Grotesk of niet

Het is bekend dat Arnon Grunbergs werk is beïnvloed door de grote Russische schrijvers. Misschien heeft hij daar ook zijn voorliefde voor het groteske vandaan, – het thema dat een rol speelde in mijn vorige blog.

Los van Grunberg, ga ik in deze blog als aangekondigd dieper in op het thema ‘grotesk(en’) in de literatuur. Behalve naar de Russen, zou je in dit verband ook kunnen wijzen op een Franse schrijver wiens boeken in Nederland onlangs weer meer in de belangstelling komen te staan: Jean Giono. Het werk van de naoorlogse Giono wordt, in tegenstelling tot diens vroegere werk, gekenmerkt door ‘als zodanig bedoelde grotesken, “serieuze” grotesken, zo men wil’.[i] Simon Vestdijk spreekt in een studie over ‘de zegeningen der natuur [die] zijn vervangen door haar gevaren, en vooral door het gevaar dat mensen voor elkaar vertegenwoordigen’.[ii] Het is alsof hij het heeft over het werk van Philippe Claudel, met dit verschil dat deze de zegeningen der natuur naast haar gevaren zet. In deze blog beperk ik mij tot Claudel, op wiens visie op het kwaad in relatie tot de filosofie van Susan Neiman ik ben afgestudeerd (zie afb.).

In Claudels romans komen veel grotesken voorbij van het (karikaturale) soort: kroegbaas Bourrache bijvoorbeeld, die net als de visser Maltoop in Rivier van vergetelheid ‘niet snugger’ is, diens vrouw, die net als de vrouw van hotelier Jos(eph) al dan niet ziek is. Zij komt in dit geval nooit uit bed, ‘vanwege wat we een kwijnende ziekte noemen’. Een ziekte waaraan ze, net als de vrouw van Jos, ‘gehecht was geraakt’. Bourrache heeft ‘een hoofd als een stronk witlof – geel met wit’, buitenproportioneel en in het oog springend, zoals grotesken betaamt.

Er komt echter nog een element bij, dat evenzeer grotesk kan worden genoemd. Claudel voert in zijn romans namelijk ook nadrukkelijk zogenaamde onnozelaars op. Deze ook wat grotesk weergegeven mensen in de marge vormen niet zozeer een gevaar voor de samenleving, maar zijn eerder authentiekelingen à la Jean-Jacques Rousseau, of deels ‘heilige gekken’ (jurodivi) zoals in de romans van Dostojevski, zonder dat de onnozelaars bij Claudel als Christusachtige personages – gelijk bij Dostojevski – kunnen worden gezien. Het zijn eerder personages die er aanleiding toe geven dat mensen met macht, namelijk degenen die Claudel meestal met alleen hun beroep aanduidt, kunnen groeien in hun nadrukkelijke aanwezigheid en machtuitoefening.

Voorbeelden in deze context zijn de Burgemeester en de Dokter, bijvoorbeeld  in Archipel van de hond (2018). De omschrijving van deze personages is wederom grotesk: de Burgemeester ‘was zo mager als een ansjovis, met een droog, geel gezicht en grijs haar.’ Hij was zo klein ‘als een oud kind’ en ging gekleed in een vissersbroek.
De dokter daarentegen was ‘zo groot en zo rond als een ton. Kaal en rood. Zijn bovenlip ging schuil achter een dikke, zwartgeverfde snor’. Hij was gekleed in een linnen kostuum met gaten en vol vlekken.

We kunnen met zowel Vestdijk als Grunberg concluderen, dat grotesken in de naoorlogse literatuur een rol spelen als metaforen voor de gevaren die mensen voor elkaar vertegenwoordigen. De extra laag die Claudel daarbij aanbrengt, de zogenaamde ‘onnozelaars’, wijst ook in die richting: mensen met macht maar zonder al teveel verstand, haast gekleed als de keizer zonder kleren.
Niet alleen grotesken, maar ook gewone, al dan niet sjofel geklede burgers zijn in staat om kwaad te doen. ‘De banaliteit van het kwaad’ noemde Hannah Arendt dat. En zoals de zegeningen van de natuur bij Claudel naast haar gevaren staan, zo staan deze mensen – zoals bij Arendt Adolf Eichmann – naast grotesken. Althans in de literatuur, waarin ze beiden worden uitvergroot. Want de werkelijkheid is anders. Misschien mede een reden waarom Grunberg een beetje afstand van ze heeft genomen.

 

[i] S. Vestdijk, Gallische facetten. Van Proust tot Simenon. [Doorn], Stichting A.K. Auteursrechten Simon Vestdijk, 2001.
[ii] Ibid., p. 197.

Vijfentwintig jaar knutselen

De eerste in de serie Zomergasten van dit jaar die mij van begin tot eind mateloos wist te boeien, was de derde: Marleen Stikker, internetpionier en directeur van Waag, onderzoeksinstituut voor kunst, technologie en samenleving.

Meteen al aan het begin raakte ze een snaar, met haar onderscheid tussen een ‘werkelijkheidsmens’ en een ‘mogelijkheidsmens’. De laatsten proberen door experimenteren de wereld beter te maken. Het zal haar wellicht door haar (niet afgeronde) studie filosofie zijn ingegeven, in ieder geval deed het mij denken aan het onderscheid tussen filosofen die de wereld goed vinden zoals hij is en degenen die de wereld beter bewoonbaar willen maken.

Tot de eerste categorie behoort Leibniz, die onze wereld de beste van alle mogelijke werelden vindt. Ook Hegel accepteert de wereld zoals hij is: doelmatig, vrij, eindig en zinvol. De mens hoeft zich niet op een andere wereld of een andere werkelijkheid (transcendentie) te richten. Het overwinnen van het kwaad gebeurt in de loop van de geschiedenis door te vertrouwen op de rede. Het is de bedoeling dat een mens, ja: de mensheid volwassen wordt, wat automatisch leidt tot bewustwording, ratio en vrijheid in het kiezen tussen goed en kwaad.

Daar staat Voltaire tegenover. Volgens hem moeten wij werken aan een betere wereld, zijn eigen adagium dat onze wereld de slechtste is van alle werelden hiermee nuancerend (in: Candide, ou l’optimiste). In die zin kan Candide worden opgevat als een beschrijving op de grens van de moderne tijd. Dit laatste sluit aan op het enige dat ons nog zou resten, en dat is hoop. Hoop op morele vooruitgang, op een betere wereld en die wereld in het hier en nu telkens een stapje dichterbij proberen te brengen. Hoop op het goede, ware en schone, waarbij het goede de moraal is, het ware kennen en filosofie behelst en het schone staat voor de schone kunsten.

Maar behalve hopen is er ook zoiets als werken aan een betere wereld om die dichterbij te brengen (tikoen olam in het Hebreeuws). [1] Dat kan alleen als mensen elkaar werkelijk ontmoeten, aankijken en verhalen vertellen.[2] Philippe Claudel is zo’n verhalenverteller  – op 21 september a.s. houdt hij in Amsterdam de Spui25-lezing. Op 11 september verschijnt zijn nieuwste boek, Archipel van de hond.

Tenslotte is er in de filosofie ook een tussenpositie. Die wordt bijvoorbeeld ingenomen door Susan Neiman. Zij gaat niet geheel en al uit van de wereld zoals deze is, maar kan verwondering voelen “in the moments when we see the world is as it ought to be” (“op die momenten dat we de wereld zien zoals hij zou moeten zijn”).[3] Zij zoekt naar het alternatief voor wat zij omschrijft als de verwoesting van of gedwarsboomde “de mogelijkheid op zich om intellectueel” op Auschwitz te reageren in transcendentie.[4] Neiman definieert de geschiedenis als een categorie die “enables us to understand the world and gives us hope for changing it” (“ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen.”).[5]

Hetzelfde geldt voor de techniek waar Stikker mee bezig is. Internet als een moreel netwerk, tussen goed en kwaad. En niet zonder hoop: ‘Internet is kapot’, aldus Stikker, ‘en we gaan gewoon vijfentwintig jaar knutselen en maken het weer goed’. Wat een mooie uitzending was dit!

 

[1] Vergelijk ook met de Dialogphilosophie van Martin Buber (1878-1965), Franz Rosenzweig (1886-1929) en Ferdinand Ebner (1882-1931).
[2] Zie: Ruud Welten, Als de graankorrel niet sterft. Een filosofische archeologie van openbaring (Zoetermeer 2016).
[3] Neiman, Evil in modern thought, 323. Neiman, Het kwaad denken, 341.
[4] Neiman, Evil in modern thought, 256. Neiman, Het kwaad denken, 273.
[5] Neiman, Evil in modern thought, 44. Neiman, Het kwaad denken, 63.

 

http://www.spui25.nl/gedeelde-content/evenementen/evenementen/2018/09/spui25-lezing-met-philippe-claudel.html