Karl Jaspers bij HOVO Amsterdam (IV, slot)

Een van de manieren waarop de filosoof Karl Jaspers (1883-1969) transcendentie omschreef, is met het begrip ‘chiffren’. Dat wil zeggen – zoals Jozef Waanders het in zijn boek Sporen van transcendentie omschreef – ‘geheimtekens van transcendentie, waarin ervaringen van het zijn voor de existentie mogelijk wordt in (en haaks op) de voorwerpelijkheid van de immanentie’ (p. 73). Kunst kan bijvoorbeeld tot chiffre worden. Het is – wat eenvoudiger gezegd – iets dat eenmalig inbreuk doet in het concrete leven, ‘Senkrecht von Oben’ zou Karl Barth zeggen.

Tijdens een HOVO-cursus over Jaspers werden ervaringen besproken en vroegen wij ons af of je bepaalde dingen een chiffre zou kunnen noemen. Ik moest denken aan wat mijn wijkpredikant, ds. Paula de Jong, vertelde in de dienst op vierde Adventszondag verleden jaar. Een persoonlijk verhaal.

Ze vertelde dat ze theologie studeerde en woonde in het Dominicanenklooster in Zwolle. Zij mocht daar een keer een preek houden, naar aanleiding van II Samuel 7:4-6, over – zo staat er boven mijn Bijbelvertaling – de ‘belofte aangaande Salomo’s tempelbouw’. Deze tekst werd op vierde Adventszondag ook gelezen.
Na afloop van de dienst in Zwolle liep ze de trap op naar de vertrekken, en in een flits zag zij de weg die ze moest gaan: het predikantschap. Een flits die je zou kunnen vergelijken met de roeping van Maria. En, dunkt mij, met een chiffre.

Ik zag toen ze dit zei een prachtig beeld voor me: van de Finse schilderes Helene Schjerfbeck (1862-1946). Of eigenlijk twee. Er is een overeenkomst tussen de twee schilderijen die ik bedoel: het licht, de ‘crack in everything’ om een song van Leonard Cohen aan te halen. Op een overzichtstentoonstelling in 2007 in wat nu het Kunstmuseum Den Haag heet, vormde De deur (oude kloosterhal, afb. links) een van de hoogtepunten. Het schilderij heeft veel weg van de lezende Maria, die ze vele jaren later schilderde (afb. rechts). Beide doeken hangen in de Finnish National Gallery in Helsinki.

Je kan er een heel verhaal omheen weven. Over de leegte, over het licht dat de onderwerpen (de deur en Maria) zélf uitstralen, maar eigenlijk moet je dat niet doen. Het zijn schilderijen om in je hart en op je netvlies te koesteren, zoals de ontboezeming van ds. Paula de Jong. Als een roeping, chiffre of hoe je het ook wil noemen.

 

Een deel van deze blog verscheen eerder in Drieluik, een gezamenlijke uitgave van de Protestantse Wijkgemeente in Amsterdam-Noord, maart 2021. Wordt hier – in het kader van de inmiddels afgesloten cursus over Karl Jaspers aan de HOVO Amsterdam – in iets uitgebreidere vorm en met toestemming overgenomen.  

Waar woont God?

Een preekbundel recenseren, zoals de recent verschenen ’12 preken volgens het rooster van de synagoge’, Doe dit en je zal leven van dr. Wilken Veen (uit. Narratio), heeft wat vreemds. Ze zijn op een bepaalde zondag, in dit geval tijdens een leerdienst in Amsterdam-West uitgesproken en een bepaalde context. Daar ga ik dus ook niet aan beginnen. Wat ik wél wil proberen, is aan de hand van één preek (‘Waar woont God?’) dóór te denken. Want dat is waar een preek als het goed is toe oproept: je in de komende week, als leeftocht voor onderweg, dóór laten denken over wat je werd aangeboden. Dus: waar woont God?

Veen gaat het rijtje af: in de hemel? In het ontoegankelijk licht? Om te concluderen dat ‘we niet weten waar God woont, hoe hij bestaat, we kunnen hem niet zien, we hebben slechts de verhalen van de getuigen, die getuigen hoe ze God hebben ervaren’.

Bij dat laatste woordje, ervaren, blijf ik haken. Want dat is wat anders dan het Senkrecht von Oben waar volgelingen van Karl Barth bij zweren: God die Zich openbaart als een bliksemschicht, loodrecht naar beneden, en alleen daarin, in die openbaring Zich laat kennen.

Natuurlijk blijft staan wat Veen ook verwoordt als het feit ‘dat God van een andere aard is, geheel anders dan de mensen en de menselijke dingen’. En toch: Hij woont tussen mensen. Misschien komt Hij/Zij dan ook niet alléén Senkrecht von Oben (verticaal), maar zoals ds. Trinus Hibma enkele weken geleden in een preek in de Nieuwendammerkerk te Amsterdam zei, van opzij. Zonder hier overigens verder op in te gaan. Over een bliksemschicht gesproken … Maar dan een horizontale (tussen twee wolken).

Opzij, zomaar, opeens, wanneer je het niet verwacht. En dan, nog een stap verder, met de slotzin van Wilken Veen: ‘God is tegenwoordig, waar God gedaan wordt’.  Daar waar mensen handen en voeten geven aan hun geloof, aan Hem, staan naast de weduwe, de wees en de vreemdeling. Of, om een gedicht van Huub Oosterhuis aan te halen zoals Cor Ofman het citeert in zijn al even recente boek Zoektocht naar gastvrijheid (uitg. Dabar-Luyten, drie maal vet EvS):

Als je broeder diep is weggezakt
zijn handen reiken niet ver genoeg
zal jij hem vasthouden
hij zal overleven naast jou.
Neem van hem geen rente
geef hem geen zilver tegen rente
geef hem niet te eten tegen winst
hij zal overleven naast
jou –
ook de vreemdeling zal overleven
naast jou, als je broeder.

En misschien mag je tenslotte ook denken aan de zegen naar St. Patrick:

De Heer zal voor je zijn, om je de juiste weg te wijzen.
De Heer zal achter je zijn, om je te beschermen tegen gevaar.
De Heer zal onder je zijn, zodat je nooit ten onder kunt gaan.
De Heer zal in je zijn, om je te troosten als je verdriet hebt.
De Heer zal naast je zijn als een beschermende muur, wanneer anderen over je vallen.
De Heer zal boven je zijn om je te zegenen.
Zo zegene je God, vandaag, morgen, al de dagen dat je leeft, in eeuwigheid.
Amen.