Vorm en inhoud als constructies

Niemand minder dan de Japankenner, naast veel meer, Ian Buruma liet in het televisieprogramma Buitenhof van 25 maart jl. zijn licht schijnen op de tentoonstelling Van Gogh en Japan in het Amsterdamse Van Goghmuseum (t/m 24 juni 2018). Het begon volgens hem rond 1880. De fotografie kwam op en de kunst hoefde niet meer realistisch te zijn. Kunstenaars zochten naar een andere vorm van kleurgebruik en dergelijke en de Japanse prent was een bron van inspiratie. Op volgens Buruma een van Van Goghs mooiste schilderijen, De slaapkamer (1853-1890, afb. links) kun je zien hoe de schilder de Japanse invloed in zich heeft opgenomen, verwerkt en tot iets heel nieuws heeft gebracht: kleurvlakken die haast eendimensionaal op het doek zijn gezet, zoals op een Japanse prent.

Ik liep afgelopen zaterdag met deze uitspraken in mijn achterhoofd over de tentoonstelling The American Dream in het Drents Museum in Assen (t/m 27 mei a.s.): realistische schilderijen van na de Tweede Wereldoorlog die als een reactie op het abstract expressionisme weer herkenbaar wilden zijn. Soms met een vleugje magisch realisme, ironie (Warhol) of maatschappijkritiek (Wiley).

Voorafgaand aan de expositie woonden wij in de Statenzaal een lezing bij over de dubbeltentoonstelling in Assen en Embden (het vervolg) door Sophie van Steenderen (Vrije Academie). Wat mij opviel, was dat zij op een gegeven moment de omschrijving ‘constructies van de werkelijkheid’ bezigde.
In de trein terug las ik in De Groene Amsterdammer (5 april jl.) de recensie van Koen Kleijn over de Van Goghtentoonstelling. Ook hij uitte zich in soortgelijke bewoordingen: ‘Van Goghs Japan was [volgens Cornelia Homburg in de catalogus, die hij citeert, EvS] “een constructie van een idee die beantwoordde aan zijn [Van Goghs, EvS] behoeften en die was geïnspireerd op allerlei bronnen, waaronder Japanse houtsneden, een breed scala van publicaties over Japan en Japanse kunst, en het werk en de ideeën van zijn tijdgenoten”.’

Ik denk dat Van Steenderen en Kleijn het geheim van zowel Van Gogh en Japan en The American Dream dichter zijn genaderd dan – met alle respect – Buruma. Dat komt niet alleen door de omschrijving ‘constructies van de werkelijkheid’ en ‘constructie van een idee’ maar ook door de helderder definiëring van wat realisme eigenlijk is door Van Steenderen: het heeft niet alleen betrekking op de vorm, al dan niet beïnvloed door de fotografie, maar ook op de inhoud, de werkelijkheid waarin de kunstenaar leeft, met of zonder maatschappijkritiek. En die tijd was voor Van Gogh een andere dan voor bijvoorbeeld Will Barnet, die net als Van Gogh schilderde in haast eendimensionale vlakken. De een beïnvloed door de Japanse prentkunst, de ander – in zijn Woman reading (1965, afb. rechts) – door het minimalisme. Vorm en inhoud – weer kunnen ze niet zonder elkaar, in leven en werken.

Na de bevrijding

Andere tijdenKomende weken valt vanaf 31 januari op televisie (Nederland 2) een interessante, zevendelige serie onder eindredactie van Marja Ros te zien: ‘Na de bevrijding’. In de proloog, ‘Jong en bevrijd’ (van Suzanne Raes, Andere tijden), spraken al enkele tachtig plussers (zie afb.) zich uit over de vraag of je na de oorlog brak met alles, of zo gewoon als mogelijk doorging met leven en daarbij dan al dan niet vasthield aan de vooroorlogse, vertrouwde levensstijl.

Dit doet denken aan wat Ian Buruma beschrijft in met name het derde deel (‘Nooit meer’) van zijn boek 1945. Biografie van een jaar. [1] De centrale vraag in dat deel is: Hoe herrijst de feniks uit zijn as? Buruma onderscheidt twee manieren om dit te doen: afrekenen met de oorlog door radicaal te breken met tradities of zo gewoon als mogelijk doorgaan met zo goed mogelijk te leven en daarbij vasthouden aan de vooroorlogse, vertrouwde levensstijl.

Opvallend is dat die tweespalt ook in muziek die na de Tweede Wereldoorlog werd geschreven, valt terug te vinden: aan de ene kant atonaliteit in de voetsporen van de Tweede Weense School (in Nederland Kees van Baaren en leerlingen), en neo-romantiek aan de andere kant.

Wat Leo Samama over de traditionalistisch ingestelde componisten schrijft, komt eigenlijk op hetzelfde neer: ‘Wie nu (…) de muziek van Marius Flothuis of Herman Strategier afdoet als romantisch of gedateerd, negeert (…) het publiek waarvoor deze muziek geschreven is’. [3] Publiek zowel als uitvoerenden die na de oorlog primair uit waren op het beleven van plezier aan luisteren en spelen van muziek. Samama vervolgt:

‘Wie tegelijkertijd de na 1950 nog steeds sterker opkomende dodecafonische en seriële technieken afdoet als soniek of anti-muziek, negeert de oprechte wil van een kunstenaar om, gelijk ook in de beeldende kunsten het geval was, een nieuwe kunst en nieuwe meer ethische dan esthetische waarden te creëren.’ [3]


In die zin staan anti-modernisme en modernisme dichter bij elkaar dan vaak wordt gedacht. De basis wordt gevormd door de houding ten opzichte van de Tweede Wereldoorlog. Daar zullen we in de serie ‘Na de bevrijding’ in algemene zin ongetwijfeld meer over te weten komen.

Gebaseerd op een alinea uit een werkstuk in het kader van mijn Masterstudie Kunst- en Cultuurwetenschappen.


[1] Ian Buruma, 1945. Biografie van een jaar (Amsterdam 2013).
[2] Leo Samama, Zeventig jaar Nederlandse muziek 1915-1985. Voorspel tot een nieuwe dag (Amsterdam 1986) 200.
[3] Ibid.