Onszelf voorbij

Onszelf voorbij : kijken naar wat we liever niet zien / Lisa Doeland, Naomi Jacobs en Elize de Mul. – Amsterdam : Uitgeverij De Arbeiderspers, [2018]. – 203 pagina’s ; 20 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-295-0677-9

Drie jonge vrouwelijke promovendi filosofie ‘onderzoeken of het mogelijk is om een
intiemere relatie op te bouwen met de ambiguïteit, monsterlijkheid en chaos in de wereld – en in onszelf.’ De eerste, Naomi Jacobs, zoekt het in het toelaten van
onzekerheid die ruimte laat voor zowel hoop als handelen, voor het onbekende als alternatief voor de schijnzekerheden van optimisme en pessimisme. De tweede auteur, Elize de Mul, gaat na wat de effecten zijn van bijvoorbeeld selfies op sociale media. Zijn die een uiting van narcisme of toch van iets anders? Bijvoorbeeld van het tegenovergestelde van de onzekerheid die Jacobs bepleit: ‘een vorm van troost en zekerheid dat we onszelf zullen overleven.’ De derde en laatste schrijfster, Lisa Doeland, vestigt de aandacht op tragedies die nu plaatsvinden, zoals de vervuiling van de Aarde en de oceanen en – ook hier – onze ‘steeds hardnekkiger zoektocht naar […] zekerheid’, die paradoxale vormen aanneemt. Voor lezers die inzicht en een perspectief willen krijgen op hedendaagse problematiek. Drie helder geschreven,
relevante essays over hedendaagse problematiek die een welkome aanvulling vormen
op meer historisch georiënteerde literatuur.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Verschillende getuigenissen

Het zal misschien een zekere bevreemding wekken, dat ik in deze blog de filosofische studie Wat er overblijft na Auschwitz van Giorgio Agamben leg naast de roman Wittgenstein op de luchthaven van de Duitse schrijfster Husch Josten, een boek waarin een van de twee hoofdpersonen op een vliegveld een boek van Wittgenstein zit te lezen en zo aan zijn bijnaam komt.
Toch zijn er verschillende redenen waarom dit heel goed mogelijk is. In de eerste plaats omdat ik in beide gevallen uitga van de tekst en de interpretatie daarvan, voorts omdat een poging onderneem om te kijken of en in hoeverre een literair werk een aanvulling kan bieden op de filosofische studie. Immers: beide boeken gaan over de verwerking van het kwaad, respectievelijk dat van de Tweede Wereldoorlog (Agamben) en dat na de aanslagen in Parijs (Josten). Ik lees met andere woorden het boek van Josten alsof het in gesprek gaat met de studie van Agamben. Allebei, het boek van Agamben en dat van Josten, hebben een gemeenschappelijk thema, hetgeen de confrontatie mogelijk maakt.

Agamben
De achterflap van het boek van Agamben vermeldt het volgende: ‘In Wat er overblijft van Auschwitz beschrijft Giogrio Agamben hoe een mens getuige kan zijn van het onmenselijke. De overlevenden van Auschwitz hebben iets meegemaakt wat moeilijk in woorden te vatten is. Agamben werpt een nieuw licht op de getuigenissen en geeft een antwoord op de vragen die daaruit voortkomen. Hoe moeten we omgaan met de getuigenissen? Welke positie nemen de overlevenden in als enige getuigen? En welke plek moet Auschwitz innemen in het huidige gedachtegoed over de Holocaust? Zijn doel is het denken over Auschwitz te ontdoen van ethische en politieke doctrines en een nieuw kader op te zetten waarmee we een poging kunnen doen om het onvoorstelbare te begrijpen. Als we ervan uit zouden gaan dat Auschwitz onbegrijpelijk is, blokkeren we onbewust de vraag naar hoe Auschwitz ooit mogelijk is geworden. En zolang we niet de logica van het “onuitsprekelijke” van de kampen doorgronden, lopen we het risico dat het nog eens zal gebeuren.’

Josten
Op de achterflap van het boek van Josten staat te lezen: ‘Direct na de aanslagen van Parijs wil de journaliste Caren voor een reportage van Londen naar de Franse hoofdstad, maar de vlucht wordt wegens een acute terreurdreiging geannuleerd. Informatie blijft uit en het wachten begint (…). Afleiding biedt een oudere man, die te midden van het lawaai in terminal 2 een boek van Wittgenstein zit te lezen. Caren raakt met hem in gesprek. Hij blijkt een scepticus die de journalistiek niet bijzonder hoog heeft zitten. “Waar haalt u al die verhalen vandaan?” vraagt hij, “Alles is toch al vele malen verteld?” Die intelligente journaliste spint Wittgensteins draad verder: “Maar er zijn ook altijd verhalen die wij niet in ons leven willen toelaten”.’

Confrontatie
Het is Agambens bedoeling met dit boek ‘een paar begrippen te corrigeren waarmee de allesbepalende les van de twintigste eeuw is opgetekend; een paar woorden geschrapt en andere anders geïnterpreteerd te krijgen’. Het is volgens hem misschien wel de enig mogelijke manier ‘om te luisteren naar wat niet gezegd is’. Deze bedoeling raakt meteen aan twee uitspraken aan het begin van de roman van Josten. Is het bij Agamben het woordje ‘tussen’ dat het hem doet (tussen dood en overleven), dan is het bij Josten het woordje ‘over’ (overlevende): ‘Het omlaagkomende plafond leek een beschermend donzen dekbed, dat haar en het feit dat ze over was behaaglijk toedekte. Want Caren was over. Schuldig. Onschuldig. Wie zal het zeggen? In ieder geval over. Haar familie, haar vrienden, eigenlijk had iedereen van geluk en beschermengelen gesproken, alles gezegd wat je in zulke gevallen nu eenmaal zegt.’

Maar dat laatste valt te betwijfelen: ‘Haar verhaal was bizar, een versie van de werkelijkheid waardoor ze moest zwijgen, omdat ze nooit recht zou kunnen doen aan wat de anderen was overkomen en aan wat er feitelijk was gebeurd. Zij was alleen maar over.’ Als kind al had ze gezwegen, als de hoofdpersoon in Die Blechtrommel van Günter Grass.. Ze wilde wel praten – maar dan alleen om ‘andere verhalen te vertellen, echt andere’. Zo werd ze journaliste om zo misschien – zoals Agamben meent – ‘het fundament te leggen voor de mogelijkheid tot een gedicht’.

Agamben twijfelt er niet over. Voor hem geeft een woord als ‘onzegbaar’ voor Auschwitz ‘deze vernietiging het aanzien van iets mystieks’. Een mystiek die Caren als een ‘onoverbrugbare afstand’ ziet die ze ‘graag zou hebben overwonnen om zich er een voorstelling van te maken, zich er zélf een voorstelling van te maken en het te begrijpen’.

Over dit laatste zijn beiden, Agamben en Josten het eens. Dat begrijpen zijn we, zegt Caren ergens, ‘de dode verschuldigd’. En dat zes miljoen maal.
Uiteindelijk bestaat wat overblijft van Auschwitz volgens Agamben ‘niet uit doden noch uit overlevenden, niet uit de verdronkenen noch uit de geredden, maar uit wat er daartussenin overblijft’.

Conclusies

  1. In het filosofisch denken van Agamben is de terminologie helder, terwijl de taal van een literair werk als van Josten gelaagd en meerduidig is, waardoor woorden steeds verschillende betekenissen in zich bergen. Hierdoor ontstaat een andere kijk op het kwaad.
  2. Filosofen houden bij het analyseren van het kwaad schone handen. In het dagelijks leven is echter niemand ofwel helemaal ‘goed’ ofwel helemaal ‘slecht’. Dit werkt door in een romanpersonage als Caren. Zij is ook een combinatie van goede en slechte karaktereigenschappen, zoals zij ook ergens duidelijk zelf zegt.

In een literair werk kan met andere woorden het kwaad dat mensen elkaar aandoen op een dusdanige wijze worden beschreven, dat er op enigerlei wijze uitzicht is op hoop dat het niet weer zal gebeuren. Op een andere manier dan Agamben louter verstandelijk doet.

 

Giorgio Agamben: Wat er overblijft van Auschwitz. De getuige en het archief (Homo sacer III). Hilversum, Uitgeverij Verbum, 2018. ISBN 9789074274913. € 17,95

Husch Josten: Wittgenstein op de luchthaven. Roman. Amsterdam, Cossee, 2018. ISBN 9789059367791. € 19,99

De vreugde van het inzicht

Op driekwart van het boek Spinoza en de vreugde van het inzicht beschrijft Kees Schuyt de ruwweg twee tegengestelde lezingen van Spinoza in het algemeen en diens Ethica in het bijzonder: ‘Een naturalistische (lees: natuurwetenschappelijke) interpretatie versus een emanciperend-bevrijdende interpretatie, die vanuit een modern-humane mensvisie het zelfbepalende individu centraal stelt.’
Schuyts denken zou je onder de tweede manier van lezen kunnen scharen, wat hij verderop omschrijft als ‘een bevrijdingsfilosofie, die mensen kan leren welgezind en soms zelfs met vreugde van het leven te genieten.’ Hij schrijft over inzicht dat richting geeft ‘aan ons eigen actieve handelen’  en ‘als richtsnoer voor de inrichting van de samenleving en een democratische staatsvorm.’

Tegenover deze heldere, compacte omschrijvingen staan soms woordkeuzes die hiermee in strijd zijn, of op z’n minst een andere achtergrond verraden. Niet zozeer van de auteur, maar in algemene zin, zoals: ‘goede werken’ voor ‘actief handelen’, wat eerder rooms-katholiek overkomt, terwijl de ‘twee gedaanten waarin God/Natuur voorkomt (naturans en naturata) haast de triniteitsleer van de kerk nadert. Dit kan in beide gevallen bij de monist en de met het joodse denken vertrouwde Spinoza niet de bedoeling zijn.

Daar staan gelukkig ook de vele passages tegenover die het als moeilijk te kenschetsen denken van Spinoza verhelderen. Kort en krachtig, als gezegd, zoals: ‘Het wezen van de mens is in redelijkheid streven naar eenwording met God. Het middel daartoe is kennisverwerving’ of: ‘Het hóógste goed, dat bestaat in de vereniging van de ziel met God en van de mens met God. Door kennis de allerhoogste liefde bereiken; dat is de liefde voor God, die eeuwig en onvergankelijk is. Is men tot dit inzicht gekomen, dan ervaart men gelukzaligheid, dan wordt men een fundamentele instemming met het bestaan.’ En: ‘vrijheid (…) wordt gevoed door karaktervorming en uitgedrukt in een bepaalde wijze van leven of in een levenshouding.’

Gelukkig neemt Schuyt mijns inziens afstand van de opvatting dat Spinoza een determinist was in de huidige betekenis van het woord en de vrije wil geheel ontkende. Zelfs dat hij het beter zou hebben geweten dan huidige hersenwetenschappers als Swaab met zijn boek De vrije wil bestaat niet. Of, zoals Schuyt het zelf verwoordt: ‘Mensen [hebben] de mogelijkheid tot een bepáálde mate van vrijheid, vrijheid als zelfbepaling, specifiek verbonden met de richtlijnen van rede en redelijkheid, leren inzien en daarnaar proberen te leven.’ Dit geldt volgens Schuyt alleen voor mensen, want noodzakelijk leven volgens de eigen natuur gaat alleen op voor God/Natuur (brief aan Schuller, oktober 1674).
Schuyt geeft terecht aan dat Spinoza’s idee van het zogenaamde parallellisme tussen stof en geest (liever: de twee gelijktijdig rollende kanten van een muntstuk) in de neurologie en neurofilosofie inmiddels achterhaald zijn beschouwd.

De auteur van dit boek was voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, in welke hoedanigheid ik hem een keer heb ontmoet en gesproken. Op het terrein van Spinoza is hij een liefhebber in de goede zin van het woord; de vreugde van het inzicht spat soms van de pagina’s af, bijvoorbeeld in een omschrijving naar aanleiding van het derde deel van de Ethica: ‘Heerlijk om te lezen’ of van het vierde deel: ‘Een genot om te lezen.’
Elders beschrijft Schuyt hoe bij Spinoza is uitgekomen: een boek van Terrence des Pres over de rol die de conatus (in de vertaling van Spruyt een ‘dynamisch, evenwicht zoekend ontwikkelingsbeginsel’) ‘speelde bij het overleven in de werkkampen van de Sovjet-Unie en in de concentratiekampen van nazi-Duitsland.’ Hiermee nuanceert hij tevens het conatus-begrip, omdat Spinoza de hoop die overlevenden beschreef juist wantrouwde, en daar troost voor in de plaats stelde.

Dit maakt zijn boek tot een sympathieke en geëngageerde studie. Een enkele keer met dermate lange, ingewikkelde zinnen die je een paar keer moet lezen om te begrijpen wat de schrijver bedoelt, zoals: ‘Deze tegenstellingen worden nu met een uitdrukkelijker doel beschreven en geanalyseerd, namelijk om te laten zien, enerzijds ….’ enz. enz. Ook de structuur had mijns inziens wat strakker gekund.
Een voorbeeld van zo’n sympathiek overkomende en geëngageerde passage betreft die waarin de auteur afstand neemt van de hedendaagse, relativistische uitleg van goed en kwaad. Schuyt stelt dat natuurlijk kwaad (een aardbeving) dicht bij moreel kwaad kan liggen (oliewinning die willens en wetens plaatsvindt).

Het boek is geen hagiografie, wat blijkt uit een zinsnede over de Politieke Verhandeling: ‘Onder de uitvoerige en regelmatig saaie bespreking van de aristocratische staatsvorm dreigt eveneens de hoofdboodschap verloren te gaan’, al zou een goede redacteur behalve de ingewikkelde zinnen eenvoudiger maken ook hier goed werk hebben kunnen verrichten door het overbodig overkomende woordje ‘eveneens’ te schrappen. Hoezo: eveneens?
Ook uit Schuyt kritiek op het essentialistische denken van de zeventiende eeuw: ‘Spinoza leidt de essentie van “de” vrouw af uit de natuur, maar in feite volgde hij de heersende sociale gewoonten en gebruiken van zijn tijd’, wat hij niet als een excuus ervaart.
Uit zijn (persoonlijke) conclusies blijkt dat Schuyt kanttekeningen bij zowel Spinoza’s denken als de receptie daarvan niet schuwt, die hij soms als hij ‘te rigide, te stellig of te dogmatisch’ ervaart.

Dit boek is uitermate geschikt voor zowel lezers die willen kennismaken met Spinoza’s denken als voor lezers die daarmee al wat vertrouwd zijn, voor wat Schuyt de ‘conversation of mankind’ noemt. Wat tevens inhoudt dat hij ook heel wat kritiek te verduren zal krijgen …

Kees Schuyt: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Uitgeverij Balans, Amsterdam (2017), ISBN 978 94 600 34060, € 34,95

Commentaar op deze blog is te vinden op: http://bdespinoza.blogspot.nl/2017/07/els-van-swol-besprak-kees-schuyts-boek.html#comment-form