashvili schuilt weer eens duidelijk toen ik afgelopen zondag voor het triptiek Pietà und Auferstehung van Thomas Lange (1957) in de St. Paulus Dom in Münster stond (zie foto Udo Grote).
In de kathedraal was een kleurenflyer over dit kunstwerk te koop, waarvan de tekst ook op die van de Dom valt te downloaden (zie link hieronder). Daaraan ontleen ik enkele mooie gedachten.

Neem om te beginnen het feit dat het lichaam van Jezus van Nazareth zweeft; iets wat in de beeldende kunst geen ongewone afbeelding is. Hij zweeft als het ware de toeschouwer tegemoet, boven de blauwe kleurvlakken onder Hem die de dood verbeelden uitstijgend. Boven Hem is een beige-rood, ook met blauwe vlakken doorsneden vlakverdeling zichtbaar dat lijkt op een landschap in de verte zoals we ook uit de oude schilderkunst uit Italië en Vlaanderen kennen. Lange kent het al helemaal, want hij woont een groot gedeelte van het jaar in Orvieto.

Achter de Pietà is een scène afgebeeld waarop de opgestane Christus opdoemt. Maria probeert Hem vast te houden, maar het is zoals volgens het Johannesevangelie tegen Maria Magdalena wordt gezegd: ‘Noli me tangere’, houd me niet vast, raak me niet aan. De benen van Christus verkeren nog in de zwartblauwe zone onderaan het doek, de rest van Zijn lichaam verkeert al in een andere dimensie, in de helderblauwe en witte zone bovenaan.

Er is dus met andere woorden sprake van een combinatie van figuratieve elementen (de lichamen van Christus en Maria) en abstracte kleuren (de vlakverdeling onder- en bovenaan), van een aardse gebondenheid en een die daarbovenuit stijgt, van immanentie en transcendentie. Allemaal op een drieluik. Of, in de woorden van Udo Grote: ‘In seiner grossartigen Transzendenz und seiner gleichzeitigen irdischen Verwurzelung ist das Triptychon sicher eine der grossartigsten Schöpfungen im Werk des Künstlers Thomas Lange. In künstlerisch philosophischer Weise hat sich Thomas Lange – wie in vielen Arbeiten seines Oeuvres – dem Heilsgeschichte genähert. Er stelt die irdische Verhaftetheit und die gelöste Transzendenz gleichermassen dar und strebt zugliech einen den Menschen unmittelbar betreffenden aktualisierenden Rückbezug zum eigenen Leben ein. So lässt er die überirdische Wirklichkeit intensiver erfahrbar werden.’

http://www.paulusdom.de/kunst/kunstwerke/das-triptychon-in-der-suedlichen-turmkapelle/

[1] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.

[2] Een mooi voorbeeld is Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

[3] Dato Turashvili, Weg uit de UUSR. Roman (Amsterdam 2008) 51.

Ontmoetingen

Zondag 21 mei jl. interviewde Marleen Stelling in Het Vermoeden de theoloog Theo Witvliet (NPO 2, 11.30 uur, zie foto). Een theoloog wiens denken ik een warm hart toedraag; wie in het zoekvenstertje bij deze blog zijn naam intypt, kan dat beamen.
Witvliet – zoon van een predikant die ik graag mocht horen – werkte aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar ‘Geschiedenis van het christendom in de moderne tijd’ en was gasthoogleraar aan de Universiteit van Genève. Internationale bekendheid kreeg hij door vertalingen van zijn publicaties over de bevrijdingstheologie,
Een plaats onder de zon (1984) en De weg van de zwarte Messias (1984). Verder schreef hij onder meer Gebroken traditie (1999) en Het geheim van het lege midden (2003). Met name van dit laatste boek ken ik hem, al staat zijn recentste boek, dat a.s. zondag centraal zal staan (Kwaliteit van leven; het humanisme van Buber) hoog op mijn verlanglijstje.
Het kan niet missen dat ik in mijn MA-scriptie ook verder denk in de voetsporen van Witvliets boek
Het geheim van het lege midden. Enkele alinea’s daaruit neem ik hier t.g.v. de televisie-uitzending van a.s. zondag over. Aangevuld met wat mij opviel in een ander gesprek, diezelfde zondag (NPO 1, 11.20 uur) dat Jeroen van Kan in het programma VPRO Boeken had met de schrijver Tim Parks over diens nieuwste boek, De roman als overlevingsstrategie.

1. Theo Witvliet

Enerzijds doet de omschrijving ‘het lege midden’ denken aan het joodse makom (= plaats), anderzijds, mede door zijn toevoeging dat de plek leeg is, aan een begrip dat Witvliet ontleende aan Karl Barth.[1] De plek is niet, zoals bij Augustinus (354-430) opgevuld door een beeld van God.[2] En het gaat ook niet om een mystieke open ruimte, maar om het midden van een Talmoedpagina die is gevuld met dialogen en verschillende interpretaties van een Bijbeltekst. Witvliet schrijft:

Met het geheim van het ‘lege midden’ doel ik dan ook niet op een mysterie dat uitstijgt boven de verhalen, liederen, voorschriften, wijsheidsspreuken en brieven, maar op de onvermoede geheimen die in de teksten besloten zouden kunnen liggen.[3]

Dat geldt zeker zo wanneer de mens leeft naar de teksten die Witvliet noemt, en deze heeft geïnternaliseerd, oftewel opgegeten (Ezechiël 3:1). Zodat transcendentie en immanentie “uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering” aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[4] “De kracht van het transcenderen bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het” volgens Safranski om.[5]

Witvliet heeft het in het gesprek met Marleen Stelling over een ontmoeting (in het lege midden?) die gebeurt, bijvoorbeeld wanneer de tijd even wegvalt. Dat hoeft niet alleen tussen mensen te zijn, maar kan ook met literatuur; Witvliet heeft het over de Zwitserse schrijver Max Frisch, in wiens werk hij zich heeft verdiept.
Die ontmoeting gaat verder in het gesprek dat Jeroen van Kan nagenoeg tegelijkertijd (leve Uitzending gemist!) met Tim Parks heeft.

2. Tim Parks

Tim Parks ziet in zijn boek over de roman (zie afb. links) het lezen van een roman ook als een ontmoeting en een deel van het gedrag van een auteur. Boeken krijgen een relatie met ons en onze levens. Je kunt bijvoorbeeld boos worden bij het lezen van een boek (zie mijn blog over Siegfried van Harry Mulisch!), maar dar zegt iets over mijzelf. We vormen een opinie in relatie tot waar het boek over gaat.

Twee spannende boeken, lijkt me: van Theo Witvliet enerzijds en van Tim Parks (ook voor op het verlanglijstje!) anderzijds.


[1]
Theo Witvliet, Het geheim van het lege midden. Over de identiteit van het Westers christendom (Zoetermeer 2003). Barth sprak in zijn Der Römerbrief (1922) over ‘Hohlraum’, lege ruimte.
[2] Hoewel er mijns inziens geen bezwaar tegen is, hierin het beeld te zien van een Zich achter de wolken terugtrekkende God (in de Bijbelse Psalmen), of een zich samentrekkende, transcendente God die plaats maakt voor de mens (tsimtsoem,
Kabbala). 
[3] Witvliet 19.
[4] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.
[5] Een mooi voorbeeld is Rüdiger Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, Amsterdam 2005, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

Er was er eens niet

Eén van de interessantste filosofische interpretaties die ik eens hoorde, kwam uit de mond van Roy Sorensen (St. Louis, Missouri). Hij deed zijn uitspraken in een televisie interview met Roel Bentz van den Berg (Wintergasten, 20 december 2011). Het ging over het ‘transcendentale (het zichzelf te bovengaande) ik’ van Immanuel Kant (1724-1804), het lege ik dat zo ruimte biedt voor empathie aldus Sorensen.

Ik kom erop toen ik in een recente bundel van Judith Herzberg las over haar gewaarwording in een vliegtuig, waar ze een schrijver met een houten been trof. Het leidt tot allemaal vragen, over het been en de schrijver.

Ik leg de uitleg van Sorensen en de notities van Herzberg in dit stukje – dat deels gebaseerd is op een column die ik eerder voor Wervelingen schreef en op deze blog plaatste (https://elsvanswol.nl/?p=1904) – naast die van Terry Pinkard, in zijn beroemde boek over Duitse filosofie 1760-1860 (uitg. Atlas).

De kern van de filosofie van Kant bestaat volgens Pinkard uit begrip(pen) en aanschouwing (voorbeelden, verduidelijkingen). Neem als voorbeeld ‘been’ in combinatie met ‘deformiteiten’ (een geamputeerd been). Voordat aanschouwing en begrip(pen) samenkomen, is het moeilijk je een voorstelling van de impact hiervan te maken. Daarom voegt Kant een derde functie toe: die van de verbeeldingskracht. Begrip(pen) hebben alleen betekenis in relatie tot een ervaring.
Zoals Herzberg zich afvraagt of er met dat houten been ‘eerlijkheid’ tot uitdrukking komt. Of dat het eerder ‘een heel erg binnenstebuiten gekeerde vorm van ijdelheid is.’ Ze zet haar verbeelding aan het werk en constateert dat de man een zitplaats met extra beenruimte krijgt, en daarvoor een stoel moest worden weggehaald. ‘Eén heel mens kan er dus minder mee vanwege dat ene been’ schrijft ze dan.

Het lege ik wordt bij haar dus niet gevuld door wat Kant de categorische imperatief noemt. Oftewel de zogenaamde gulden regel (‘Behandel anderen altijd zoals je zelf behandeld wilt worden’) maar met verbeelding.
Kant wordt verguisd als zijnde moralist en naïef. Wanneer Carel Peeters in zijn boek Gevoelige ideeën (uitg. De Harmonie) de filosoof afdoet omdat aan zijn denken juist ‘verbeelding, sensibiliteit en vormkracht’ zou ontbreken, doet hij hem onrecht. Maar een moralist? Nee – hij doet, net als Sorensen, mensen recht die met empathie willen denken. Bovendien was het diezelfde Kant die het ‘erweiterte Denken’ bedacht: niet blijven steken in je eigen, al dan niet v/Verlichte denken, maar je verplaatsen in de omstandigheden van een ander. Daar is elk moralisme vreemd aan. Het is ‘een artistieke suggestie’, moet Peeters zuinigjes toegeven. Dat is wat Herzberg deed.

Judith Herzberg: Er was er eens en er was er eens niet
(Uitgeverij De Harmonie).          

 

Grenzen én openheid

Het naderen van een brug_Bentz van den Berg

Eén van de mooiste boeken die ik afgelopen tijd las, en recenseerde voor Literair Nederland, is Het naderen van een brug van Roel Bentz van den Berg. De schrijver komt aan het woord in het recente nummer van Filosofie Magazine (april 2016).
In hetzelfde nummer staat een interview met politiek geograaf Henk van Houtum over het thema van de Maand van de Filosofie: grenzen.

Ik realiseer me dat je het boek van Bentz van den Berg ook zo kunt lezen zoals hij Van Houtum het asielzoekerscentrum in Heumensoord beschrijft: niet als een grensgebied tussen leven en dood, zoals in de roman, maar als een soort permanente wachtplek voor asielzoekers: ‘Een niemandsland, tussen twee grenzen in, waar mensen buiten de gemeenschap apart worden gehouden.’ De grens is als de brug in de roman: wij (levenden, autochtonen) aan de ene kant van het water of de weg, zij (de doden, asielzoekers) aan de andere kant ervan.

Zink_Van ReybrouckSoms bepaalt de loop van water de grens. Maar veel vaker is dat de strijd om natuurlijke rijkdommen. David Van Reybrouck schrijft erover, en noemde zijn boekje zelfs naar die rijkdom: Zink, een uitgave ter gelegenheid van de Boekenweek 2016. Een essay over Neutraal Moresnet, een mini-staatje (1816-1919). Drie kaartjes in het boekje geven de in de loop van de tijd gewijzigde grenzen ervan aan. De inwoners hebben zelf ‘geen grenzen overgestoken, de grenzen zijn’ hen overgestoken, telkens weer, ‘zo vaak als een klompje zinkerts is gesmolten.’ Zouden asielzoekers zichzelf ook zo zien en ervaren?

Mijn geliefde oud-buurvrouw uit Leeuwarden is de grens overgestoken tussen leven en dood. Maar ook tijdens haar leven stak ze al vele grenzen over, haar tijd vooruit. Ze paste niet in het keurslijf van poetsende huisvrouw en toog al in de jaren vijftig van de vorige eeuw naar de grote stad om alleen op een terrasje neer te strijken. Ze stond open voor alles om zich heen: andere mensen, andere meningen, andere gewoonten.
‘Heb een open blik. Nederland is zo in zichzelf gekeerd’ riep Jelle Brandt Corstius de kiezers in De Wereld Draait Door op aan de vooravond van het referendum over Oekraïne. Dat zou mijn oud-buurvrouw zich niet twee keer hebben laten zeggen!

De vrijheid van de grens_SchefferDe discussie gaat er nu over of grenzen en openheid haaks op elkaar zouden staan. Een discussie die ontbrandde naar aanleiding van een ander essay, dat Paul Scheffer voor de Maand van de Filosofie 2016 schreef en het pamflet dat de Filosoof des Vaderlands, Marli Huijer, daar samen met hoogleraar ethiek Martin van Hees in Trouw tegenin bracht.
Of zoals Stan Verdult in een blog stelde: beide ‘kunnen en dienen naast en met elkaar te bestaan en zullen tot één afgewogen manier van omgang met vluchtelingen moeten leiden: zowel grenzen stellen (wie en wanneer wel of niet) als met open armen (en graag flink genereus) ontvangen.’ En, denk ik: vooral ópvangen.

 

http://spinoza.blogse.nl/log/anderen-ontmoeten-met-gebalde-vuisten-of-met-open-handen.html

Het lege ik

KantEén van de interessantste filosofische interpretaties die ik de laatste tijd hoorde, kwam uit de mond van Roy Sorensen (St. Louis, Missouri). Hij deed zijn uitspraken in een televisie interview met Roel Bentz van den Berg (Wintergasten, 20 december 2011). Het ging over het ‘transcendentale (het zichzelf te bovengaande) ik’ van Immanuel Kant (1724-1804, zie afb.), het lege ik dat zo ruimte biedt voor empathie aldus Sorensen.
Ik leg deze uitleg in dit stukje naast die van Terry Pinkard, in zijn beroemde boek over Duitse filosofie 1760-1860 (uitg. Atlas) en trek tenslotte conclusies uit de negatieve duiding die vaak zowel Kant als het boek Compassie (uitg. De Bezige Bij) van Karen Armstrong ten deel vallen.

De kern van de filosofie van Kant bestaat volgens Pinkard uit begrip(pen) en aanschouwing (voorbeelden, verduidelijkingen). Neem als voorbeeld ‘rug’ in combinatie met ‘deformiteiten’. Voordat aanschouwing en begrip(pen) samenkomen, is het moeilijk je een voorstelling van de impact hiervan te maken. Daarom voegt Kant een derde functie toe: die van de verbeeldingskracht. Begrip(pen) hebben alleen betekenis in relatie tot een ervaring. In zijn geval klopt dit trouwens tussen haakjes helemaal; bekend is dat hij niet alleen klein van stuk was, maar ook vergroeid met aan de ene kant een hogere schouder dan aan de andere.
Het lege ik wordt zo gevuld door wat Kant de categorische imperatief noemt. Oftewel de zogenaamde gulden regel; wat een verpleegster mij eens antwoordde toen ik enkele jaren geleden in het ziekenhuis lag en haar complimenteerde en bedankte voor de wijze waarop ze met patiënten omging: ’Ach, ik denk altijd maar: “Behandel anderen altijd zoals je zelf behandeld wilt worden”.’

Volgens Karen Armstrong ligt deze regel ten grondslag aan drie grote wereldgodsdiensten: jodendom, Christendom en islam. Het transcendente ik kan volgens haar (en het is alsof je ook Kant hoort) alleen worden gerealiseerd door compassie met de medemens.
Volgens een recensente als Beatrijs Ritsema (ja, dezelfde van de etiquette) zijn de Bijbel en de koran een omweg om dit algemeen menselijke te bereiken.
Maar niet alleen Armstrong, ook Kant wordt verguisd als zijnde moralist en naïef. Wanneer Carel Peeters in zijn boek Gevoelige ideeën (uitg. De Harmonie) Kant afdoet omdat zijn denken ‘verbeelding, sensibiliteit en vormkracht’ zou ontbreken, doet hij hem onrecht. Een moralist? Nee – hij doet, net als Sorensen en Armstrong mensen recht die met empathie willen denken. Bovendien was het diezelfde Kant die het ‘erweiterte Denken’ bedacht: niet blijven steken in je eigen, al dan niet v/Verlichte denken, maar je verplaatsen in de omstandigheden van een ander. Daar is elk moralisme vreemd aan. Het is ‘een artistieke suggestie’, moet Peeters zuinigjes toegeven.

Lorenzetti_SienaEn dan zie ik één beeld voor me: de fresco Gli effeti del buon governo in città e campagna (De effecten van goed bestuur in stad en land, zie afb.) van Ambrogio Lorenzetti (1338) in het Palazzo Pubblico van Siena. Wat een heerlijkheid, waar iedereen een plaats heeft: van kleine kinderen tot krom gegroeide ouderen en alles wat daartussen zit. Volgens mijn reisgids is het opmerkelijk ‘dat deze [cyclus] zich niet in een kerk maar in een raadhuis bevindt’. Waarom? Lees een gedicht van Hanny Michaelis (in: Wegdraven naar een nieuw Utopia, uitg. Van Oorschot) en begrijp dat de Bijbelse beelden die zij noemt zowel in kerk als samenleving tot hun recht kunnen komen:

legden leeuwen en tijgers
hun kop op de poten
en sliepen in, slangen rolden
zich op en zelfs de schorpioen trok zich terug. Verlost
haalde ik adem, ik voelde
je hart tegen het mijne kloppen
en in mijn binnenste werd het stil
als in de lege kerk vlak voor
het ogenblik waarop het orgel
zijn triomfantelijke stem verheft.

Herplaatsing van een column die ik schreef voor Wervelingen (zomer 2011). T.g.v. de Akademie van Kunsten-lezing die de Kantiaan Susan Neiman woensdag 18 november 2015 in het Trippenhuis te Amsterdam zal houden o.d.t. Art and Enlightenment: Old-fashioned thoughts for the 21st Century.