Psalmen proeven

Het is natuurlijk niet meteen een boek dat vraagt om een recensie, Laat mij maar zingen. Psalmen na geschreven van Gert Bremer. Zo persoonlijk als hij alle 150 psalmen ‘omtaalde’. Maar toch zijn er in meer technische zin best wel wat vragen, wat vraagtekens bij te plaatsen, bij dat mooi uitgegeven, spirituele boek met leeslint van de musicus die van 2006-2017 woonde in de Cisterciënzer Abdij Maria Toevlucht in Zundert. Dat doe ik hier puntsgewijs, al proevend van verschillende psalmen.

 

Gemeente
Laat ik om te beginnen zeggen, dat veel me aan de 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis doet denken. Bijvoorbeeld in de keuze van het vaak terugkerende begrip ‘gemeente’, zoals in Psalm 100:

De Ene is de God die ons tot gemeente maakt.

Daarbij moet ik toch even slikken, want dat is wel erg vrij – zowel van Oosterhuis als van Bremer, want in de Statenvertaling staat: ‘de schapen Zijner weide’, en in de Nieuwe Bijbelvertaling (vaak gewraakt, maar wat mij betreft niet aangaande de Psalmen en Jesaja): ‘de kudde die hij weidt’. Natuurlijk, gemeente kom je ook in het Hebreeuws tegen (kehilla, קהילה ), maar dat woord laten we meestal staan en heeft niet de sfeer van wat wij in Nederland onder een kerkelijke gemeente verstaan (‘Gemeente van Jezus Christus’). Op andere plaatsen vertaalt Oosterhuis (in tegenstelling tot Bremer, die het bij ‘gemeente’ houdt) eerder ‘uw huis’ (Psalm 26).
Kortom: is hier niet sprake van toe-eigening? Zelfs zo ver, dat Berger aan een psalm (Psalm 90) de kerkverlating toevoegt … Dat mag, want dat staat los van de psalmtekst zelf, zijn eigen korte overdenking die, cursief, op elke psalm volgt.
De vraag is: hoe doe je, los hiervan, rechtd aan de bron van de psalmen, die zowel door joden als christenen worden gelezen? Door wie wordt je uitgenodigd? Door de joden – om mee te lezen. Zij zijn het die je in, en met deze teksten, gezeggen.

Joodse elementen
Er zijn wel meer joodse elementen die zijn weggevallen, zoals in Psalm 92 en 93, waar de tiensnarige harp sec ‘harp’ is geworden. Dat is jammer, want daarmee valt ook een lading weg.
Maar er zijn gelukkig ook zinnen die een houvast bieden, zoals

Tora leeft immers in hun hart.

Soms blijft Bremer dicht bij het origineel, zoals in Psalm 75, waar sprake is van een ‘hoorn’ van de kop van een dier, waar in andere vertalingen trots staat of hoorn als instrument (de ramshoorn).

Mooi
Ik lees – laat dat duidelijk zijn – veel mooie psalmen, zoals 84, 91 en 130. In de eerste staat ‘Omvleugelde’ voor God en in die laatste psalm staat ‘Volstrekte’ voor HEER en de vraag of Jij (die HEER) in de afgrond is, zoals Lloyd Haft ambigue herdichtte:

Waar ik u aanroep is diepte.

Ook meerduidig is een vertaling als in Psalm 38, waarin de pest niet letterlijk maar figuurlijk is opgevat:

… vrienden mijden mij als de pest.

Mystiek
Kenmerkend voor Bergers omtaling is ook een zekere mystieke ondertoon. In Psalm 130 heeft hij het bijvoorbeeld over ‘Ziel in mij, zegen de Ene’ voor de Godsnaam, het ‘Gij zijt Gij’ en het ‘gedachte bent u nu in Mij’ (Oosterhuis). Waar de eigenschappen van God aan worden gehangen: ‘Erbarmend, Genadig, Lankmoedig, Rijk aan liefde, Rijk aan trouw’. Met aanhalingstekens, want intertekstueel. Een punt dat straks nog terugkomt.

Theologisch
Soms proef ik een theologie die wat achterhaald lijkt, zoals in Psalm 84, waarin de vraag wordt gesteld of het gaat om

dit wachten, dit niet weten,
dit tussenruim in mijn bestaan.

Gaat het niet eerder om ver-wachten, niet in een tussenruim, maar hier op aarde, in het hier-en-nu, waar het moet gebeuren? Gaat God boven tijd en ruimte uit (Psalm 92 en 93), of doet Hij er juist inbreuk in? Of is dat weer te Barthiaans? Je kunt, en je mag, er van mening over verschillen.
Ook in een vertaling als Psalm 46 staat een Godsgeloof dat gedateerd overkomt. Hierin gaat het over het wankelen der aarde, maar toch niet als God zich verheft? Dat staat er denk ik niet, en je moet het er ook niet in willen leggen.
Toch spreekt er uit sommige psalmen ook een hedendaagse twijfel die je mee kunt voelen. Mooi is bijvoorbeeld:

Niet vanzelfsprekend blijf ik zingen van Jou,
want niet te rijmen zijn Jouw grond en afgrond.

Soms staan er ook letterlijk vraagtekens in plaats van uitroeptekens. Bijvoorbeeld in Psalm 15, volgens een predikant die ik onlangs hoorde een samenvatting van het geloof. Dit valt Lloyd Haft zwaar (‘Zwaar ligt het woord’) en Berger vraagt of hij het waard is, ‘jouw tent?’
Van deze tijd is ook een vertaling als ‘heelheid van God’ (Psalm 50), waar de Statenvertaling ‘Gods heil’ geeft.

Nadenken en troost
Veel teksten geven niet alleen manna om te overdenken, maar ook stof om over na te denken of bieden troost. Neem bijvoorbeeld Psalm 115: ‘Ze hebben een neus maar kunnen niet ruiken’  wordt bij Bremer:

hun neus ademt geen wierook

En ja, de joden kenden het rookoffer. De titel van Bremers boek komt overigens uit deze psalm.
Om over na te denken is Psalm 16. Berger heeft het over God die mij niet laat vallen in het niets, waar vaak wordt gezegd, intertekstueel, dat God mij niet anders laat vallen dan in Zijn hand, zoals in het lied van Arno Pötzsch:

Je kunt niet dieper vallen
dan louter in Gods hand

Troost kun je vinden in een psalm als Psalm 73:

Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn
lichaam, de rots van mijn bestaan,
al wat ik heb, is God, nu en altijd.

Of in de bewerking van Lloyd Haft:

Want: U bent niet in hun woorden
maar waar woorden niet meer zijn.

Woorden (!) om in je hart te bewaren. En daar lijkt het Berger toch ook vooral om te doen. Ik ga verder proeven.

Gert Bremer: Laat mij maar zingen. Psalmen na geschreven. Uitg. Abdij van Berne, 2018. ISBN 9789089722362. 288 pagina’s € 24,90

Om stil van te worden

De tentoonstelling is bijna afgelopen, VUUR van Maria Roosen (in Kunsthal KAdE te Amersfoort), maar als liefhebber van haar werk heb ik haar op de valreep nog gezien. Voor mensen die de weg naar KAdE niet weten te vinden, zijn er in de straatstenen wegwijzers richting ‘Centrum’ aangebracht (zie foto rechtsboven). Zouden die Maria Roosen hebben geïnspireerd tot haar ‘Richtingaanwijzers’ bij de expositie? Niet dat die naam op zaalteksten terug te vinden is, maar een van de vrijwilligers die ik ernaar vroeg hielp mij verder. Hij verwees ook naar de hangende exemplaren, los (zie foto links) of aan een rek. En – vertelde hij – er waren in de winkel dertig te koop geweest, maar die waren in een mum van tijd uitverkocht.

Ja, wie wil er geen echte Roosen in huis hebben! Zij noemt haar eigen werk Tools for feelings. Ze wil gevoelens oproepen, geen intellectuele exercities uitlokken. Maar daarmee doet ze haar werk misschien toch ook wel een beetje tekort. Althans in mijn beleving.
Neem nu alleen al die Richtingaanwijzers zoals ze er staan. Donker gekleurd glas op een driepoot van metaal à la een muzieklessenaar. De eerste indruk doet denken aan Ceci n’est pas une pipe (dit is geen pijp, foto rechtsonder) van René Magritte, dat oorspronkelijk ‘Het verraad van de voorstelling’ heette. Toen ik wat verder keek, deed de Richtingaanwijzer me ook denken aan een ramshoorn of de hoorn die de dove Beethoven aan zijn oor zette.

Ik denk dat je het er allemaal in mag leggen, naast de primaire functie van het object. Waarvan er inderdaad ook hangende exemplaren te zien zijn. In een rek doen ze denken aan vallende druppels, als tranen die worden geplengd. Zo’n soort emotie roept ook een takkenbos op dat door Roosen in brand wordt gestoken en waarvan een video valt te zien. Vuurvlammen schieten omhoog, van de takken blijft alleen een hoopje over. Een rituele verbranding van emotionele gevoelens na het overlijden van haar man, dat moet het voorstellen.

Die takken geven al aan dat Roosen niet alléén met glas werkt. Ook beelden waren er in KAdE te zien: Widow I en Widow II. Deels zwartgeblakerd hout, manshoog. Een ervan is zwart, de kleur van rouw en de dood. Net als de Wegwijzers. Een tentoonstelling om stil van te worden.

Opstandigheid en opstanding

Je zou de thema’s uit de nieuwste roman van Arnon Grunberg, Moedervlekken, opstandigheid en opstanding kunnen noemen. De auteur gebruikt het eerste woord zelf. Het tweede ligt besloten in de tekst.
De moeder van de hoofdpersoon zegt op een gegeven moment: ‘Ik ben opstandig, nooit heb ik opstandig kunnen zijn. Nu ben ik het. Ik heb iets in te halen.’ Het gebrek aan opstandigheid heeft ze als Holocaustoverlevende ervaren. In die tijd was het verre van verstandig om op te vallen. Opstandig is ze nu vooral tegen haar zoon, Kadoke, ‘een moederskindje.’

Het verhaal
Het verhaal over moeder en zoon is snel verteld. Kadoke is een psychiater die bij de Amsterdamse crisisdienst is belast met suïcidepreventie. Zijn moeder is overleden en Kadokes vader werd na een zware depressie die daarop volgde, ‘als het ware zijn dode vrouw. Hij deed zijn pakken de deur uit, hij eigende zich haar geschiedenis toe, hij veranderde in zijn dode vrouw.’ Hij stond op als vrouw, zoals Gregor Samsa in Kafka’s, door Grunberg bewonderde Die Verwandlung wakker werd als tor. De twee inwonende, Nepalese verzorgsters kijken er niet van op. Net zomin als de omgeving van Samsa dat deed.
Na avances van Kadoke met één van hen, Rose, vertrekken uit solidariteit beide meisjes. Niet nadat Kadoke door Darko, de vriend van Rose, in elkaar was geslagen, zonder dat hij weerstand bood. Darko komt niet alleen in opstand tegen de eer die zijn vriendin is ontnomen, maar ook tegen ‘the boss’, ‘white people’ en ‘jews.’

De plaats van de Nepalese meisjes wordt na een korte tijd waarin de zoon zijn moeder verzorgde, ingenomen door Michette, een psychiatrisch patiënte van Kadoke. Zij automutileert zichzelf, heeft zelfmoordneigingen en drinkt, net zoals van Van Gogh bekend is, schoonmaakmiddelen. Michette noemt Kadoke een ‘grensoverschrijdend psychiater.’ Een omschrijving die de arts overneemt, opstandig zoals ook hij is. In zijn geval tegen de reguliere psychiatrie. En tegen het etiket dat hij als blanke krijgt opgeplakt; hij zegt vermomd te zijn ‘als witte man. Niemand ziet dat ik niet wit ben. Dat is wat ik ben, dat is wat ik wil zijn, uitstekend vermomd.’

Fantasie en werkelijkheid
Moedervlekken
mag een hoogtepunt in het oeuvre van Grunberg heten. De mengeling van autobiografische elementen en fantasie uit zijn eerste romans, en de research die spreekt uit zijn latere werk, zijn tot een eenheid samengesmolten. We hebben door een televisiedocumentaire (3 mei 2015) van de Joodse Omroep weet van het ziekteproces van Grunbergs moeder, Hannelore Klein, het feit dat hij haar verzorgde en dat ze inmiddels is overleden.

We lezen in de roman over de fantasie van de vader die moeder werd, en plukken de vruchten van de research die de auteur binnen de psychiatrie heeft gedaan. In de verte doet het verhaal zelfs denken aan de levensgeschiedenis van de alternatieve psychiater Lowijs Perquin, die van behandelaar zelf patiënt werd. Zo wordt Kadoke van ‘the boss’ op een gegeven moment leerling op een vechtschool.

Thema’s en overeenkomsten met eerder werk

Een voorafschaduwing van deze thematiek komen we al tegen in een IKON-documentaire uit 2005. Hierin vertelde Grunberg dat het meest terugkerende verwijt thuis was dat hij ‘niet terug sloeg, niet weerbaar was, te zwak was om te overleven.’ In deze roman komt dit thema veelvuldig terug. Niet alleen in de hiervoor genoemde passage waarin hij niet terugslaat, maar ook wanneer de moeder veelvuldig zegt dat Kadoke geen man is.  ‘Misschien wordt je ooit een man maar vooralsnog merk ik er weinig van. Een moederskindje, dat ben je. Altijd geweest.’

Uit deze passage blijkt ook een overeenkomst met een eerdere roman van Grunberg, Onze oom. Hierin wordt eveneens de absolute tegenstelling tussen schuld (in Moedervlekken de verkrachting van Rose) en onschuld (het in elkaar worden geslagen door Darko) opgeheven.
Een andere overeenkomst bestaat uit het feit dat waar in Onze oom Lina zegt bang te zijn, het hier Michette is die dit zegt. Wat in Onze oom rest is een schreeuw, wat in Moedervlekken zou moeten resten, is de stoot op een ramshoorn door een rabbijn, die het echter laat afweten, zodat de functie ervan wordt overgenomen door Michette: een seculiere, levende versie van de ramshoorn die verwijst naar een leven dat goed is voor zowel de moeder, die wordt verzorgd, als de patiënte, die een alternatieve behandeling krijgt.

Details als deze, het zoeken naar de ramshoorn spelende rabbijn, maar ook het roken van Kadoke dat telkens terugkomt, zorgen voor structuur en ritme in de roman, die door een accolade in de eerste en de laatste zin wordt samengehouden.
De eerste luidt: ‘Kadoke wil aanbellen, maar het gras doet hem aarzelen.’ De tuin sterft, net als de bewoonster van het huis, net als de planten van Michette, die haar ex-vriend allemaal geknakt heeft achtergelaten. Wanneer Kadoke met Michette het huis binnenkomt, staat de moeder planten water te geven, de verdorde planten die Michette uiteindelijk laat verzuipen.

De laatste zin laat voor de lezer de conclusie open: ‘Staand voor zijn auto rookt Kadoke zijn laatste sigaret.’ Houdt hij het als ‘grensverleggend psychiater’ voor gezien? Gehoorzaamt hij zijn moeder, die hem opriep met roken, hoewel zijn moedervlekken uit de titel (= binding aan zijn moeder?) zijn verwijderd? Om zo dichter bij haar te zijn, het opstandige achter zich latend? Is het een uiting van tesjoewa (inkeer?) Of verwijst het nog naar iets anders? De lezer mag het invullen.

Conclusie
Daarvoor heeft hij eerst een hoogtepunt in het oeuvre van Grunberg gelezen, en wellicht herlezen. Slechts even, halverwege dreigt de roman in te zakken, maar al snel wordt de loop van het verhaal op een sterke manier hernomen. Vol spiegelbeelden, metaforen en verwijzingen naar thema’s uit het echte leven, andere literatuur zoals Kafka en eerdere romans van de schrijver. En wellicht ook een minder nihilistisch mensbeeld inluidend (of door de ramshoorn eerder: aanblazend) dan we tot nu toe uit het werk van Grunberg kennen.

Dit boek is genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2017: http://www.librisliteratuurprijs.nl/2017/grunberg