Bach in Breda

Presentator Wim Thijs stelde na een kort interview met de Italiaanse organist Manuel Tomadin, voorafgaand aan diens concert op het Hillen-orgel in de Grote Kerk van Breda (7 augustus jl.) vast, dat het met een Italiaanse organist dansen wordt in de werken van Bach die hij ging spelen: de Preludium en fuga in a kl.t. BWV 543 en het derde deel uit de Triosonate in Es gr.t. BWV 525. Hoe je iemand toch weer een stempel op kunt drukken …

Er gebeurde echter iets anders dat mijn aandacht trok. In de Preludium van Bach lichtte Tomadin er af en toe een passage uit, door dit met een tongwerk te spelen, boven het plenum (volle werk). Het (b)leken fragmenten uit een Luthers koraal die hij zo benadrukte en in het volle licht zette. O, ja: Tomadin is organist van de Lutherse Kerk in Trieste, of bezondig ik me dan evenzeer aan etiketten plakkerij? Ik denk het overigens eigenlijk niet – eerder aan context geven.

Bach deed namelijk zoals we weten aan parodiëren (lees: baseerde zijn werk soms op eerder geschreven composities). Of citeerde in een seculier verband koraalfragmenten, zoals ook in het begin van het Vioolconcert in E gr.t. BWV 1042, waarin je het Wachet auf, ruft uns die Stimme herkent. Tijdgenoten zullen dat allemaal hebben gehoord, maar volgens Klaus Häfner tijdens een lezing tijdens het Festival Oude Muziek 1993 in Utrecht hebben mensen die dit nu nóg zo horen ‘niets van Bach begrepen’. Dank u. Ik kan niet anders. En vind het alleen maar verrijkend, om eerlijk te zijn.

Nog een stapje verder. Zo’n uitgelicht koraalfragment in het Preludium van Bach is misschien ook kenmerkend voor onze fragmentariserende, seculaire tijd.Over context gesproken.
Ik denk aan een kerkdienst, op Eerste Pinksterdag, waar ds. Trinus Hibma het in zijn preek in de Amsterdamse Bethelkerk het niet alleen had over gebroken verwachtingen, maar ook over nieuwe dromen, die je ‘kakelvers’ op kunt bouwen. Assembleren zoals de Lutherse missen van Bach (waarin de componist ook teruggreep op eerder geschreven werk, dat hier van een andere tekst werd voorzien), of zoals samengestelde fragmenten uit een Lutherkoraal, ingeweven in een Preludium van diezelfde Bach. Scherven brengen soms geluk.

Monteverdi’s Mariavespers in Holland Festival

Alleen in het Evangelie van Johannes vallen Pasen en Pinksteren op één dag, en toch had ik het gevoel dat ze dit op Eerste Pinksterdag ook deden bij de half-geënsceneerde opvoering van Monteverdi’s Mariavespers (1610) – tenslotte een ‘religieuze meditatie’ volgens Pierre Audi in het programmaboekje – in het kader van het Holland Festival in de vijftien meter hoge Gashouder in Amsterdam, waar al eerder Nono’s Prometeo en Neuwirths Encantadas te zien waren.

Dat komt zo. Midden in de Gashouder, met daaromheen halfrond opgebouwde tribunes tegenover koor en orkest, lag een monumentale sculptuur van Berlinde De Bruyckere: Cripplewood (Kreupelhout), die eerder te zien was tijdens de Biënnale van Venetië (2013). We kennen haar werk rond grote thema’s als lijden, hoop, kwetsbaarheid. Deze dubbelheid, deerniswekkend aan de ene kant en krachtig aan de andere kant, proefde ik ook in deze sculptuur, bestaande uit een op de grond liggende, 20 meter lange boomstronk (een iep, wist iemand te vertellen) waarin je, mede door de steeds wisselende belichting, ook knekels kon zien. Of zoals J.M. Coetzee naar aanleiding van de Biënnale schreef: ‘Een exploratie van leven en dood – dood en leven, leven in dood, leven voor de dood, dood voor de dood.’
Het riep een Bijbeltekst te binnen die met Pasen wel wordt gelezen: over dorre doodsbeenderen (Ezechiël 37) die langzaam weer tot leven komen.

Het waren de geweldige solisten en het al even geweldige, ongeveer veertig mensen tellende, in 2006 opgerichte koor Pygmalion onder leiding van Raphaël Pichon die er dan weer omheen liepen, dan weer voor bleven staan, dan weer bij gingen liggen waardoor deze dubbelheid van dood en leven werd benadrukt; ze zongen een doodsklacht, ze leken het al zingend adem in te blazen als in het Pinksterverhaal. Grotendeels in blauwgrijze kleding; we hebben het tenslotte over Mariavespers. Ondersteund door het gelijknamige, op authentieke instrumenten spelende orkest, met een rijke continuo-bezetting waarin twee harpen opvielen die met hun sensuelere klank dan bijvoorbeeld die van een luit teksten uit het Hooglied ondersteunden. Wat een vondst! Koor en orkest waren bij De Nationale Opera al eerder te horen geweest in de productie Trauernacht.

De bedoeling van Audi, De Bruyckere en Pichon was overigens ook om een ‘mise-en-écouté’ in de ruimte (‘mise-en-espace’) neer te zetten: een verbeelde luisterervaring als in de San Marco in Venetië, waarvoor Monteverdi zijn werk schreef. Je kon je inderdaad in de San Marco wanen, met de musici die van plaats veranderden en de klank die je vanaf steigers alom omringde. Prachtig hoe zacht de instrumentalisten soms durfden te gaan en toch door de hele, in het donker gezette ruimte goed hoorbaar bleven, dankzij de onvolprezen geluidstechnicus Jan Panis. Een nadeel bij deze opzet was wel, dat er geen boventiteling was of op z’n minst een aanduiding van wat werd gezongen: welke Psalm, wel deel uit het Hooglied, welke Evangelietekst of wat dan ook. Te beginnen met een schitterend gregoriaans Pater Noster (Onze Vader).
Te snappen was het natuurlijk wél, want zo’n tekstbalk zou het fraaie lichtontwerp van Felice Ross en de video’s van Mirjam Devriendt doorbreken.

Het leek wel een gewijde viering. Voor Maria, voor de natuur, voor leven en dood, levenden en doden. Even dacht ik: wat zou Henk Vreekamp hiervan hebben gevonden, de ‘door joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog’? We zullen het niet weten maar iedereen werd uitgedaagd zijn/haar eigen invulling aan deze ervaring te geven.