De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

Sanne van Driel – De strijd van het kleine meisje

Van Driel_AnorexiaDe strijd van het kleine meisje : een filosofie van anorexia / Sanne van Driel. – Zoetermeer : Klement, [2016]. – 200 pagina’s ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-868717-7-3

De auteur koos filosofie als insteek om over de ervaring van anorexia te denken – anders te denken. Zij analyseert hoe dit denken tot stand komt. Met name vanuit de differentiefilosofie van Michel Foucault en Gilles Deleuze, die denken voorbij de scheiding van lichaam en geest. Anorexia is volgens Van Driel niet alleen gerelateerd aan psychopathologie, maar ook aan een poging iemand anders, een ‘beter’ iemand te worden. Tegenover de vraag wat ziek maakt, zet ze filosofie die levenskrachten aanspreekt. De schrijfster (1986) studeerde op dit onderwerp af aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. In 2014 ontving zij voor haar masterscriptie de Van Helsdingenaanmoedigingsprijs. Dit verre van eenvoudige maar sterke boek is bedoeld voor lezers die zijn geïnteresseerd in studies op het raakvlak van psychiatrie en filosofie.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Gevallen vogel

Van WIlligenburg_Gevallen vogelGevallen vogel : Kant, Wittgenstein, Nietzsche, Foucault, Agamben, Lyotard achter tralies / Theo van Willigenburg. – Budel : Damon, [2014]. – 528 pagina’s ; 24 cm ISBN 978-94-603-6192-0

De onder meer als hoogleraar ethiek werkzaam geweest zijnde auteur belandde wegens een zedendelict in de gevangenis en werd later valselijk beschuldigd. Tijdens
zijn gevangenschap schreef hij dit boek, bestaande uit twee onderdelen. Het ene is een autobiografie, het andere (in twee kolommen gedrukte) essays. Hij stelt morele vragen
aan de lezer. De essays behandelen verwante vragen bij Kant, Wittgenstein, Nietzsche, Foucault, Agamben en Lyotard. In de gevangenis voelt Van Willigenburg zich vrij door te lezen en op een bepaalde manier zelfs nuttig te zijn door te studeren. Hij ervaart aan de ene kant schuld en schaamte en voelt zich aan de andere kant opgejaagd wild. Hij omschrijft zichzelf als tegen-denker en tegen-schrijver. De thematiek is verwant aan de boeken van Rein Gerritsen, die echter vastzat voor geweldpleging, en voor wat betreft de valselijke beschuldiging aan die van Ton Derksen, waaronder Lucia de B. Een mooi uitgegeven boek, op glanzend papier met leeslint. De titel is de benaming die Piet Oussoren (bekend van de Naardense Bijbel) aan zijn partner gaf.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen. Geplaatst in week 49 (2014).

Een stok om mee te denken

Simon_Stok om mee te denkenEen stok om mee te denken : de techniek van filosofen / samengesteld en ingeleid door Coen Simon. – Amsterdam : Nieuw Amsterdam Uitgevers, [2014]. – 304 pagina’s ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-468-1651-6

In dit boek biedt Coen Simon zijn keuze aan artikelen van bekende filosofen over nieuwe technieken door de eeuwen heen, telkens voorzien van een korte
plaatsbepaling vooraf. Van het schrift en onderwijs bij Plato, waarde bij Karl Marx en het panopticon bij Michel Foucault tot de fonograaf bij René Munnik, de fotografie bij Susan Sontag en de film bij Walter Benjamin. In wezen allemaal voetnoten bij de metafoor van de grot bij Plato. Het doel van deze bloemlezing is niet zozeer het schetsen van de geschiedenis van techniek in de ruime zin van het woord, als het aftasten van de grenzen van het voorstellingsvermogen van de mens: niet (te)
pessimistisch en niet (te) optimistisch, maar als bron van verandering. Simon, filosoof,
lid van het panel van Filosofie Magazine en winnaar van de Socrates Wisselbeker 2012,
stelt dat telkens wanneer een nieuwe techniek wordt ingevoerd, je een ander mens
wordt in een nieuwe wereld. Een uitgangspunt dat genoeg stof tot nadenken en gesprek
biedt. En vraagt om aanvulling (denk aan Braidotti, De Mul, Ellul, Achterhuis en
anderen).

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen. Geplaatst in week 20 (2014).