Willem Jan Otten op Poetry International

12 ½ jaar geleden probeerde de Amsterdamse predikante Lenie van Reijendam-Beek zo dicht mogelijk bij ongeloof te komen. Ze schreef er De overtuiging van het ongeloof over. Ze pakte het aan zoals je een empirisch onderzoek aanpakt: eerst deed ze literatuuronderzoek en daarna veldwerk. Ze vroeg zich af waar de mensen van wie ze werk las, en de degenen die ze interviewden, hun inspiratie vandaan haalden. Uit verhalen, eigen ervaringen, natuur en kunst bleek haar. Ik moest aan Van Gogh denken, die het leven van mijnwerkers deelde en voor wie verhalen (van Zola en anderen), de natuur en kunst een eerste levensbehoefte bleken. Ze vroeg zich óók af, of – als ze niet zou deelnemen aan het religieuze leven – ze hier dan genoeg aan zou hebben. Ze moest erkennen dat het onderzoek niet helemaal eerlijk was geweest, want het is – zei ze in interview met Marlies Kieft (in: Trouw, 12 januari 1995), ‘niet mogelijk om jezelf van wat je gelooft af te snijden (…). Je kunt geen wezenlijke aspecten in jezelf laten zwijgen.’

Ik moest aan deze exercitie denken, toen ik dichter/schrijver/essayist Willem Jan Otten afgelopen zondag hoorde praten in een interview met Francis Broekhuijsen tijdens Poetry International in Rotterdam. Hij werd geïnterviewd over wat hij het mooiste gedicht van de wereld, dat wil zeggen zijn favoriete gedicht uit de schatkamer van Poetry International (zie afb. uitgave daarvan). Het bleek ‘Maria Lichtmis’ van de IJslandse dichteres Vilborg Dagbjartsdóttir te zijn. Hij hoorde haar dit in Rotterdam uitspreken, voor zijn bekering, zoals hij zei. Terzijde: zowel Otten als eerder zijn vrouw Vonne van der Meer bekeerden zich tot het rooms-katholicisme. Hij wist zich de naam van de dichteres niet meer te herinneren (‘Iets met een dagblad, als NRC Handelsblad, want daar werkte ik toen’), noch de titel van het gedicht. Ook de inhoud had zich anders in zijn geheugen vastgezet, als ging het over twee kaarsen: er werd er een op de vensterbank neergezet, als antwoord op iemand anders die een paar honderd meter verderop hetzelfde deed. Op de vraag van Broekhuijsen (‘ik voelde hem al aankomen’) waar Maria Lichtmis voor staat, begon Otten wat te stotteren over ‘iets met de geboorte van Maria in de tempel’. Uh?  Lees: de presentatie van Jezus in de tempel voor Simeon (Anna is er trouwens ook, Lucas 2: 25-35) – de man die Jezus op een schilderij van Rembrandt, volgens Van Reijendam in een preek die ik altijd heb onthouden, ‘wat onhandig vasthoudt’ (zie afb.). Typisch manlijk – dat kon je toen nog zeggen.

Ten aanzien van Otten past denk ik eenzelfde conclusie, als Van Reijendam na haar onderzoek trok: door die titel in je geheugen te wissen, de inhoud ervan zelfs niet te kennen, amputeer je het gedicht, snijdt je het af van de betekenis die de dichteres er ongetwijfeld op wat voor manier dan ook aan hechtte. Je mag zo een wezenlijk aspect van een gedicht niet het zwijgen opleggen. Ik vond het een nogal schokkende ervaring te midden van de andere interviews die ik Francis Broekhuijsen hoorde afnemen (Maria Barnas, Radna Fabius). Deze twee dichters probeerden eerder voorzichtig tastend achter de betekenis van hun keuze te komen. Typisch vrouwelijk? Dat kun je niet zeggen. Wél dat het zorgvuldig(er) was.

Kerstcadeau

Het was niet Bachs bedoeling, maar het is wél een cadeautje zo pal voor de kerstdagen: het complete Weihnachtsoratorium op één avond. Zes cantates maar liefst, drie voor en drie na de pauze. Gisteravond in TivoliVredenburg in Utrecht, rechtstreeks door de NTR uitgezonden in het Avondconcert op NPORadio4.

In een puike uitvoering: door het op de toppen van hun kunnen zingend Nederlands Kamerkoor met het Collegium 1704 uit Praag onder leiding van Peter Dijkstra, met al even geweldige solisten: de IJslandse sopraan Hannah Morrison, countertenor Maarten Engeltjes, de IJslandse tenor Benedikt Kristjánsson en de Duitse bas Tobias Berndt.

Dijkstra bouwde één en ander prachtig op, wat onder meer uit de koralen bleek. Eerst langzaam en gedragen maar gaandeweg qua tempo steeds wat sneller genomen. Met als hoogtepunt het zacht, teer en onbegeleid gezongen ‘Ich steh an deiner Krippen hier’ (zesde cantate). Maar wat vooral opviel, waren de retorische accenten die in de tekst werden gelegd. Of, liever, uit de tekst werden gehaald als werd een beeldhouwwerk uit steen uitgehouwen. Een paar voorbeelden uit de tweede en derde cantate.

In de tenoraria ‘Frohe Hirten, eilt, ach eilet’ leek het werkelijk of de vreugdevolle herders zich haasten en zo bijna over hun eigen voeten struikelden. Het basrecitatief ‘So geht denn hin, ihr Hirten, geht’ klonk, wanneer de kribbe ter sprake kwam, haast wiegend. In de daarop volgende aria hield in, na het beginwoord ‘Schlafe’. En tenslotte: in het koraal ‘Ich will dich mit Fleiss bewahren’ werd het woordje ‘schweben’ nét niet helemaal gelijk gezongen, zodat het werkelijk lees alsof het zweefde. Allemaal – ik zeg het nog een keer – kleine cadeautjes.

Het werd ook allemaal met veel zwier en vol (bas)accenten anderszins uitgevoerd. Een recitatief werd soms vooraf gegaan door een riedel van het klavecimbel als ging het om het geïmproviseerde langzame deel uit Bachs derde Brandenburgse concert.
Natuurlijk – het was ook mensenwerk: Maarten Engeltjes die afwisselend ‘zärtlicher’ en ‘zartlicher’ zing (aria eerste cantate), soms minder trefzekere (met name koper)blazers en tegen het eind hier en daar in wat wankel(er) wordende intonatie doorsijpelende moeheid.

Maar daar stond zoveel moois tegenover. Neem alleen al een kleinood als het recitatief ‘Und liess versammlen’ (vijfde cantate) met een rijke continuo bezetting: klavecimbel, orgel, luit en cello. Overigens was het niet het grote orgel dat dit keer werd bespeeld, maar dat mocht de pret niet drukken. Want speelplezier ja: dat spatte ervan af. Schitterend.

Dan dooft het licht …

RamsZe zijn niet hetzelfde, maar ze hebben soortgelijke problemen, zouden dus van elkaar kunnen leren en wat aan elkaar kunnen hebben. Dagblad Trouw bericht vrijdag 13 november een paar pagina’s van elkaar verwijderd over bibliotheek- en kerksluitingen. Voor een ouder bibliotheeklid verdwijnt zo een ontmoetingsplek dicht bij huis, terwijl de Protestantse Kerk Nederland (PKN) het zoekt in bisschoppen op regionaal niveau. Terug naar de basis, is een veelgehoorde kreet. Maar, zegt de verslaggever van Trouw droog (en daarom prefereer ik de krant boven de zure Volkskrant): wat is dat eigenlijk, terug naar de basis, en hoe moet dit worden ingevuld? Dat staat er niet bij.

Een uurtje later zit ik in de bioscoop en zie de IJslandse film Rams (zie afb.). De schaapkudden van twee broers, Gummi en Kiddi, die pal bij elkaar wonen maar al veertig jaar (!) niet meer met elkaar praten, vallen ten prooi aan scrapie en moeten worden geruimd. Het script is losjes gebaseerd op een echt gebeurd verhaal van twee zussen,  verteld aan de schrijver van het script/regisseur van de film door zijn moeder.

Halverwege (of is het op het punt van de gulden snede?) valt de winter in en wordt Kerstmis gevierd. Het christelijke feest met zijn ‘Vrede op aarde’ brengt beide broers niet tot elkaar. En toch komen de broers, al even losjes gebaseerd op Kaïn en Abel, nader tot elkaar. Op een hoogvlakte. ‘Het is symbolisch’ zegt regisseur Grímur Hákonarson in een vraaggesprek met de zaal na afloop van de vertoning van de film in het kader van de Rialto Filmclub. Zoals veel in de film symbolisch is; ik wees al op het getal veertig (veertig jaar in de woestijn enz.).

Hákonarson vertelt meer. Over de cultuur in IJsland, waar het in de winter donker blijft. Over verhalen, saamhorigheid en het op elkaar terugvallen om in donkere tijden, letterlijk en figuurlijk (hij verwijst naar crisissituaties) te kunnen overleven.
Zou dat niet een basis, een grond onder de voeten kunnen zijn: verhalen, christelijk of niet, het Kerstverhaal, dat van Kaïn en Abel die werkelijkheid worden, waaruit wordt geleefd en die gebeuren?
Donkerte heerst dan niet zozeer waar bibliotheken en kerken sluiten, maar waar het verhaal en ontmoetingen uitdoven.

De waarheid hiervan bleek de dag hierna, de zaterdag na de aanslagen in Parijs, toen in een leerhuis van dr. Anton Wessels over Apocalyptiek in de koran (LATE) aan het eind een Marokkaanse moslima het woord nam. Nadat we al een hele ochtend hadden zitten lernen gebeurde het: de trialoog waar de wereld naar smacht.

http://www.trouw.nl/tr/nl/4716/Christendom/article/detail/4185676/2015/11/13/De-protestantse-bisschop-zal-geen-mijter-dragen.dhtml