Annelies Verbeke – Patrick

Patrick / Annelies Verbeke ; met tekeningen van Charles Michels. – [Amsterdam] : Maand van de Filosofie/DenkStation Filosofie en Theater Festival, [2020]. – 84 pagina’s : zwart-wit illustraties ; 20 cm. -Titelpagina vermeldt: Kinderboek voor de maand van de filosofie 2020. ISBN 978-90-451-2449-0

Het thema van de Maand van de Filosofie 2020 was  ‘waarheid’. De filosoof Alicja Gescinska schreef het essay, en een andere Vlaamse schrijver, Annelies Verbeke, het kinderboek. Het eerste kinderboek van de auteur die met haar roman Dertig dagen (2015) verschillende prijzen won. Katinka (10) logeert een weekje bij opa. Hij heeft twee buurkinderen, Mauro (8) en Mira (11) met wie Katinka graag bevriend wil raken. Omdat ze elkaar nog niet kennen, denkt zij dat ze van alles kan verzinnen. Bijvoorbeeld dat ze een aap als huisdier heeft, die ontsnapt: Patrick. Mira gelooft het eerst allemaal niet, maar begint later te twijfelen. Ze schrijft erover in haar dagboek, waarvan drie fragmenten zijn opgenomen. Mauro neemt alles voor zoete koek aan. Het gelaagde verhaal gaat over waarheid, leugens, twijfelen en fantasie, maar ook over pesten op school en hoe je daar mee omgaat. Met leuke zwart-wittekeningen en vragen om genuanceerd over verder te praten. In 2019 verscheen voor het eerst het Kinderboek van de Maand van de Filosofie: Mijn broer en ik van Abdelkader Benali. Vanaf circa 9 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Een boude stelling of twee

Ik had er in een vorige blog al even aan geroken, aan het essay Kinderen van Apate dat Alicja Gescinska schreef voor de Maand van de Filosofie. Meteen had ik het gekocht, want ik mag haar boeken, en blog in Filosofie Magazine, graag lezen. Daarvan heb ik hier al eerder getuigd.

Het ging ook lang goed. Mooi en helder werden de redenen ontvouwd die tot de teloorgang van waarheid hebben geleid. Er werd fraai toegewerkt naar het begrip ‘waarachtigheid’ en ‘waarachtig leven’, naar oprechtheid (tegenover anderen) en authenticiteit (tegenover jezelf). Ach ja, er werd een sneer uitgedeeld richting metafysica (gewauwel), maar daar stond dan weer een mooi stukje over Levinas tegenover.1)

Toch ging het ergens mis, helemaal mis als je het mij vraagt. Op driekwart van het boek haalt de auteur een ‘bekende frase’ van Socrates aan. Dat wil zeggen: ‘Een niet gereflecteerd leven is niet waard geleefd te worden’. Gescinska constateert, dat dit ‘een boude stelling is’. Daarom is het goed eerst op zoek te gaan naar de context waarin Socrates dat zei.

Kort samengevat: hij verkondigde het vrije denken, diende de staat en verachtte het volk. Iedereen moest zelfstandig kunnen denken. ‘Iedereen’ was in zijn tijd natuurlijk de vrije man in de Griekse stadstaat. Geen – zoals Gescinska ze omschrijft – mensen die ‘hele dagen op het land moeten ploegen en door het leven moeten ploeteren’.

Het gaat helemaal fout, als ze even verderop schrijft dat ‘iemand pas vrij is om iets te doen wanneer hij daartoe in staat is’. Die ploeger op het land is vrij om te denken, want hij kán denken; dat heet positieve vrijheid, maar iemand met een verstandelijke beperking kan niet zo ver komen. Toch kun en mag je mijns inziens niet zeggen ‘dat een zekere mate van kritische reflectie en introspectie voorwaarde [is] voor een zinvol, waardevol, moreel en te verantwoorden leven’, want dan begeef je je op een hellend vlak, en waar je dan uiteindelijk uitkomt, krijg ik niet uit mijn pen.

Zelfrealisatie vindt Gescinska niet alleen bij de oude Grieken terug, maar ook bij christelijke denkers. Dat zal ongetwijfeld, maar ik vind daar ook andere noties terug. Die van de onvolmaakte mens, van wie alleen wordt verwacht dat hij zijn best doet. Die helemaal niet toekomt aan zelfreflectie, omdat de verstandelijke middelen hem/haar daartoe ontbreken, maar die binnen de gegeven mogelijkheden het hoogst haalbare probeert te bereiken.

Ik las een blog van een kerkganger die met Pinksteren 2019 in een dienst terecht kwam ‘tussen (…) oude, jonge, zieke en gezonde mensen’ en dan concludeert dat ‘dit is waar het eigenlijk om gaat’ en dat ‘dit is waar de geest van Pinksteren voor staat’.

Aan het begin van haar essay wijst Gescinska op het boek The Death of Truth (2018) van Michiko Kakutani, waarin deze betoogt dat onder meer ‘de teloorgang van de rede’ onze tijd kenmerkt. Misschien, voeg ik daar – ook een boude bewering – aan toe, soms ook de geest. Mevrouw Gerscinska, wat liet u mij dit keer in de steek!

1) Hoe anders spreekt Wouter Klouwen over metafysica in zijn bijdrage aan de feestbundel In de ruimte van de openbaring (uitg. Kok Kampen, 1999, p. 51-60). Hij spreekt over ‘de bijzondere orde waarin het geloof begrepen dient te worden: niet onmiddellijk “ontologisch”, en ook niet “metafysisch”, maar ànders ….’. Hij komt dan uit bij het begrip geloof-waardigheid van de Naam.

 

Alicja Gescinska: Kinderen van Apate
Over leugens en waarachtigheid
Lemniscaat
ISBN 978 90 477 1244 2
Prijs: € 4,95

Adolph Menzel en de Maand van de Filosofie

Iedere muziekliefhebber kent het beroemde, fraaie schilderij van Frederik de Grote, fluit spelend in Sanssouci (afb. rechts bovenaan), maar weinig mensen zullen de naam van de maker in hun geheugen hebben opgeslagen: Adolph Menzel (1815-1905). Ik ook niet.

Adolph Menzel
Ik kan me niet herinneren hem tegen te zijn gekomen tijdens mijn studie (in de vuistdikke kunstgeschiedenis van H.W. Janson ontbreekt zijn naam), of tijdens mijn zoektocht naar ‘mensen met een rugprobleem’ bij het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD) in Den Haag, hoewel er wel een mooie litho die Jan Veth van hem maakte in de collectie is opgenomen. Dat laatste komt wellicht omdat Veth Menzel niet naar de werkelijkheid weergaf, en zijn kromme rug en kleine gestalte (hij was 134 centimeter) verdoezelde, zodat er ook geen trefwoord in die richting aan de litho werd toegekend.

Ik werd op zijn spoor gezet, doordat de broers Maarten en Vincent van Rossem in een televisie-uitzending (1 juni jl.) vanuit de Alte Nationalgalerie in Berlijn op hem ingingen. Maarten wees onder meer naar een zelfportret van Menzel, de ‘dwerg die altijd boos kijkt’ en naar zijn De balkonkamer (1845, afb. links bovenaan), wat één van zijn lievelingsschilderijen bleek te zijn. Menzel was naar zijn mening een ‘gezellig soort olieverfschetser’ die vooruit liep op het impressionisme, dat altijd aan Frankrijk wordt toegeschreven. Hadden de schilderijen van Menzel iets met Duits nationalisme te maken? ‘Geen reet!’ riep Van Rossem, en hij beende weg.

Het grappige is, dat Melchior de Wolff in een recensie van een expositie met het werk van Menzel in Musée d’Orsay in Parijs (1996) in de Volkskrant erop wees, dat de spiegel op ‘geen enkele manier klopt. Dat de rugleuning van die ene stoel wordt weerkaatst, is vanuit het standpunt van de toeschouwer nog wel aannemelijk, maar de gespiegelde suggestie van een beddensprei en de in een lichte lijst gevatte tekening, zijn met alle meetkunde van de wereld niet met de ruimtelijke constructie van de kamer in overeenstemming te brengen’. Maarrrrrr: ‘Het feit dat er in die spiegel van alles te zien is, maakt van Das Balkonzimmer een beter schilderij, ongeacht de constructiefout’.

Maand van de Filosofie
Dit voert ons naar de Maand van de Filosofie. Om te beginnen naar het thema ‘imperfectie’, of – zoals een essay van Alexandra van Ditmars in Filosofie Magazine (juni 2020) in de inhoudsopgave wordt genoemd – ‘Perfect imperfect’. Een persoonlijk essay over een schrijfster die het schrijven ervan maar voor zich uit schoof, omdat ze ‘bang was dat het niet goed genoeg zou worden’. Ze bespreekt drie boeken: van Brené Brown (De moed van imperfectie), Paul van Tongeren (Leven is een kunst) en Haenim Sunim (Houden van dingen die niet perfect zijn). De ondertitel van laatstgenoemd boek luidt: ‘Compassie voor jezelf en anderen’. Het is te hopen dat Menzel dat ook voor zichzelf had, ondanks een ‘constructiefout’.

Het tweede thema dat in het kader van Menzel en de Maand van de Filosofie boven komt drijven, is ook afkomstig uit de hiervoor genoemde recensie van Melchior de Wolff: waarheid. De Wolff schrijft: ‘Het opmerkelijke van Menzel is dat hij (…) een groot ontwikkeld instinct bezat voor wat de waarheid zou kunnen noemen, of de werkelijkheid, en dat hij tegelijk doordrongen moet zijn geweest van alle subjectieve en objectieve standpunten die ten aanzien van de werkelijkheid konden worden ingenomen.’ Uiteindelijk is dit, volgens De Wolff, een filosofisch probleem dat met het impressionisme centraal begon te staan, maar ‘die term bestond ook nog niet’.

Ik moet hierbij tenslotte denken aan het essay van de Maand van de Filosofie, Kinderen van Apate. Over leugens en waarachtigheid van Alicja Gescinska. Het gaat daarin niet zozeer over het verspreiden van fake news, maar de intenties waarmee dat gebeurt. Die zijn volgens de schrijfster de vloek van de tijd. Zij heeft het liever over waarachtigheid, over de intentie waarmee iets wordt gezegd (we horen hier de invloed van Immaneul Kant!).
En dan zijn we terug bij de omschrijving die Maarten van Rossem aan Adolph Menzel meegaf: ‘een dwerg die altijd boos kijkt’. Een omschrijving die heel wat minder elegant is dan ‘mensen met een rugprobleem’, een omschrijving die een medewerker van het RKD bezigde en die we er maar in moeten houden.