Drieluik op zondag (II)

1.
In een andere blog, op een andere website wees ik al eerder op een mooi boek dat ik op het moment van schrijven wilde gaan lezen en nu ook daadwerkelijk mondjesmaat lees: Camus. De filosoof en de romancier van de Vlaamse filosoof Maurice Weyembergh (https://www.literairnederland.nl/het-eindejaarslijstje-2017-van-els-van-swollijstje-van-els-van-swol/). Vanmorgen was in alle vroegte het tweede hoofdstuk aan de beurt: ‘De mens die zichzelf schept en tot mythe maakt in De mythe van Sisyphus.’

Daarin citeert Weyembergh Camus (zie foto): ‘Hoe moeilijk het ook is, ik zou nooit ontrouw willen zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’  Het zijn volgens hem twee polen die ‘elkaars tegengestelden zijn én elkaar aanvullen.’ De mens moet volgens Camus in de woorden van Weyembergh ‘zijn eigen lotsbestemming ter hand nemen door zijn eigen verhalen te vertellen, door zijn eigen mythen te bedenken.’ Camus stond een wereld voor ‘die verdriet en wreedheid zoveel mogelijk uitbant, sociale gerechtigheid realiseert, en tegelijkertijd het individu maximale vrijheid laat zichzelf te scheppen.’ Het is volgens hem zinloos om de spanningen tussen het een het ander, tussen licht en donker, tussen schoonheid en de vernederden ‘te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Het gaat om een ‘dialectiek zonder synthese’, om ‘aanvaarden en verwerpen.’ En zo ontstaat er volgens hem ‘op den duur dan iets waarvoor het op deze aarde de moeite loont te leven, iets zoals bijvoorbeeld deugd, kunst, muziek, dans, rede, geest, iets dat tot een metamorfose leidt, iets verfijnds, iets krankzinnigs, iets goddelijks.’ Op die manier herhaalt en imiteert de mens op zijn best de schepping van God.  ‘In zo’n mate dat niemand verschil ziet tussen de danser en de dans.’

2.
Een uurtje of wat later bevond ik mij in het gehoor van de Vrije Gemeente in Splendor, bij een lezing van Katja Rodenburg (zie foto) over het thema ‘Duende – licht en donker, zon en maan.’ Over haar schreef ik al eerder hier een blog.
Ook zij had het over ‘kunst, muziek, dans, rede, geest’ en over een flamencozanger die dertig van de veertig keer niet dát gaf wat je zou willen. En de tien keer dat hij het wél deed, was het alsof hij niet zelf zong, alsof – om met Camus te spreken – niemand meer het verschil hoorde tussen de zanger en het gezang. Een gezang waarin eeuwen her meezongen, dat door het donker heen tot het licht was gekomen. Zoals de filosofie van Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis), over wie ik ook al eerder een blog schreef. Misschien was de zang niet mooi in de zin van de esthetica, maar gewoon – denk ik verder – maar ‘waar’ of ‘waarachtig’ in de zin van Camus: één moment van balans waarin recht werd gedaan aan zowel de schoonheid als de vernederden die de flamenco in Cadiz, aan de rafelranden van het bestaan, bezingt. Een dialectiek van aanvaarding én verwerping, waarin het leven zelf (met Nietzsche) een kunstwerk is geworden.

3.
Even later bezocht ik een straat verder het eerste deel van de dubbeltentoonstelling over Ferdinand Bol en Govert Flinck, twee meesterleerlingen van Rembrandt. In het Rembrandthuis (nog t/m 18 februari a.s., zie affiche). Het tweede deel, dat ik al eerder zag, valt te zien in het Amsterdam Museum.
Op deze tentoonstelling wordt duidelijk wat Katja Rodenburg, en pianist Maurice van Schoonhoven ook al benadrukten: duende vind je niet alleen in de flamencodans en –zang, maar in alle kunstvormen. Schoonhoven demonstreerde dit in enkele rake – en prachtig gespeelde – keuzes, met om te beginnen twee etudes op. 25 van Frédéric Chopin, halverwege in onder meer met de Prelude op. 32 nr. 12 van Rachmaninoff en tenslotte met twee etudes (op. 2 nr. 1 en op. 8 nr. 12) van Skrjabin.

Maar ook al kijkend naar met name een tafereel, van respectievelijk Rembrandt en Ferdinand Bol, probeerde ik iets van duende terug te vinden: Tobias en de engel, een verhaal dat in de deuterocanonieke of apocriefe boeken kan worden teruggevonden. Een verhaal (en gaat het volgens Camus niet om het vertellen van verhalen, om wat Bergson volgens Weyembergh ‘de fabulerende functie’ noemt?) over Tobit en Tobias.
Tobit, oud en blind, heeft in het verleden een kleine schat achtergelaten bij iemand in Medië, en stuurt zijn zoon Tobias op pad om die op te halen. Op zijn reis ontmoet Tobias aartsengel Rafaël, die hij echter niet herkent. Rafaël helpt Tobias om de schat naar zijn vaders huis terug te brengen. Bovendien geneest Tobias, met de gal van een vis die hij samen met Rafaël heeft gevangen, zijn vaders blindheid. Een deel van de schat wordt als aalmoezen weggegeven.
Ik herkende in dit schilderij verschillende (verhalende en beeldende) elementen van de duende: het verleden (de oude man, de achtergelaten schat) speelt er altijd in mee, het licht (het weer kunnen zien van Tobit) komt dóór het donker (de blindheid) heen, je moet altijd blijven zoeken naar ‘het’ moment (de schat die achtergelaten is), de vernederden (in de woorden van Camus) worden bij het verhaal betrokken en krijgen aalmoezen.

Misschien is het de engel op beide schilderijen die symbool voor de duende staat: bij Bol daalt hij uit het donker neer, als de inspiratie voor een kunstenaar (wat we allemaal zijn: levenskunstenaar), bij Rembrandt stijgt hij op (zie afb.), om weer nieuwe inspiratie te halen. Als een doorgaand proces, wat leven heet. Want volgens Camus ‘gaat het uiteindelijk om één ding, “z’n taak mens te zijn” uitoefenen.’ Ik zou haast zeggen: Mensch te zijn – uit één stuk, niet als een synthese maar dialectisch. Licht en donker. Schokkend, zei één van de mensen die de lezing van Rodenburg bijwoonde.

Herkenning

SpinozaHet was tijdens één van de studiebijeenkomsten van Het Spinozahuis, in het Spinozalyceum in Amsterdam. Na een inleiding kregen we gelegenheid om in kleine groepjes verder te praten. Ik zat in een groepje dat werd geleid door de inleider.
Het was voor mij op dat moment een topic, en ik vroeg het dan ook: mag je volgens de inzichten van Spinoza een mens instrumenteel gebruiken? Ik kan me herinneren dat de gespreksleider niets zei, maar alleen knikte. Blijmoedig knikte. Ik was er even door van mijn stuk gebracht, maar moet er nog vaak aan terugdenken. Omdat dit uiteindelijk op en top Spinoza is.

Dit drong tot mij door op een heel raar moment: toen ik op een ochtend de sleutel in het slot omdraaide, op weg naar mijn werk.
Ik had lopen peinzen over iemand die net als ik dezelfde kerk in Amsterdam bezocht (Spinoza had hier overigens, getuige uitlatingen aan zijn gelovige hospita, niets op tegen) en op een gegeven moment buiten Amsterdam was gaan wonen. Bij tijd en wijle bezocht ze nog haar oude kerk en trof ik haar. Na afloop vroeg ze me dan onder een kopje koffie in een restaurant de oren van het hoofd over alle ins en outs van die kerk – en vooral kerkgangers. Op een gegeven moment was ze weer terug in Amsterdam en op het honk. Op dat moment stopte ook het gezamenlijk koffiedrinken. Ik voelde me ‘gebruikt’ en dat zat me niet lekker. Hoe had ik zo dom kunnen zijn.
Maar terwijl ik die sleutel omdraaide, zette ik blijkbaar ook een knop in mijn hoofd om – of werd er een knop in mijn hersens omgezet, wie zal het zeggen: nee, ik was niet gebruikt maar een instrument geweest om haar pad terug richting kerk weer te effenen. En daar voelde ze zich nu blijkbaar weer helemaal op haar plek. Wat wil een mens nog meer.
Dank, Spinoza voor de gemoedsrust die over mij kwam! Dank ook inleider die mij op dit spoor had gezet.

Hoe valt de bron van die gemoedsrust, die me niet alleen overviel maar vooral ook bij me bleef, nu te verklaren?
Uit stelling 27 van het vijfde deel van Spinoza’s Ethica: ‘Uit de derde soort van kennis [intuïtie in de zin van Spinoza: intuïtief weten, doorschouwen] ontstaat de grootst mogelijke gemoedsrust. Bewijs: de opperste deugd is het kennen van God. Hoe meer de geest met dit soort kennis dingen kent, hoe groter deze deugd. Wanneer iemand dus de dingen met deze soort kennis kent, bereikt hij de hoogst mogelijke volmaaktheid en de grootst mogelijke gemoedsrust.’

Antonio Damasio bouwt zijn boek Het gelijk van Spinoza ook op richting dat vijfde, korte deel uit Spinoza’s Ethica.
Volgens een andere inleider tijdens een zomerweek over Spinoza in Leusden, mede georganiseerd door datzelfde Spinozahuis, maakt Damasio hiermee een – volgens haar zeer ongewenste – draai richting geloof, oftewel: de traditionele opvatting van wat dit volgens haar inhoudt (‘het geloof in een persoonlijke, transcendente God en een leven na de dood’, Piet Steenbakkers in een tekst waarop ik straks verder in zal gaan) en niet de modernere die ‘neer komt op het inzicht dat de gehoorzaamheid jegens God niets anders is dan liefde jegens de naaste’ (Steenbakkers).

Nog helemaal los van het feit of je hier nu wel of niets tegen in wilt brengen, gaat het bij geloven niet alleen om het kennen van en de liefde voor God (amor Dei intellectualis), maar is het als een Jacobsladder: niet alleen figuurlijk naar boven, maar ook de ladder af, naar beneden.

Ook dit inzicht overviel mij op een bepaald moment: toen ik op een avond aan tafel zat.
Ik had lopen piekeren over een collega die mij, als afdelingshoofd, tijdens een functioneringsgesprek, – een gesprek op gelijkwaardig niveau tussen de werkgever en de werknemer – had gezegd niet met mij overweg te kunnen maar verzuimde, ook na herhaald aandringen, de reden(en) ervan te noemen. Dat zat me niet lekker, want hier kon ik niets mee. Maar terwijl ik zat te eten, zette ik blijkbaar een knop in mijn hoofd om – of werd er een knop in mijn hersens omgezet, wie zal het zeggen: Nee, het gaat er niet om of zij mij kent of dat ik haar beter had moeten kennen, maar het gaat erom dat God mij kent en op het goede pad zet. Zoals in Psalm 139:

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,
u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten.

En er overviel mij wederom een gevoel van gemoedsrust, die bij me bleef. Of deze nu te verklaren was aan de hand van de Ethica of werd aangedragen door die Psalm? Wie zal het zeggen.

Ik denk zelf dat het een combinatie was: de één (Spinoza) ging in gesprek met de ander (de Bijbel). Mag je dat zo zeggen? Volgens de inleidster in Leusden zou dit ongetwijfeld uit den boze zijn. En daarin staat ze niet alleen.
En daarmee gooit ze volgens mij vorm en inhoud uit elkaar; Spinoza mag dan weliswaar uit de synagoge zijn gezet, en al dan niet afscheid van het joodse denken hebben genomen – het denken zat hoe je het wend of keert toch in zijn DNA, al was het maar een klein strengetje.

Een beetje deterministische opvatting? Maar dat was ook het eerste dat ik over Spinoza leerde. Uit een cursus van de Open Universiteit Nederland. Die tekst van de eerder genoemde Piet Steenbakkers is nu, in een bewerking, een korte cursus van de Open Universiteit: http://www.ou.nl/eCache/DEF/2/24/443.html

Het is de originele tekst die mij op het spoor van Spinoza zette: ik had op grond hiervan een haat liefde verhouding met Spinoza en toog naar Leusden, naar de eerste zomercursus die door Het Spinozahuis in samenwerking met de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) over hem werd georganiseerd. Om meer over hem te weten te komen. En over wat er zowel aan die haat als die liefde ten grondslag zou kunnen liggen.

Zo kwam ik ook meer te weten over mezelf. Of, zoals de eerder genoemde Spinozakenner Piet Steenbakkers zijn cursustekst voor de Open Universiteit besluit: ‘Het lot van filosofen van dit formaat is, dat ze als persoon verdwijnen achter hun werk. Een filosofie waaraan eenmaal het predikaat klassiek is verleend, gaat een eigen leven leiden en wordt in zekere zin het rechtmatig eigendom van de eeuwen erna. Wij lezen deze wijsgeren – hoe zouden we anders kunnen – vanuit het tijdsgewricht waarin wijzelf ons bevinden, met alle voor- en nadelen van dien: historische distantie biedt meer overzicht, maar minder herkenning.’

Blog n.a.v.: Spinoza: Ethica studiegroep – cursus van de Volksuniversiteit Amsterdam:
http://www.volksuniversiteitamsterdam.nl/cursussen.php?parent_id=4267&child_id=4384&course_id=10366