Carlos Micháns – de componist

Afgelopen vrijdag, 22 november jl., voerde het ROctet (strijkers uit het Radio Filharmonisch Orkest) in het Vrijdagconcert in TivoliVredenburg een werk van Carlos Micháns uit. Zo vaak is er niet iets van hem te horen, dus dit is een blog waard. Ik baseer mij hier op een tekst die eerder in Mens en melodie (2006) en later in uitgebreidere vorm als componistenbrochure bij Muziek Centrum Nederland verscheen (2010).

De componist
Carlos Micháns werd in 1959 in Buenos Aires geboren, waar hij piano, orgel, compositie, koor- en orkestdirectie studeerde. In 1982 kwam hij naar Nederland en studeerde hij aan het Utrechts Conservatorium compositie bij Hans Kox en Tristan Keuris en elektronische muziek bij Ton Bruynèl. Zijn in Utrecht uitgevoerde Variations on a Tamil lyric, een divertimento, schreef hij in 2000 voor Christian Bor en het Reizend Muziekgezelschap. Het ging op 28 mei van dat jaar in première in De Doelen in Rotterdam. Uit de titel blijkt al Micháns belangstelling voor andere muziek en teksten; hij is zelf ook schrijver. Daarover schreef ik in een eerdere blog (2015).

Composities
In zijn muzikale ontwikkeling valt een vergelijking te trekken met de steeds abstracter vormgegeven boom van Mondriaan. Ik begin met vroeg werk dat in Nederland ontstond.
De Cinco Canciones de Amor (1988) voor bariton en piano op teksten van Pablo Neruda zijn bijvoorbeeld sterk visueel en voorzien van een suggestieve begeleiding.
De Apparitions (1990) voor piano geven een tussenpositie aan: het is, net als bij Mondriaan, aan de luisteraar of kijker om de Verschijningen al dan niet van een betekenis of beeld te voorzien. Maar in Phoenix (1997) voor orkest gaat het niet meer om een fotografische beschrijving van een stad die uit de as verrijst, maar om de geest van een stad in het algemeen. Om het even of dit Buenos Aires of Enschede is. In een toelichting bij de Trois étoffes anciennes (2003) voor altviool en piano zegt de componist streng dat het ‘absoluut géén beeldende muziek is’ en ‘men (…) geen verhaal achter de afzonderlijke titels moet zoeken.’
Het woord abstract tenslotte komt voor in een toelichting bij Entre nous voor viool en cello uit hetzelfde jaar. Het is ‘puur en zuiver een stuk abstracte, instrumentale muziek’ aldus de componist.
Dit neemt echter niet weg dat bij een luisteraar toch beelden kunnen worden opgeroepen en ook mogen worden opgeroepen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Thea Derks, die in een toelichting bij het Quartetto nr. 2 (1998) voor saxofoonkwartet schrijft dat het laatste deel hiervan, het Largo nostalgico, haar door de ‘donkere kleuren en broeierige samenklanken herinnert aan een zomerdag die versterft in een nevelige zonsondergang.’ 1

Dualiteit
Kenmerkend voor Micháns werk is een zekere dualiteit. We horen die onder meer terug in L’ange maudit (2000) voor viool en piano, ofwel de Gevallen engel. Op één of andere manier blijft het, zeker in de vioolpartij, een engel. De pianopartij daarentegen wordt sterker gekenmerkt door zowel ‘een zekere exuberantie’ als ‘een voorliefde voor welluidende samenklanken, al schuwt hij het gebruik van dissonanten niet.’ In zowel Micháns literaire als compositorische werk wordt een samenhang gevonden door zich herhalende regels of ‘een paar duidelijk herkenbare motieven’, zoals Frits van der Waa naar aanleiding van Kaleidos (Sinfonia concertante no. 3) (2000) voor klarinet, viool, piano en orkest schrijft.’ 2

Zo wordt in de eerder genoemde Cinco Canciones de Amor, een liederencyclus, de éénheid tussen de liederen bereikt door het herhaald toepassen van dezelfde melodische, ritmische en harmonische elementen. Toch heeft ook elk lied, en bijvoorbeeld in het Concerto da camera (1993) voor viool en ensemble elk deel, zijn eigen elementen. Op die manier ontstaat telkens een rijke maar compacte doorwerking op basis van weinig materiaal, waarbinnen de afwisseling evenzeer aan onderlinge samenhang bijdraagt.

Hetzelfde geldt voor de drie delen van het Concerto per saxophone and orchestra (2009): elk deel heeft een eigen karakter, gekenmerkt door wisselingen van tempo en dynamiek. Zo maakt het tweede deel alleen gebruik van strijkers, harp en piano en wordt in het laatste deel de rol van het orkest beperkt tot een vrij percussief spel.

Variations on a Tamil lyric
Terug naar de componist. Vanaf 1986 kreeg Micháns financiële steun van Nederlandse en buitenlandse fondsen, van de Stichting Gaudeamus en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zo kon hij verschillende buitenlandse tournees organiseren om zijn eigen composities, maar ook andere Nederlandse muziek en musici te promoten. Tevens werd hij door buitenlandse universiteiten en hogescholen uitgenodigd om als gastdocent en spreker op te treden. Zo kwam hij onder andere tientallen keren in Zuid-India waar hij de muziek van de Tamils leerde kennen en een jaar hun taal leerde. Dit inspireerde hem tot het divertimento onder de titel Variations on a Tamil lyric dat afgelopen vrijdag in Utrecht door het ROctet werd uitgevoerd.

Voor dit concert interviewde Mark Brouwers hem voor de rechtstreekse radio-uitzending. Hij sprak over een ‘swingend nummertje’. Micháns legde uit dat het een kerstliedje voor kerkelijk gebruik is (In Bethlehem) dat, in tegenstelling tot westerse kerstliederen, niet direct de link legt met Jezus’ kruisdood en daarom vrolijk(er) klinkt. De melodie heeft de componist zo goed als intact gelaten en varieert daar op een wat surrealistische manier over, iets wat wij ook uit Micháns’ boeken kennen.

Het werk werd al eerder op CD gezet. Om thuis nog eens te beluisteren, voor degenen die het concert of de rechtstreekse radio-uitzending hebben gemist.

 

1 Thea Derks in de toelichting bij de cd-opname van het Koh-i-noor Saxophone Quartet op Saxophone Quartets from The Netherlands (NM Classics NM 92116).
2  Frits van der Waa: ‘Micháns Kaleidos temperamentvol maar wispelturig.’ In: de Volkskrant, 19 januari 2004.

Dick Raaijmakers en Jan Boerman

Soms schrik je van jezelf. Toen ik iets wilde schrijven over Nederlandse elektronische muziek, kwam meteen de naam van Jan Boerman (1923, foto rechts) bij mij boven. Daarmee had ik dus niet voor Dick Raaijmakers (1930-2013, foto links) gekozen, de andere godfather van de elektronische muziek die Floris Kortie op 13 oktober jl. in het zonnetje zette in het televisieprogramma Podium Witteman. Mijn keuze zei eigenlijk net zoveel over mijzelf als over beide nestors van de elektronische muziek in Nederland, maar door deze keus als uitgangspunt te nemen, kan ook iets worden verduidelijkt voor lezers van deze blog die nog niet zoveel elektronische muziek hebben gehoord of voor bezoekers van het Amsterdam Dance Festival dat nog tot en met zondag 20 oktober duurt. Waaraan moeten zij bijvoorbeeld de voorkeur geven als zij zouden moeten kiezen tussen Boerman of Raaijmakers. Wat past het beste bij hun belevingswereld?

Raaijmakers en Boerman
Beide namen, Dick Raaijmakers en Jan Boerman, worden overigens maar al te vaak in één adem genoemd. Het is net als met die andere pioniers uit de popmuziek: de Beatles en de Rolling Stones. Ik weet nog uit mijn middelbare schooltijd dat je of voor de ene groep was of voor de andere, hoewel ik later steeds meer waardering voor de Rolling Stones kreeg.
Datzelfde geldt ook een beetje voor Raaijmakers en Boerman. Eerstgenoemde componist heeft het ironische, ondermijnende in zijn muziek dat we ook van de Stones kennen. Jan Boerman daarentegen is meer verwant aan de welluidende, esthetische muziek van de Beatles. Nu heb ik de deuren van de middelbare school al lang geleden achter me dicht getrokken, en zo zwart-wit als je in de puberteit over niet alleen de Beatles en de Rolling Stones, maar ook over andere zaken denkt, doe je op latere leeftijd niet meer, maar de vergelijking tussen Boerman en Raaijmakers kan nog steeds best worden uitgewerkt.

Kompositie 1972
Neem als voorbeeld het sleutelwerk in niet alleen het oeuvre van Jan Boerman, maar ook binnen de gehele elektronische muziek: Kompositie 1972. Het is verstilde, verfijnde poëzie die ademt en waarin je als het ware kunt wonen als in een evenwichtig Amsterdams grachtenpand van een Vingboons. Er wordt een samenhangend verhaal verteld, dat zich logischerwijze ontvouwt van a naar b, hoe tegenstrijdig dit misschien op grond van de abstracte titel ook moge klinken. In die zin heeft Boerman eens gezegd zich verwant te voelen met niet alleen de dramatiek maar ook de retoriek van Monteverdi.
Onder die bovenlaag gaat bij Boerman een geraffineerde, evenwichtige opbouw schuil – alweer: à la Vingboons! Hierbij is de componist uitgegaan van de gulden snede, die vooral in de romantiek (!) in de belangstelling stond, ter beteugeling van al dan niet heftige gevoelens. De expressiviteit van de romantiek is Boerman overigens niet vreemd, zoals we nog zullen zien.

Dick Raaijmakers
Raaijmakers’ muziek is eerder verwant aan de improvisatiekunst zoals we die uit de jazzmuziek kennen. Hij speelt met geluiden en rijgt ze aan elkaar. Hij moet het hebben van een idee, een inval, een uitgangspunt. Zijn muziek gaat over muziek, over datgene wat achter de klanken verborgen zit, terwijl Boerman uitgaat van autonome, abstracte en pure klanken. Je zou met andere woorden Raaijmakers’ muziek transcendent, verheven boven het aardse kunnen noemen en die van Boerman immanent, geworteld in het aardse.

Boerman en Raaijmakers
Doe ik hiermee nu onrecht aan Raaijmakers’ muziek? In wezen niet meer dan aan die van Boerman, over wiens muziek ik mij evenzeer een persoonlijk beeld heb gevormd. Dat laatste geldt, maar dan op een andere manier, ook voor Raaijmakers. Wat zijn muziek betreft kan ik alleen maar instemmen met verschillende uitlatingen die Kees Polling over zijn werk heeft gedaan. In de VPRO Gids (27 mei 1995) bijvoorbeeld heette het dat Raaijmakers’ kameropera Der Stein uit hetzelfde jaar ‘even afstotend als intrigerend, even rotzooiend als geniaal is’. In Trouw (28 september 1995) hernam Polling dezelfde gevoelens door te schrijven dat wat hem boeit ‘de wisselwerking tussen fascinatie en irritatie en de tegenstelling tussen schoonheid en lelijkheid is’. Zelf heeft Dick Raaijmakers eens, ook tegen Kees Polling (in Muziek en Dans, mei 1984) gezegd te willen dat hij ‘een Jan Boerman was, zeg maar datgene wat hij vertegenwoordigt. Ik zou willen dat ik een loot was van de romantiek, zoals Webern dat toch eigenlijk ook was. Dat ben ik niet. Ik vertegenwoordig daarentegen een soort tragisch element. Het is jammer dat wat ik doe niet uit de romantiek voortkomt’.

Omdat Dick Raaijmakers geen Jan Boerman is, en beiden totaal verschillend zijn, konden ze ook goed met elkaar opschieten en vulden ze elkaar aan, wat niet wil zeggen dat een beperkt persoon, zoals ik, ook op eenzelfde manier door beider muziek wordt aangesproken. Daar is gewoon niets aan te doen.


Deze blog verscheen in iets gewijzigde vorm eerder als een
Kleine Kunstkroniek in Kunst en Wetenschap (jrg. 7 nr. 4, winter 1998-1999). De kroniek wordt hier hernomen in het kader van het Amsterdam Dance Event in de Melkweg (16-20 oktober 2019).

Kansen in een nieuwe wereld

aby-warburg_zkmIn De Groene Amsterdammer van 13 oktober jl. stond een lang, en uiterst interessant artikel van Christel Vesters over ‘Aby Warburgs atlas van de wereld.’ Warburg (1866-1929) werkte aan een alomvattende cultuurwetenschap langs de weg van tijdelijke ‘associatieve allianties.’ Zou dat niet een inspiratiebron kunnen zijn om de ontwikkeling van de nieuwe catalogiseernormen voor bibliotheken (FRBR, RDI) verder te ontwikkelen?

Eerst: wat omvatten die nieuwe normen? Ik put uit een les die ik daarover gaf in het kader van een post-hbo cursus over de formele ontsluiting van bladmuziek. Drie constateringen vooraf, die ik nota bene haal uit het boek Onder stroom van de musicologe Jacqueline Oskamp. Een boek over de geschiedenis van de elektronische muziek in Nederland – dus helemáál niet over catalogusregels. Maar wél heel kenmerkend en daar zó naar te vertalen. Hier komen ze:

  1. In Frankrijk en Duitsland draaide het om grote instituten m.b.t. elektronische muziek, in Nederland zien we ‘een anarchistisch rommeltje van professionele en privéstudio’s bevolkt door een handvol flamboyante talenten’, aldus Oskamp
  2. Het gaat haar om ideeën, niet over techniek, want die veroudert snel
  3. Studenten aan de Conservatoria worden nu weer aan het werk gezet met tape en schaar, ‘zodat ze het ambacht leren en niet de computer al het werk laten doen.’ Aldus de laatste zin van een interview met Oskamp in de VPRO Gids van eind maart 2011.

Wat is dan de moraal van dit verhaal, vertaald naar de formele (en inhoudelijke) ontsluiting van musicalia?
Het eerste punt herkennen we: Duitsland kende de z.g. RAK-regels, waaronder die ‘für Musikalien und Musiktonträger’ (RAK-Musik, 1986), Nederland kent ook veel huisregels (bijvoorbeeld m.b.t. de vraag wanneer je de vorm van uitgave toepast). Dat heeft z’n voor en tegen, en daar moeten we ons bewust van zijn wanneer er over de toepassing van bijvoorbeeld Resource, Description and Access (RDA) gaan hebben; Nederland is een land waar men hier om verschillende redenen nog niet zo hard achteraan loopt.

Het tweede punt is iets wat ook de basis vormt van met name de Functional Requirements for Bibliographic Records (FRBR), een ideeënbouwwerk à la Warburg pur sang. Hier staat het filosofische concept ‘werk’ centraal, en daar bouw je op grond van relaties omheen. Zo’n beetje zoals de bibliotheek van het Van Goghmuseum is opgebouwd: wanneer Van Gogh in zijn Brieven een bepaald boek noemt, wordt ook dát aangeschaft en in de collectie opgenomen.

Het derde en laatste punt: studenten die weer met tape en schaar in de weer gaan om het ambacht te leren. Het is heel goed dat mensen die ook bij het aanleveren van centraal gemaakte beschrijvingen van de hoed en de rand weten.

Dat allemaal als aanloop naar, en goed om in het achterhoofd te houden bij het vervolg van dit verhaal: recente ontwikkelingen die luisteren naar de afkortingen FRBR en RDI.
In Informatie Professional nr. 11/2008 heeft Peter Schouten een artikel gepubliceerd onder de titel Ontdekking van een Nieuwe Wereld: veranderende inzichten rond catalogiseren. FRBR behoort tot dat nieuwe wereldbeeld.

In september jl. organiseerde de FOBID wederom een studiedag over RDA. RDA staat als gezegd voor Resource, Description and Access. Met Resource worden de informatiebronnen bedoeld, met Description de beschrijving daarvan en met Access de ingangen tot de titelbeschrijving (wat we formele ontsluiting noemen).
RDA helpt om het potentieel te realiseren van FRBR met gebruikmaking van de aloude International Standard Bibliographic Description (ISBD).

Het zijn allemaal termen die niet terugkomen in het artikel van kunsthistoricus, curator en onderzoeker Christel Vesters. Zij noemt wel het Dewey Decimale Classificatie-systeem (DDC), waarin boeken ‘hun vaste positie hebben – discipline, onderwerp, titel, auteur, jaartal enzovoort.’ Het artikel gaat dan ook primair over Warburgs ‘tijdelijke “associatieve allianties”.’ Maar zijn ideeën gaan verder en kunnen ook dienstbaar zijn bij de discussie en het ontwikkelen van RDA, waarin immers ook relaties worden gelegd.

Vanuit dat gezichtspunt wordt niet alleen een bibliotheek (Warburg) maar ook een catalogus ‘een dynamische en interactieve Denkraum’ die kan worden gedeeld met de gebruikers ervan.
Immers: Vesters eindigt haar artikel met de opmerking dat ‘het wellicht deze kwaliteit (…) van Warburgs dynamische denken is’ dat voor ‘kunstenaars en tentoonstelingsmakers in onze tijd’ tot inspiratie kan dienen. Daar voeg ik catalogiseerders aan toe.

T/m 13 november a.s. is in het ZKM in Karlsruhe een tentoonstelling over Andy Warburgs Mnemosyne Bilderatlas te zien (zie afb.). Bij deze tentoonstelling verscheen de catalogus Baustelle 1-13. Lezen zou ik zeggen!  http://zkm.de/event/2016/09/aby-warburg-mnemosyne-bilderatlas

https://www.groene.nl/artikel/op-zoek-naar-de-ziel-van-de-westerse-cultuur

https://www.kb.nl/fobid-rda-commissie-organiseert-studiedag-standaardisatie-keurslijf-of-kans