Van parfum tot uivormige bollen

Vanmorgen stapte mijn bovenbuurman in de lift, een Syrische vluchteling. Hij wees naar mijn hand en zei: ‘Hand’. Ik begreep uit een parfum ball in zíjn hand, dat ik mijn hand met de buitenkant naar boven naar hem toe moest houden, opdat hij er (waarschijnlijk) wat oudh, parfum op kon doen. Nadat hij dit gedaan had, prevelde hij (naar ik denk) een intentie. Ik rook opeens als een moslima, waarbij de oudh overheerste boven mijn in de reclame als ‘romantisch’ omschreven westerse eau de parfum.

Toen ik op straat was, op weg naar de bus, moest ik opeens denken aan een deel van de studiedag ‘Tijd van de kruistochten 1094-1170’ die de archeologe Annet van Wiechen afgelopen zaterdag hield in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Een prachtige studiedag, die naar meer smaakt.
Ik doel in dit verband op de vierde en laatste lezing, waarin ze onder meer sprak over zogenaamde knoopzuilen (zie foto: kerk van Farmsum). Op haar website (zie link onderaan deze blog) schreef ze er uitgebreider over.

Annet van Wiechen vertelde dat zij een knoopzuil bijvoorbeeld had aangetroffen in een Koranschool in Jeruzalem en op het graf van Boudewijn IV. Ze noemde twee bronnen waarop deze zuilen gebaseerd zouden kunnen zijn: een Byzantijns manuscript van de Heilige Melania (ca. 1000) en de beschrijving van de zuilen aan de ingang van de tempel van Salomo (Jachin en Boaz) in de Bijbel (I Kon. 7:15-22).
Deze bouwwijze is overgenomen in de Romaanse kerkbouw, bijvoorbeeld in San Quirico d’Orcia (Toscane) en Verneuil. Op deze manier hebben de zuilen, via Byzantium en Jeruzalem, in Europa een nieuwe betekenis gekregen, aldus Annet van Wiechen.

Een soortgelijk verhaal zou zijn te houden over de uivormige bollen die als herinnering aan de kruistochten in Europa terecht kwamen en tal van torens van kerken en stadhuizen sieren. Veelal in Vlaanderen, maar ook in ’s-Hertogenbosch, Haarlem en het Groningse Farmsum dus (kerken), Venray en Nijmegen (stadhuizen) en in Friese stinsen, zoals het Poptaslot bij Leeuwarden (zie afb. rechts). Ze doen daardoor, zoals ik met mijn oudh, wat oosters aan.

Op de terugweg naar huis kwam ik langs een rijtje nieuwbouwflats op het Zeeburgereiland. Twee daarvan werden aan elkaar gelinkt door middel van een halve joodse ster, die vanaf de vijftiende eeuw – dus later dan wat in de lezing in Leiden aan de orde kwam – als een joods symbool ging gelden. Ik had het nog niet eerder gezien, of het is recent aangebracht en ik was er nu ontvankelijk(er) voor. Het kan allebei.
Het bewijst in ieder geval dat de invloed van Byzantium, de islam en het jodendom heden ten dage nog steeds leeft. Of het nu om kerken, stadhuizen, stinsen of hedendaagse woningbouw gaat. Of parfum …

https://www.oudweb.nl/knoopzuil.html

Marcello’s Estro poetico-armonico

MarcelloTijdens het a.s. Festival Oude Muziek in Utrecht, zal het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Richard Egarr enkele Hebreeuwse Psalmen van Benedetto Marcello (zie afb.) uitvoeren: http://oudemuziek.nl/musici/richard-egarr-nederlands-kamerkoor/

Ter gelegenheid daarvan plaats ik hier een gedeelte uit mijn boekje Dialoog in muziek (1997) dat over deze componist en deze bundel gaat.

 

In het begin van de 18de eeuw verzamelde Benedetto Marcello in de Duitse synagoge van Venetië, de Scola grande tedesca, muziek waarvan de invloed duidelijk aanwijsbaar is in zijn hoofdwerk Estro poetico-armonico (1724-1727), dat meerstemmige zettingen bevat van vijftig psalmen, in de Italiaanse berijming van Girolamo Ascanio Giustiniani.

Als voorbeeld mag de aanwezigheid in Marcello’s bundel dienen van Ma’oz zur, die door de Ashkenazische gemeenschap werd gezongen na het ontsteken van de Chanoeka-lamp, waarmee het wonder werd herdacht dat één oliekruikje voor acht dagen licht in de tempel leverde. Deze melodie is uit Duitsland afkomstig en dateert waarschijnlijk uit de 13de eeuw. Ze wordt nog steeds gezongen in Italië, Israël en de Verenigde Staten. In totaal zijn twaalf van de vijftig psalmen gebaseerd op synagogale melodieën, waaronder één van de fraaiste, Psalm 22, waarin ‘Yitgadal v’yitgadash sh’me raba!’ weerklinkt.

Hoe moet de invloed van het joods-muzikale erfgoed op Marcello worden geduid? Men is er niet van af door vast te stellen dat na de roof- en kruistochten in Venetië westerse en oosterse luister tot een unieke eenheid werd versmolten. Het is veeleer de vraag in hoeverre de joodse invloed een geïntegreerd bestanddeel vormde van het kunstenaarschap van Marcello, maar ook van Alessandro Scarlatti. Deze voegde in zijn Lamentazioni per la Settimana Santa (ca. 1708) op de joodse muziek geïnspireerde melismen (= reeks tonen op één lettergreep) toe aan met name het acrostichon (= naamvers) van de Klaagliederen.

Het valt te betwijfelen of wij er ooit precies achter zullen komen. Net zo min of wij zullen weten wat Orazio Vechhi (1550-1605) tegen het einde van de 16de eeuw bezielde toen hij, gefascineerd door synagogale gezangen, deze verwerkte in zijn polyfone madrigaal-komedie Amphiparnasso.

Maar misschien worden we straks tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht op 1 september, door verschillende uitvoeringen en lezingen, wél weer een stukje wijzer!

De binding van Isaäk verbeeld door Sigmar Polke

Polke_Grossmünster toraal raamAchter in één van de boeken van Willem Zuidema over ‘de binding van Isaäk’ vond ik een uitdraai van een preek die ds. Adriaan Soeting in 2006 in de Amsterdamse Oude Kerk over Genesis 22 hield. Soeting zei toen onder meer dit:

‘Het verhaal van de ‘binding van Isaäc’ heeft een grote rol gespeeld in de geschiedenis van Israël. De joden hebben zich met Isaäc geïdentificeerd, vooral in de Middeleeuwen bij die afschuwelijke vervolgingen … Er zijn toen veel liederen gemaakt die de binding van Isaäc bezongen’.

 

De middeleeuwen zijn de tijd van – zoals Elie Wiesel in een mooi essay over Genesis 22 in zijn Bijbels Eerbetoon : portretten en legenden schrijft – ‘de vernietiging en de ondergang van ontelbare joodse gemeenschappen (…). De pogroms, de kruistochten, de slachtingen, de rampen, de uitroeiing door het zwaard en het uit de weg ruimen door het vuur: iedere keer is ’t weer Abraham die opnieuw zijn zoon naar het altaar voert. Tijdloos als zij is, blijft deze geschiedenis van de hoogste actualiteit’.
Dat blijkt uit het werk van de Pools/Duitse beeldend kunstenaar Sigmar Polke die zich heeft laten inspireren door het verhaal in Genesis 22 én door de middeleeuwen. Door respectievelijk anonieme afbeeldingen, en door een anonieme tekst.

1. De Grossmünster in Zürich
Polke_Grossmünster kerkPolke maakte in 2009 elf ramen, waaronder het raam Isaaks Opferung voor de Grossmünster in Zürich (zie afb). Een kerk die schitterend is gelegen aan de rechteroever van de rivier de Limat, tegenover de Fraumünster met de beroemde ramen van Marc Chagall op de linkeroever. Volgens de overlevering stichtte Karel de Grote begin negende eeuw een kerk op de graven van Felix en Regula, twee Romeinse martelaren. Het paard van Karel de Grote zou geknield hebben bij hun graven.
In 1100 begon men al met de bouw van deze romaans-gotische kerk, maar deze werd pas in de 15de eeuw voltooid. Vanaf de preekstoel van de Grossmünster verspreidde Ulrich Zwingli de Reformatie; een naam die later terug zal komen. In de crypte van de Grossmünster staat een 15de-eeuws standbeeld van Karel de Grote, waarop ik ook terug zal komen.

De kerk is een in oorsprong laat-romaanse basiliekvorm met drie beuken, zonder een dwarsschip. In het hoogkoor zijn ramen aangebracht van Augusto Giacometti. Achter de preekstoel is het gebrandschilderde raam van Polke aangebracht. Aan de andere kant van de kerk heeft Polke ook een serie ramen gemaakt. De ramen corresponderen echter niet met elkaar, zoals vaak gebeurde: aan de ene kant voorstellingen uit Tenach (de koude noordkant), als een voorafschaduwing, en aan de andere kant uit het Nieuwe Testament (de warme oostzijde). Immers, zoals de eerder geciteerde Wiesel schreef: ‘Wat Isaak bedreigde, zou een voorafbeelding van de kruisiging zijn. Behalve dat op de berg Moria de daad niet wordt volvoerd: de vader geeft zijn kind niet prijs, en zeker niet aan de dood. Dat is het verschil tussen Moria en Golgotha’ (p. 64).

2. Sigmar Polke
Sigmar Polke-Ausstellung in ZrichPolke (zie afb.) werd in 1941 in Silezië, Polen geboren en is in 2010 in Keulen overleden. Na de Tweede Wereldoorlog vertrok hij naar Thüringen in West-Duitsland. Van 1959 tot 1960 volgde hij een opleiding glasschilderen bij de firma Kaiserwerth in Düsseldorf. Hij laat zich in zijn werk – ook in het glasraam in Zürich – vaak inspireren door oude afbeeldingen, tijdschriften, reclame e.d.. Onder andere het Stedelijk Museum in Amsterdam heeft enkele kunstwerken (schilderijen, tekeningen, affiches) van hem in de collectie, maar ook De Pont in Tilburg en het Van Abbemuseum in Eindhoven bezitten werk van hem.
De afbeeldingen op het raam (zie afb. boven) zijn gebaseerd op een 11e eeuwse bijbelparafrase van Ælfric van Eynsham (Latijn: Alfricus, Elphricus). Het handschrift berust in de British Library.

3. Het raam
Hoe lees je nu zo’n raam: van boven naar beneden, of van beneden naar boven? … Het antwoord is: van beneden (de aardse werkelijkheid) naar boven (hemelse waarden).
Het raam bestaat uit acht even grote velden, waarvan de vier onderaan en de vier boven samen met het bovenste gedeelte samen het eensluidende ontwerp vormen. Een ontwerp dat Polke met de computer heeft gemaakt.
* links onder, en diagonaal rechts, er schuin boven gespiegeld zien we het offerlam
* rechts onder, en diagonaal links, er schuin boven gespiegeld, staan de arm en hand (paars) van Abraham afgebeeld, alsmede het hoofd (groen) en het haar (geel) van Isaäk
* in de middenpartij zien we een rad als een Grieks kruis met Abrahams geheven zwaard
* daarboven komen we in meer hemelser sferen: links en rechts engelenvleugels en
* helemaal bovenin een rozet waarin het rad en het kruis worden herhaald, als begin en einde.

In deze ramen zijn tal van reminiscenties verwerkt. Om te beginnen verwijzen de diagonale spiegelingen naar Leviticus 16, waarin sprake is van twee zondebokken die dienen te worden geofferd: één voor de Heer en één voor de woestijndemon Asasel.
Abraham draagt bijvoorbeeld geen slachtmes, maar een zwaard. Dit verwijst naar zowel het feit dat de Grossmünster de kerk was van Zwingli, de militante hervormer, als naar het beeld van Karel de Grote met een zwaard in de crypte. Immers: ook hij was hardhandig in zijn bekering: ‘dood of gedoopt’. Karel beschouwde zichzelf als ‘heerser door Gods genade’. Niet toevallig bevindt het raam zich achter de preekstoel waarvan af Zwingli preekte.

Het middendeel van het raam, met Abraham gevangen in een rad, vormt een tegenstelling met het onderste gedeelte. Het is het deel dat het duidelijkst herinnerd aan de afbeelding uit de 11ste eeuwse bijbelparafrase. De tegenstelling ligt erin, dat Polke hier wil verwijzen naar inkeer, het zoeken naar wijsheid en harmonie.
De engelenvleugels erboven, links en rechts, verwijzen uiteraard naar de engel die de dood afwendt (vers 11 en 15 van Genesis 22). Polke beschouwt deze als een beschermengel. Hij ziet dit gedeelte van het raam als de sleutel voor de andere delen.

Bewerking van een gedeelte van een inleiding die ik op 22 mei 2014 hield in de Vredeskerk te Leiden en hier plaats n.a.v. de tentoonstelling Sigmar Polke: Alibis, t/m 5 juli 2015 in Museum Ludwig, Keulen.