Een witregel

Afgelopen tijd heb ik de twee boeken waarvan de omslagen hierboven zijn afgebeeld, afzonderlijk belicht. Gisteren kwam tijdens de leesclub ten huize van Jan Oegema de proef op de som: ze, indien mogelijk, in samenhang te lezen? En wat is de troost dan? Om de beurt mochten we zoeken naar een antwoord. Ik zocht het in het verlengde van de laatste zin van een recensie van Harry Pals, pastor van de Janskerk in Utrecht (in: Ophef,2/2018), van het boek van Esther Gerritsen: ‘Is God de trooster uit de titel? Of is Jakob dat, ondanks al zijn mislukkingen, als een soort “gewonde genezer”? Heeft Henry Loman troost van Jakob ervaren? Goddelijke troost? Ontvangen wij als lezers troost van dit boek? Ik heb het wel zo ervaren’, aldus Pals.

Ik ook. Maar waar zat dat hem dan in, en gold dat ook voor de Psalmen na geschreven van Gert Bremer? Ik zei het te zoeken in de witregels bij Gerritsen, die ik eerder vergeleek met de generale pauzes in een symfonie van Bruckner. Ze laten je even op adem komen, geven je ruimte. Het zijn plaatsen waar licht komt, door een kiertje. Stille plekken te midden van alle ‘words, words, words’. Je hebt het nodig, want het is een heftig boek, die roman van Gerritsen.

Zomaar wat zinnen waarna een witregel komt, om dit idee aan te toetsen. Het gaat dan om de stilte zelf, het kijken zonder te spreken, een hand uitstrekken. Zoals letterlijk in één woord: ‘Stilte’ (p. 80), of een zin als: ‘Ze bekeek me, onmiskenbaar, zonder schaamte, met een glimlach die ik niet thuis kon brengen’ (p. 77) en ‘Ik legde mijn hand op het raam om hem te troosten’ (p. 184). Aangeraakt worden – door de stilte, door een blik, een hand die je niet raakt maar er wel is. Woorden die niet worden gesproken maar je inwendig hoort.

Zo moet het ook voor Gert Bremer zijn geweest, toen hij zijn reflecties op de Psalmen schreef, na een witregel en cursief gezet. Hij legt ook de hand op een raam, om dat te openen. In zichzelf, waar hij de ruimte, de Ene zoekt. Vooralsnog in zichzelf, immanent, met een groot vraagteken bij de transcendentie van God omdat dit een dualiteit oproept waar hij weinig (meer of nog) mee kan.

Een ‘echte’ witregel, behalve die tussen de Psalmtekst en de reflectie, vond ik maar één keer: in Psalm 14:

Van grote hoogte greep de Ene in,
greep mij vrij uit het ziedende water,
vrij van mijn ergste vijand,
toen, op die onheilsdag,
toen mijn haters mij te sterk waren.

De Ene stond bij mij
en bracht mij in veiligheid
want zo vergaat het die de Ene hoog heeft.

Als daar geen troost in zit!

P.S. Ik lees in het boek Dicht bij het onuitsprekelijke van Martien E. Brinkman in zijn essay over Hans Faverey dat het in diens dichterschap gaat ‘om een vorm van zwijgen die zijn doel nooit kan bereiken omdat juist woorden nodig zijn om de ruimte voor het zwijgen te creëren’ (p. 94). Brinkman besluit dezelfde alinea met de veronderstelling dat ‘het vele wit dat Faverey typografisch in zijn gedichten aanbrengt, naar die onmacht zou kunnen verwijzen’. Of – waag ik dan te veronderstellen, zonder het op dit moment al hard te kunnen maken – naar die ruimte?

Een verbintenis

In het interview dat Anne-Lot Hoek had met de Indonesische kunstenaar Iswanto Hartono (1972), van wie t/m 15 november a.s. in de Amsterdamse Oude Kerk een solo-expositie valt te zien, springen er een paar woorden uit: het naast elkaar laten staan van meerdere perspectieven op het koloniale verleden, de verbintenis tussen de geschiedenis van Nederland en Indonesië, de ambiguïteit en dualiteit ervan.

Een werk getiteld Monuments (in de Sebastiaanskapel) bestaat uit was en FRP en vergaat langzaam, zoals je op dit moment in Museum Voorlinden in Wassenaar op de tentoonstelling De tussentijd (de gevoelstijd) tal van werken kunt aantreffen die vergaan. Bijvoorbeeld het blok ijs van Michel François (Deux temps) dat al smeltend verkleint naast een blok marmer.
Bijzonderder is daarom naar mijn idee Trophy (in de Spiegelkamer, zie foto hierboven), dat bestaat uit werken die allemaal op de een of andere manier met de jacht te maken hebben. ‘Het primaire menselijke instinct om de ander te overwinnen’, staat in de begeleidende krant te lezen, ‘is universeel.’ En geeft ook uiting aan de hiervoor genoemde meerdere perspectieven, de verbintenis tussen Nederland en Indonesië, ambiguïteit en dualiteit. Want – lezen we verder – ‘toen de Nederlanders [in Indonesië, EvS] kwamen, werd het jagen een tijdverdrijf waarmee de kolonisten zich kostelijk vermaakten. Het geschoten dier vormde een bewijs van onverschrokkenheid, en kreeg een prominente plaats in de huiskamer.’

De geweien voeren mij in gedachten terug naar de toneelstukken van Shakespeare waarin een gewei voorkomt. Naar Sir John met een gewei op zijn hoofd in de Vrolijke vrouwtjes van Windsor, naar de mythe van de ongelukkige jager Actaeon die een onderlaag vormt in The Tempest (hij wordt door Diana in een hert veranderd), naar het dode hert in de regie van Hamlet door Luk Perceval. Een hert dat hier in verband werd gebracht met ondergang en wederopstanding, oude ideeën die plaats maken voor nieuwe.

Dat laatste herkent iedereen die adaptaties naar Shakespeare een beetje heeft gevolgd. Ik denk dan niet zozeer aan Othello: a play in black and white dat ik in 2008 in het (toenmalige) Tropentheater in Amsterdam zag in een opvoering door The Indian Shakespeare Company (dat is ideologisch theater), maar eerder – een stapje verder – aan Hamlet – the crown prince in een opvoering door The Company Theatre uit Mumbai, in 2010 in hetzelfde Tropentheater waarin een impliciete (of expliciete?) verwijzing voorkwam naar de expositie Rood die toen in het Tropenmuseum was te zien, en vooral naar Hamlet (Hebûn an nebûn) door RAST, weer twee jaar later in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Een Hamlet in het Koerdisch. Dat was op zich al opmerkelijk, maar indrukwekkend vond ik het gegeven dat er iets aan was toegevoegd. Nee, geen geweien, maar verhalen in de Koerdische verteltraditie. Een verteller zat rechts op het podium, zodat het onderscheid met het stuk der stukken duidelijk was.

Misschien maken deze Hamlet en Hartono’s werk ons iets duidelijk van iets soortgelijks dat de oud-Theoloog des Vaderlands, Janneke Stegeman, uitdrukt in haar pamflet Alles moet anders! – bevrijdingstheologie voor witte Nederlanders (uitgeverij Boekencentrum/Kok) iets soortgelijks: theologie, kunst, de geweien van Hartono en toneel, zoals Hamlet door RAST, krijgen op die manier een context. Niet vanuit een ‘wij’ en ‘zij’-denken (Nederland en Indonesië, een blanke versus een gekleurde opvoering van Hamlet) maar in gezamenlijkheid, waarbij beide perspectieven naast elkaar blijven staan en een verbintenis aangaan.

Het is opvallend dat een theologe dit zegt en opvallend dat de tentoonstelling van Hartono in de Oude Kerk plaatsvindt, op de graven van VOC’ers als Isaac Sweers en Nicolaes Witsen Een gewei universeel? Nee, dat niet – in de drie stukken van Shakespeare alleen al speelt het een andere rol. Maar de neiging om de ander te overheersen is dat wel. Het zou al heel wat zijn als de christelijke kerk dat, in de voetsporen van de tentoonstelling en het artikel van Stegeman, zou erkennen.

De wereld denken

Gescoord in de ramsj : twee gesprekken tussen filosoof Jean Baudrillard en architect Jean Nouvel: Unieke objecten (uitg. Klement/Pelckmans). De tweede architect dit jaar in wiens werk ik me, na Zaha Hadid, verdiep. En wát voor een architect!

Baudrillard stelt hem aan het begin een vraag die een beetje de leidraad van het gesprek wordt: ‘Is er een waarheid van de architectuur, in de zin dat er een boven-zinnelijke bestemming van de architectuur, van ruimte zou zijn?’ Even verderop geeft hij zelf ook een antwoord: er moet dualiteit, interactiviteit en context zijn wil een gebouw verleiden. Een gebouw moet niet over-esthetisch zijn, een pretentie aan betekenis uitdrukken, maar iets hebben wat de esthetiek overstijgt: een geheim. Er moet sprake zijn van een tussenruimte, een leegte, een niets.’
Nouvel gebruikt soortgelijke termen wanneer hij het heeft over ‘een esthetiek van de openbaring’, metafysica en premeditatieve arbeid. En tenslotte: ‘De stijl zou een singuliere manier moeten weerspiegelen om de wereld te denken.’

Wie zijn werk (een beetje) leert kennen, of al kent, herkent deze uitspraken er allemaal in terug. Nouvels stijl op zich en al zijn gebouwen in het bijzonder zijn singulier en vallen in geen enkel hokje onder te brengen. Iets wat overigens ook voor het werk van Hadid geldt. Nouvel paart high tech-ontwikkelingen aan prachtige kleuren en structuren die niet alleen verrassen (verleiden noemt Baudrillard het) maar ook aansluiten op de context, de omgeving.

In Nederland staat er tot nu toe een voorbeeld van: het nieuwe hoofdkantoor van het Europees Octrooibureau in Rijswijk, dat volgend jaar in gebruik wordt genomen. Wat Nouvel hier deed, is aansluiting vinden bij het Hollandse landschap. In de glazen gevel met zijn transparantie en weerkaatsing van het licht, vind je er iets van terug.
Ook in België valt een mooi voorbeeld van zijn werk te vinden: het hoofdkwartier van politie in Charleroi, in combinatie met een dansstudio. Het hoge gebouw (75 meter ten opzichte van 107 meter in Rijswijk) sluit op de begane grond haast naadloos aan op de omringende laagbouw. Dat was ook de bedoeling. De toren is niet van glas, maar van geglazuurd politie-blauwe bakstenen die contrasteren met de rode baksteen gebouwen aan de voet ervan.
Iets verder weg, in Parijs, staat het prachtige Institut du Monde Arabe, waarvan de gevel (zie afb. rechts) is geïnspireerd door de noucharabies uit de Islamitische architectuur.

Aan de overzijde van de Oceaan bouwde Nouvel het Minneapolis’s Guthrie theater, geïnspireerd door het industriële verleden, de Mississippi River en de St. Anthony Falls (zie afb. links). Het lijkt zo op afbeeldingen van een adembenemende schoonheid te zijn.
Aan de andere kant van de wereld verrijst het National Art Museum of China, een ontwerp waarmee hij Rem Koolhaas, Zaha Hadid en Frank Gehry de loef afstak. Het ontwerp is gebaseerd op een penseelstreek en verheft zich, boven-zinnelijk, van de aarde.

Ik zie het al: verkende ik afgelopen zomer Londen in de voetsporen van Hadid, een volgende keer is Nouvel aan de beurt. Voor naar het One New Change complex, dat hij maakte als een contrapunt op de St. Paul’s Cathedral. Vanaf het terras schijn je ook nog een prachtig uitzicht over de stad te hebben. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de Torre Agba in Barcelona, of Le Philharmonie de Paris. Er valt nog zoveel te ontdekken …

http://www.architecturaldigest.com/gallery/jean-nouvel-architecture