Een wachter voor de mond

Dit jaar was het Fête de la musique in Ermelo door mijn neus geboord; wegens werkzaamheden zouden de treinpassagiers tussen Amersfoort en Zwolle in de hitte worden vervoerd met bussen. Dus geen blog dit keer over dit jaarlijkse muziekfestijn dat ik graag bezoek.
Toch verlangde ik ernaar weer een dagje naar Ermelo te gaan, mijn standaardroute te volgen die ik jaarlijks loop en waar – nog zoiets – corona even de klad in had gebracht: een kopje koffie bij Proeverij De Ontmoeting, een boek kopen bij Riemer en Walinga, langs korenmolen De Koe, naar het kerkhof achter de Zendingskerk waar mijn ouders begraven liggen, een hapje eten bij wat nu De Boterlap heet en weer terug door de Stationsstraat, aan het begin waarvan mijn ouders hebben gewoond. Meestal een ijsje etend halverwege. Dat de sprinters tussen Amersfoort en Zwolle maar eens in het uur gingen, mocht de pret niet drukken. En voor de stroomstoring ’s avonds was ik alweer, moe maar geheel voldaan, thuis.

StEK en Inspiration
Alsof Ermelo (of Ermeloo, zoals Riemer en Walinga het noemt) wat goed te maken had, kreeg ik dit keer zomaar twee fraaie vervangers van de gemiste concerten in het kader van het Fête de la musique: Dé Kunststek van Ermelo en een foto-expositie in de Zendingskerk. En vooral twee leuke ontmoetingen op beide plekken.
StEK, gevestigd in een ruim pand aan de Stationsstraat, is een collectief van ruim dertig kunstenaars. En in de kerkzaal van de Zendingskerk (zie tekening links) exposeerden leden van de fotoclub Inspiration eigen werk (nog t/m 20 augustus a.s. op zaterdagmiddag van 13.00-16.30 uur). Ik beperk mij tot het laatste evenement, georganiseerd door de Open Kerk Commissie.

Mystieke foto van Jan Mondria
Er hingen prachtige foto’s tussen. Bijvoorbeeld van de bossen en de hei, van oude boerderijen en een moderne vuurtoren die is omgetoverd tot appartementencomplex. Eén foto sprong eruit en werd afgedrukt bij de aankondiging op de site van de Zendingskerk en bij een artikel in Ermelo’s Weekblad (12 juli 2022). Deze foto neem ik bij deze blog over (hierboven).

Ik raakte erover aan de praat met de maker ervan, Jan Mondria, die op 23 juli toevallig aanwezig was. Hij vertelde dat fotograferen in de genen van zijn familie zit. Behalve hijzelf doet ook een broer het (ook lid van de fotoclub) en een neef. Bovendien rijdt hij op de buurtbus en gaf mij een gratis lesje fotografie. Hij bekende overigens ook de geëxposeerde foto op de computer wat te hebben bewerkt. Er wat mistigs aan toe te hebben gevoegd, aan dit bos dat bekend staat als het ‘bos van de dansende bomen’, bomen die in allerlei krommingen en bochten zijn gegroeid.

Voorzichtig probeerde ik te pulken aan de titel ervan: Mystieke foto Speulderbos, Sprielderweg tussen Drie en Speld. Ik realiseerde me later pas dat ik op die manier poogde het onderscheid erbij te betrekken tussen mythe (natuur), mysterie (genade) en mystiek (glorie) zoals ik dat had geleerd uit het werk van Henk Vreekamp en in mijn gelijknamige boekje (op de plank bij Riemer en Walinga!) over hem verwoordde. Het kwam niet helemaal uit de verf, en Mondria werd door iemand anders aangesproken die zijn aandacht vroeg en terecht ook kreeg. Daarom doe ik hier een poging helder te krijgen wat ik bedoelde.

Mythe, mysterie, mystiek
Deze drieslag ontleende Vreekamp aan het denken van Gershom Scholem (1897-1982), die drie fasen onderscheidde in de ontwikkeling van een godsdienst: de mythe, ‘waarin het goddelijke en het menselijke spontaan door elkaar wandelen’ (niet: mét elkaar wandelen!), het mysterie ‘waarin hemel en aarde scherp van elkaar worden onderscheiden’ en ‘God en mens ieder hun onderscheiden rol spelen’ en tenslotte die van de mystiek, waarin ‘hemel en aarde (…) in een nieuwe eenheid samen komen’ en ‘God en mens elkaar ontmoeten’.

Met betrekking tot het Speulderbos valt bijvoorbeeld te denken aan de mythe van het Solse Gat: een gat waarin volgens de overlevering een klooster zou zijn verdwenen en waarvan je op z’n tijd de klokken nog zou kunnen horen luiden.
In de literatuur wordt het Speulderbos wel ‘mysterieus’ genoemd, maar dat is volgens bovenstaand onderscheid dus niet mogelijk.
En dan tenslotte de mystiek, de mystieke foto. Daar raken we aan de vraag of je God in de natuur kunt ontmoeten. Ik moet daarbij denken aan Augustinus (zie afb. links), die daar niet helemaal duidelijk over was. Er is zelfs een blog van Peter van Geest waarin wordt gezegd dat Augustinus dit wel degelijk vond. En wat staat daar als afbeelding bij? Het bos van de dansende bomen … Maar er is ook dat schitterende antwoord op de vraag wat je lief hebt als je God zegt lief te hebben. God is niet in de natuur, maar het is wel zoiets. Zoiets als de geur van – parafraseer ik – de bomen na een verfrissende regenbui. Maar dan gaat het om ‘een geur die niet op de wind verwaait’, maar waar Hij het licht dat tussen de boomstroken speelt Zelf is.

Toch is het goed dat ik daar allemaal niet mee kwam, toen ik Jan Mondria ontmoette. Soms is het beter boekenwijsheid niet meteen paraat te hebben, maar wel een wachter voor je mond (Ps. 141) te plaatsen. Om dingen niet kapot te maken, maar gewoon samen stil te kijken naar wat voor hém zó betoverend was, dat hij er nog een schepje bovenop deed om ook ons ervan te kunnen laten genieten en in mee te nemen.

www.kunststek.com
https://www.hervormd-ermelo.nl/zendingskerk/activiteiten/expositie-op-zaterdagmiddag

Mythe, mysterie, mystiek in de poëzie van Anton Ent

Tekst uitgesproken bij de presentatie van mijn boek over Henk Vreekamp,
14 juni 2019 in het Thomastheater (Thomaskerk) te Amsterdam

Toen emeritus-hoogleraar Martien Brinkman verleden jaar winter op deze plaats een inleiding verzorgde over het werk van de dichter Rutger Kopland, – waarover hij in een van zijn essaybundels, Dicht bij het onuitsprekelijke, had gepubliceerd -, begon hij met te zeggen dat het moeilijk was – een inleiding houden waarover je je ook al in boekvorm had geuit. Je moet niet te dícht bij die gepubliceerde tekst blijven, zei hij, want dan denkt iedereen: Dát had ik thuis ook wel kunnen lezen. Maar je moet er ook niet tevéél van afdwalen, want dan vraagt iedereen zich af wat hij/zij hier eigenlijk doet.
Iets soortgelijks voelde ik ook, en daarom heb ik gekozen voor een korte inleiding die weliswaar uitgaat van de centrale thematiek in het boek over Henk Vreekamp (mythe, mysterie, mystiek), maar dan bekeken vanuit de gedichten van zijn vriend en geestverwant Anton Ent (pseudoniem van Henk van der Ent). Specifieker: met name aan de hand van twee poëziebundels, Binnen de wildroosters (uit 2011) en De gele zweep (2019). Beide bundels verschenen bij Uitgeverij kleine Uil in Groningen. Laatstgenoemde ter gelegenheid van zijn vijftigjarig dichterschap.
In de eerste bundel staat ook een mooi gedicht over Vreekamp, Google earth, in het tweede een In memoriam, ‘Open velden’.

  1. Mythe, mysterie, mystiek in Binnen de wildrooster
    Om te beginnen kom ik er niet onderuit, te definiëren wat ik onder mythe, mysterie en mystiek versta. Daarbij blijf ik bij de tekst die op de achterflap van het boekje over Vreekamp staat; een beetje smokkelen dus ten aanzien van mijn uitgangspunt (‘Dat had ik thuis ook wel kunnen lezen’):

‘de mythe [is datgene] waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, [datgene] waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek [datgene] waarin God en mens elkaar ontmoeten.’

Ook in het werk van Anton Ent vormt deze drieslag vanaf het begin van zijn dichterschap (hij publiceerde in 1969 zijn eerste bundel, Hagel en sneeuw) een constante. Ik werd dit gewaar, toen ik ter voorbereiding van deze inleiding het archief van de website literairnederland.nl raadpleegde; een website waarvoor ik overigens ook recenseer.

Ik zet de drie thema’s (mythe, mysterie, mystiek) eerst als gedachtebepaling achter elkaar, maar niet nadat ik er nog even op heb gewezen dat in de fuga van de Preludium en fuga in C gr.t. uit het eerste boek van Bachs Wohltemperierte Clavier dat Joanna Rotberg zojuist speelde, de componist ook een fraai staaltje hiervan liet horen; het thema van de fuga is namelijk gebaseerd op het bekende soldatenliedje L’homme armé, waarvan bekend is dat het ook tot basis van veel missen heeft gediend. Daarom wordt wel aangenomen dat Bach door het gebruik hiervan een saluut aan de oude Franco-Vlaamse scholen heeft gebracht. Maar omdat zo’n parodie ook elders bij Bach terugkomt, is het mijns inziens ook op te vatten als een ontmoeting tussen geestelijke en wereldlijke muziek, hemel en aarde. Waarvan akte. Terug naar ons eigenlijke thema, om te beginnen de mythe.

1.1 Mythe
In het werk van Anton Ent is grote aandacht voor mythische natuurbeelden. Hij heeft er een beeld, een symbool voor gevonden, – het beeld van het hert. De verleiding ligt op de loer, daarbij meteen aan het Bijbelse hert te denken. En dat klopt deels ook wel, als je het slot leest van het gedicht ‘Vrees’ uit de bundel Binnen de wildroosters, waarop ik mij nu eerst concentreer:

Water hijg ik. Ben ik dat hert?
Waar stroomt de beek? Waar
kan ik op mijn knieën slurpen?

Ook het gedicht dat luistert naar de titel ‘Hert’ heeft een christelijke connotatie. ‘Het is’, mailde Henk van der Ent mij, ‘het laatste van een viertal dat ieder op zich een paasgedicht is, een vers met een bevrijdend slot’. Het slot van ‘Hert’ stelt het burlen van een hert naast eten van het jonge groen en besluit met:

Dat was schreeuwen en dit is genot
Ik ontken de onrust niet, iemand huilde
van vreugde en een ander schreef totdat

Waarbij het open slot, met de mooie afwisseling tussen de klinkers ‘a’, ‘e’, ‘i’, ‘o’ en ‘u’, verwijst naar Pascal en Augustinus: ‘Totdat het rust vindt in U’.
Maar bij een zinsnede als

Was hij een hert, hij zou niet vluchten
bij het zien van de dode houthakker
aan de voet van de eik

in het gedicht ‘Wandelaar’ moet ik eerder denken aan Karel Eykman én aan het verhaal van de heiden Hubertus die op Goede Vrijdag ging jagen. Dit gedicht zou je kunnen beschouwen als een tegenzang bij deze legende, – dit mythische verhaal. Hubertus kwam het mooiste hert op het spoor dat hij ooit had gezien, maar het ontsnapte hem steeds weer, wat hem niet belette door te gaan. Op een gegeven moment draaide het hert zich om en in diens gewei verscheen een afbeelding van Jezus aan het kruis. Het hert zei: ‘Hubertus waarom vervolg je mij?’ Hubertus viel ter aarde neer en vanaf dat moment volgde hij Christus na, in tegenstelling tot de Noordse Freyja bij Henk Vreekamp, over wie vele mythen bestaan; háár doop bleef een visioen. De heiden is zo bij Vreekamp geen overwonnen positie. En die eik – ja, dat is misschien een van de veertig bronzen boomstronken van Marinus Boezems land art ‘Kathedraal 1999’ die tezamen de plattegrond van de kathedraal van Reims vormen en waarover Anton Ent in het slotgedicht van de bundel, ‘Boomstronkkathedraal’, dichtte:

en eiken bespotten de veertig eenvormige
stronken van brons, geen hert zal er knielen

1.2 Mysterie
Binnen het mysterie worden als gezegd mens en natuur, hemel en aarde, dood en leven van elkaar onderscheiden. In het gedicht ‘Zomer’ – nog steeds in de bundel Binnen de wildroosters – wordt het mythische natuurbeeld van het bos een mysterie, of – zoals Anton Ent waarschijnlijk liever zou zeggen: vindt het mythische zijn tegenpool in het mysterie:

Deze vijver noem ik moeders oog
omdat iemand van omhoog
zwijgend in de spiegel kijkt

Het bos is dé plek waar het mysterie zich voltrekt:

Niet iedere seconde maar wel elke minuut
dringt hij zich aan mij op in varens
en vallende eikels, de volkomen stilte

scheurt mijn trommelvliezen in stukken
Dan zie ik een kleurrijk duivenpaartje
uitgeroeid door de kroon der schepping

Waarbij aangetekend, dat de terugkerende a-klank (aan mij op dringende varens en vallende eikels) iets melancholieks uitdrukt, en de o-klank (volkomen stilte, scheurt mijn trommelvliezen) iets zwaars. In de slotregels (een kleurrijk duivenpaartje uitgeroeid door de kroon der schepping) komen de klanken samen.
Er is zelfs een gedicht in de bundel dat ‘Mysterie’ heet:

Het geheimenis blijft een geheim
een blauwe waas boven het korenveld
de stilte voor het vallen van een speld

Het overstijgt het horen en het zien
het overtreft het weten en geloven
en overschrijdt de grenzen van misschien

Het gloedt in diepten van het kennen
en bloeit in tuinen van de ziel
die elke onzekerheid ontkennen

 1.3 Mystiek
Dit gedicht staat naast het gedicht ‘Eenwording’, wat uiteraard duidt op mystiek als datgene waarin God en mens elkaar ontmoeten:

Ik slaap met het licht, sta ermee op
en baad me daarin, eet veelkleurig
gekleed een zonnestraal als ontbijt

Het ragfijne licht daagt mij uit
Ik streel en betast het, ik voel
hoe gretig het zich aan mij opdringt

Het ademt in mij, honger en eet
dorst en drinkt, spuwt, watert en zweet

Ik laat het geworden, dat onbreekbare licht
zodat ik één word, eenvoudig en heel

  1. De gele zweep
    De vraag is nu tenslotte, of en hoe we de drieslag mythe, mysterie, mystiek terugvinden in de laatst verschenen bundel van Anton Ent: De gele zweep.

2.1 Mythe
Onbenoemd, maar o zo aanwezig, komt het mythische naar voren in het eiland Kythira. Namelijk in de twee gedichten ‘De f van lief in Amersfoort’, op de gulden snede van de bundel. In het eerste heet het:

Uw oog sprak: je bent er, je mag zijn
wie je bent, ik ben open water voor jou
scheep je in en vaar naar het eiland

Kythira is sinds de oudheid het eiland waarop een tempel stond die gewijd was aan Aphrodite, de godin van de liefde die werd geboren uit het schuim (aphros) van de zee dat later in het gedicht voor komt. In de Franse poëzie duikt het eiland op als symbool voor de amoureuze liefde. Hier is het, blijkt, méér dan dat.

2.2 Mysterie
In het tweede gedicht ‘De f van lief in Amersfoort’ valt de symboliek van de amoureuze liefde samen met het mysterie en uiteindelijk ook de mystiek.
De ik-figuur is ook op een eiland en zijn geliefde, of is het God zelf, verbergt zich als in de Psalmen:

Op dit eiland weet ik niet waar u bent
Misschien verbergt u zich in mijn verlangen
naar uw stem. Door de koude die mij bijt
hoor ik uw warmte en geborgenheid

Het water dat het eiland omringt heeft veel reminiscenties. Hoor maar:

Grijs is de zee, ze komt me keer op keer
te na, binnen de golven van de loutering
speelt ze het spel van de vereniging
en wat ik mis biedt zij genadig aan

De meeuwen die boven de pier vliegen staan symbool voor de dood en geven geen antwoord als de ik-figuur vraagt ‘Waarom?’:

De pier is wit bespat met meeuwen, traag
opvliegend als ik nader, papieren in de lucht
geen antwoord schreeuwend als ik vraag:
waarom haar naam verscheuren op de vlucht?

De vierregelige verzen gaan over in een drie- en tweeregelig vers, waarin de grens die we eerder tegenkwamen terugkeert; hier doet het ook denken aan Aphrodite die uit het schuim werd geboren:

De zee is woester aan mijn rechterhand
en draagt nu koppen schuim tot aan de horizon

De ik-figuur is bang dat God heult met Orpheus, en komt niet verder dan de grens die in veel beelden in dit gedicht aanwezig is; behalve horizon ook schemering en branding.
Er is weliswaar sprake van ‘genadig’ aanbieden, maar de genade zélf, het mysterie, blijft uit.
Het geloof blijkt een aanvechting, zoals Henk Vreekamp het soms ook kende. En toch: uiteindelijk klinkt Gods stem, boven waar de golven breken (de branding) uit, als vanuit het brandende braambos; één van de onderdelen uit de bundel De gele zweep heet niet voor niets ‘De struik die niet verteert’. Maar

nu uw stem boven de branding klinkt
sla ik verwaten uit: genade past
mij niet, dwang bent u en overlast

Verwaten is volgens Van Dale een oud-Nederlands woord voor aanmatigend, met ijdele hoogmoed.

2.3 Mystiek

Mystiek is tenslotte met name het laatste gedicht van de bundel, waarin sprake is van

Zandkorrels in het enkelvoud

Hierin resoneert heel veel mee: het middeleeuwse idee van de macrokosmos die wordt weerspiegeld in de microkosmos (de zandkorrel vertegenwoordigt het strand, – het strand is geheel in de kleine zandkorrel aanwezig) of het spinozistische besef dat een enkelvoudige modus deel uitmaakt van het oneindige en eeuwige subject dat Spinoza ‘God of Natuur’ noemt.

Waarbij moet worden aangetekend, dat je dit volgens sommige denkers overigens niet mystiek moet opvatten maar rationeel.
Je kunt je concluderend afvragen, of dit niet een keerzijde van dezelfde médaille is die je ook bij Vreekamp aantreft die zich uitte in een met Anton Ent gedeelde aandacht voor mythe, mysterie, mystiek. Of, zoals Anton Ent in zijn ‘Open velden, In memoriam Henk Vreekamp’ dichtte:

Elk woord zocht bij ons zijn tegenpool
water zand, vroeg en laat, vuur en ijs
jood en heiden, mythe en mystiek

Een jaar met de Grieken

De tijd van eindejaarlijstjes is weer aangebroken. Zoals het me in 2012 uitstekend beviel, me een jaar lang in Beethovens muziek onder te dompelen, zo stond afgelopen jaar in het teken van de Griekse kunst, op welke manier dan ook. Een alternatief lijstje dus – net geen Top10.

1. Synesios van Kyrene
Het begon allemaal aan de vooravond van 2018, toen in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een nieuw deeltje in de serie ‘Monobiblos’ van uitgeverij Damon werd gepresenteerd. In de slipstream hiervan werden enkele gedichten gelezen uit de negen hymnen van de Ene, Dans die het heelal omkranst, van Synesios van Kyrene in een vertaling van Piet Gerbrandy. Ik was verkocht, of, zoals Gebrandy zelf eens (in: De Gids, 2018/5) schreef naar aanleiding van Gorters Mei: ‘Ik was na herlezing enigszins van slag’ van in mijn geval ‘diepste gedachten over god en mens, geest en ziel, energie en materie’ zoals de achterflap schrijft.
Ik hou het eventueel verschijnen van nieuwe deeltjes in deze serie ook in 2019 nauwlettend in de gaten. En ga meer van de hand van Gerbrandy lezen. Bijvoorbeeld de bundel Steencirkels en/of Grondwater.

2. Oedipus
Op z’n tijd ga ik naar een openbare repetitie in de Stadsschouwburg Amsterdam (nu: Internationaal Theater Amsterdam, ITA). Begin mei was het weer zo ver: Toneelgroep Amsterdam repeteerde er Sophocles’ tragedie Oedipus in een regie van Robert Icke. Ook hier gold: ik was verkocht en kocht een kaartje voor de volledige, ‘echte’ opvoering.
Het is, zoals een Boomerang-kaart schrijft, ‘het verhaal van een man die de top bereikt, om tot de ontdekking te komen dat hij de meest fundamentele grenzen heeft overschreden. Maar is hij schuldig?’ Zo’n vraag zegt denk ik meer over onze tijd dan die van Sophocles.

3. Elektra van Diepenbrock
Eens in de maand leid ik een muziekclubje in een verzorgingshuis. Zowel de bewoners als ik ontlenen er energie aan en ik ga altijd weer vrolijk naar huis. Een keer had in gekozen voor de toneelmuziek bij Elektra van – daar heb je hem weer – Sophocles door Alphons Diepenbrock.
Er kwam een gesprek op gang over de vraag of men zelf wraak in het leven had gekend. Een leermoment voor mij om in ’t vervolg muziek te kiezen die waarlijk het leven zelf raakt. Nog een voornemen voor 2019.

4. Daniel Mendelsohn: Een Odyssee
In het najaar volgde ik een HOVO-cursus over Homerus’ Odyssee door Hein van Dolen. Ter voorbereiding koos ik ervoor niet het origineel te herlezen (de eerste keer dat ik het las staat me nog helder voor de geest: op vakantie in Bologna), maar de roman Een Odyssee van Daniel Mendelsohn. Elke cursusochtend raakte ik méér geïmponeerd door de manier waarop de schrijver, tot in de détails, tot Homerus is weten door te dringen.

5. Shakespeare: Troilus and Cressida
Van Dolen noemde aan het eind van de cursus niet zozeer het boek van Mendelssohn als wel enkele andere werken die door de Odyssee zijn beïnvloed. Daaronder was tot mijn verbazing het toneelstuk Troilus and Cressida van Shakespeare, dat speelt tijdens de Trojaanse oorlog. Ik heb er een dvd van (BBC, 2005) in een regie van Jonathan Miller die ik eindelijk eens heb bekeken.

6. Mythos van Stephen Fry
Om in de sfeer te blijven, vroeg ik het boek Mythos van Stephen Fry voor mijn verjaardag en werd getroffen door overeenkomsten (en verschillen) met de Bijbel. Zo kwam ik onder meer te weten, dat de Griekse mythologie, net als Genesis, twee scheppingsverhalen kent. Ze werden door Fry – die ik overigens eens in een Shakespearevoorstelling in Londen zag – beschreven onder de titel ‘De speeltjes van Zeus’: Prometheus en Zeus kleien kleine figuurtjes, maar dat kon je nog geen mensen noemen. Die kwamen tijdens het zogenaamde Zilveren Tijdperk, ‘een mix van vooruitziende blik en impulsiviteit, van alle goddelijke giften, en van de aarde’.

7. Classic Beauties
In dezelfde tijd dat ik Mythos las, toog ik naar de tentoonstelling met neoclassicistische beelden en schilderijen uit de Hermitage te Sint Petersburg in de gelijknamige Amsterdamse dépendance aan de Amstel. Een kunstenaar als Antonio Canova (b)lijkt eigenlijk niets anders te doen dan Mendelsohn: Griekse kunst naar zijn eigen tijd halen net als Fry nieuw leven inblazen. ‘Edele eenvoud en stille grootsheid’ zei Winckelmann.
Onder het kijken beluister ik op de audiotour het Adagio uit de veertiende pianosonate van Beethoven (bij een doek van Lagrenée) waarop dit helemaal van toepassing is. Het kan verkeren …

8. Aspasia Nasopoulou
Toen ik dit overzichtje aan het afronden was, viel mij, als wist zij dat ik ermee bezig was, een cadeautje toe: Aspasia Nasopoulou stuurde mij een linkje naar haar ‘latest music poetry production Ikaros with dance and video’ die in première was gegaan tijdens November Music (foto hierboven: Melanja Palitta).
Mede door de videoprojectie brengt Nasopoulou het verhaal van Ikaros tot leven. Ronduit schitterend gedaan, met tekst van Henk van der Waal: ‘Zwijgen en stijgen vanwege je vleugelwerk’ en muziek waarin herinnering en verlangen samenvallen. Prachtig.

https://www.youtube.com/watch?v=ZXQrluTeFtc&t=17s

9. Garmt Stuiveling
Haast gelijktijdig viel mij tenslotte een gedicht toe van Garmt Stuiveling, via de email die dagelijks een gedicht stuurt (www.ljcoster.nl). Het is een gedicht uit Eeuwig gaat voor ogenblik dat ik hier tot slot in zijn geheel citeer:

XIV

Nu de grote dingen verdwijnen
worden de kleine dingen groot:
wat zonlicht op de gordijnen,
een appel, een snee vers brood.


Met hoeveel overbodigs
maken we ons leven stuk:
er is zo weinig nodig
voor wat eenvoudig geluk.

Zó zou ik oud willen wezen,
klein bij de grote dood:
Homerus om in te lezen,
een appel, een snee vers brood.

Het thema van volgend jaar weet ik al, maar dat hou ik nog even voor me. Het jaar is tenslotte (ook) nog niet om.