‘Ik ben het licht, ik ben de duisternis’

Barend Roest CrolliusHet literaire werk van Barend Roest Crollius (1912-2000, zie afb.) heeft een soort Januskop, een dubbele uitdrukking als in het citaat van Toon Tellegen dat deze blog siert. Het boek Bezwarend getuigenis geeft dit duidelijk weer. Zowel qua stijl als qua inhoud. Aan de ene kant maakt de schrijver gebruik van een ambtelijke retorica vol archaïsche woorden, en aan de andere kant doet de toon zakelijk en modern aan. Dit gaat samen met zowel een premodern, metafysisch wereldbeeld als aan de Verlichting ontleende denkbeelden wanneer onderscheid wordt gemaakt tussen het natuurlijke, aan de metafysica ontleende Kwaad, en het morele kwaad waarvoor de moderne mens verantwoordelijk is.

Het is het k/Kwaad waar hij als kind kennis mee had gemaakt. Hij hoorde de telefoongesprekken die zijn vader in de huiskamer over ernstige ziektes voerde, hij ontmoette in levenden lijve de cliënten van zijn oudere zuster, die strafpleiter was, mee naar huis nam. De gesprekken en bezoeken wierpen vragen op die hem zijn hele leven zijn blijven bezighouden en ook in zijn oeuvre diepe sporen hebben achtergelaten.
In de bundel Dagboek van Sara en andere verhalen (1969) bijvoorbeeld, een zestal dan weer sterk aan Kafka en dan weer aan de Vestdijk van De kelner en de levenden herinnerende verhalen, is de centrale vraag nog steeds actueel: is het kwaad een ziekte die door de maatschappij wordt veroorzaakt (nurture) of zit het in de mens ingebakken (nature)?
Het titelverhaal, dat in 1962 werd bekroond met de Novelleprijs van de gemeente Amsterdam, staat in de traditie van een psychisch gestoorde patiënt als verteller (Guy de Maupassant, Emile Zola). De vraag is wie er nu ziek is: Sara (‘wij gaan praten om u beter te maken,’ zegt de psychotherapeut) of de verpleegster met haar ongeneeslijke haat die voortkomt uit jaloezie?

In een interview heeft Roest Crollius eens gezegd dat hij na het schrijven van elk (doorleefd) boek een psychische inzinking had. Heel erg soms. Tegelijk was het zich verdrinken in componeren, schrijven en schilderen een bezwering van kwade machten in niet alleen de buitenwereld maar voor alles in zichzelf. Zelf vergeleek hij zijn enorme werklust graag met die van Picasso, met wie hij overigens ook zijn grote differenties in stijl gemeen had.

Al met al bestaat Roest Crollius’ literaire productie uit zo’n twintig publicaties, van novellen en romans, aforismen en gedichten tot enkele vertalingen uit het Duits. Nog los van de vele recensies die hij tot 1971 om den brode heeft geschreven voor het Algemeen Dagblad, de Haagsche Courant, de Haagse Post en, over met name Franse literatuur, Elseviers Weekblad. Roest Crollius’ laatste boek was De wrede idealist (1971). Op de uitgave hiervan heeft hij gezien de gevoelig liggende thematiek (De drie van Breda) lang moeten wachten. Hetgeen er mede toe heeft geleid dat de auteur meende dat de literatuur ten onder ging en de uitgever een manager zonder literaire smaak is geworden. Daarbij voorbij gaand aan het feit dat hij zelf een ‘cultureel ondernemer’ avant la lettre is geweest met zijn kunstcentrum Kasteel Duinrell in Wassenaar. Hier werd aan jonge kunstenaars de gelegenheid geboden zich aan het publiek voor te stellen. De komst van grote namen, zoals de bariton Laurens Bogtman, Albert Vogel die uit het werk van Aart van der Leeuw kwam voorlezen of de antropoloog en ontdekkingsreiziger Paul Julien, bracht veel mensen op de been en het benodigde geld in het laatje om het centrum draaiende te houden.

Toch heeft Roest Crollius het bij mij voor elkaar gekregen waar hij op hoopte: ‘Een tovenaar te zijn die misschien een of twee keer in zijn kunstenaarsbestaan een tipje van het ondoorgrondelijke belicht.’
Bij het lezen van Dagboek van Sara, het eerste verhaal dat ik van hem las, vroeg ik mij zelfs af waarom hij een standaardwerk als De Nederlandse Literatuur – een Geschiedenis (NLG) niet heeft gehaald. Maar gaandeweg gaf de rest van zijn oeuvre misschien een mogelijk antwoord: door, in een tijd die veel waarde hecht aan originaliteit, een (te) grote schatplichtigheid aan de dag te leggen. Aan Kafka en Vestdijk, Kokoschka en Klee. En door de ‘vent’ meer op de voorgrond te plaatsen dan de ‘vorm.’ In die zin was Roest Crollius duidelijk een volgeling van de filosofie die het tijdschrift Forum (1932-1935) uitdroeg: de persoonlijkheid van de auteur is het alfa en omega.

De weduwe van Barend Roest Crollius heeft gelijk als zij desgevraagd meent dat het eigene van zijn oeuvre voor alles ligt ‘in de afwisseling, afhankelijk van zijn stemming.’ Zo kunnen wij de complexiteit van hem én van onszelf als consistente eenheid de ruimte geven en onder ogen zien.
Het is Roest Crollius’ werk vergaan als dat van zijn Vlaamse geestverwant Hubert Lampo. Beiden hielden zich bezig met de vragen die het leven stelt. De gemiddelde lezer en beschouwer van literatuur deinst echter vaak voor zulke vragen terug. Maar voor hetzelfde geld vindt er een omslag in de receptie plaats en kan juist deze ‘magisch-expressionistische’ kunst op zijn tijd tegenwicht bieden aan lichtere, verstrooiende uitingen. Voor hetzelfde geld wisselen met andere woorden hoofd- en onderstroom van plaats en komen Hubert Lampo en Roest Crollius weer boven drijven. Als op een golfslag, dan weer licht, dan weer donker. ‘Weinig is zo aangrijpend als een mens die lijdt en je aankijkt.’ Dit schreef Barend Roest Crollius op een kladpapiertje dat zijn weduwe na zijn dood overtypte.

Herplaatsing van de gedeelten over het literaire werk van Barend Roest Crollius in Mens en melodie (nr. 2/2007) n.a.v. het verschijnen van de brieven van Heere Heeresma (Bleib gesund!), ingeleid en samengesteld door Hein Aalders (De Arbeiderspers). Hierin wordt o.a. melding gemaakt van één van de vele practical jokes van Heeresma, die Roest Crollius – volgens Jaap Goedegebuure in Trouw (5 december 2015) ‘niet bepaald een prominent auteur’ – in de waan bracht dat hij de P.C. Hooftprijs had gewonnen.

De Descartes van René Gude

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeFilosofie Magazine kwam met wat zij noemen een ‘extra dik bewaarexemplaar’ (mei 2015): René Gude in Memoriam. Het artikel van Daan Roovers opent met de zin: ‘Ik kan leven met onzekerheid. Dat heb ik van Descartes geleerd.’ Dit brengt mij in gedachten terug bij een college over Descartes, dat René Gude (zie foto) in 2010 gaf voor de Open Universiteit.
Mijn aantekeningen werk ik hieronder uit. Ter nagedachtenis aan een fijne leermeester, ‘de man die de filosofie een gezicht gaf.’

Gude begint te zeggen dat hij bij zijn denken de ‘autobiografische methode’ gebruikt, net als Descartes zelf. Gebaseerd op het thema van de OU-cursus: vrijheid. Het gaat er dus om hoe zij tot het concept ‘vrijheid’ zijn gekomen.

Tijdens zijn studie sociale geografie stelde Gude zich twee vragen:

1. hoe verhoudt deze wetenschap zich ten opzichte van andere vormen van wetenschap
2. wat is mijn statuur als deskundige.

Hij kwam erachter, dat hij gewoon filosofie aan het bedrijven was, want:

1. wat is wetenschappelijke kennis?
2. hoe deel je de wetenschappen in?

Descartes heeft rechten gestudeerd, maar geneeskunde was zijn fascinatie. Die wetenschap was toen nog niet zo ver ontwikkeld als moderne wetenschap. Dat wilde hij verbeteren. Door een opleiding voor artsen te starten die door een betere wetenschap de mensheid beter kan dienen. Pragmatisch dus. En dan pas artsenij in praktijk te brengen.

Descartes kwam naar Nederland, waar de verdeeldheid was georganiseerd, eerder dan dat je kan spreken van tolerantie. De ene na de andere universiteit schoot uit de grond.
Hier dacht Descartes zijn nieuwe methode van wetenschap veiliger en eerder te kunnen slijten dan aan de Sorbonne. Om die reden ging hij later door naar ‘het land van de beren’: Zweden.

Wat houdt vrijheid nu bij hem in? In de eerste plaats zelf denken, een eigen fundament vinden, niet alleen de traditie volgen. Hij wilde een inventieve methode ontwikkelen, die niet alleen van lezen uitging, maar ook het oog op de wereld richtte.
De kern is dan: aansluiten bij de twijfel die je hebt, bij alledaagse vragen die je tot de bodem uit wil zoeken. Dat heet filosofie. Er staan je twee dingen te doen:

1. vallen en opstaan
2. metafysische meditatie loslaten op kennis.

Descartes koos voor de tweede methode. En begon te twijfelen, door in het te onderzoeken probleem te stappen en zich af te vragen: Wat zou betrouwbare kennis kunnen zijn?
Dit is methodisch een enorme breuk in de constatering dat je kennis hebt opgedaan, zonder deze methode of structuur. De vraag is vervolgens: Wat is daarbinnen dan waar en wat niet? Je kunt weer twee dingen doen:

1. doorgaan met positief benoemen wat goed is, omdat …
2. of je afvragen of er inzichten bestaan die 100% betrouwbaar zijn.

Descartes zelf gaat nog harder twijfelen. En wel expres. Hij doet een twijfelexperiment. Het risico bestaat, dat er geen echte wetenschappelijke kennis mogelijk blijkt, neemt hij daarbij voor lief. Een andere mogelijkheid is, dat je ‘iets’ vindt dat je niet onderuit kunt halen.

Descartes presenteert niet zijn bevindingen, maar hoe hij daartoe is gekomen. Dus door van het begin bij de conclusie te geraken, en door van de conclusie weer terug te keren naar het begin. Je kunt de weg (voie) volgen van de

1. orde synthetique (bewijzen)
2. analytique (aantonen).

Je moet alle stappen zelf mee kunnen maken. Of niet …
Descartes wil je mee zien te krijgen: ‘Dat heb ik nu ook.’ Hij biedt tenslotte een methode in zijn Meditationes. Hij twijfelt alles weg: alles dat via de zintuigen is waargenomen, is het meest waarschijnlijk (voorstelling in ons denken), maar tegelijk verdacht:

1. droomexperiment voldoet niet aan criterium van 100% zekere kennis
2. kwaadwillende geest – zelfs wiskunde voldoet niet meer.

Dan ligt de conclusie voor de hand dat alles betwijfelbaar en hoogst onzeker is. Maar één ding staat vast: niet de inhoud is weg, want je weet dat je er moet zijn om überhaupt te kunnen twijfelen (Ik denk dus ik ben). Telkens wanneer je dit zegt, is het waar.

Waarheid is wanneer wat je zegt samenvalt met wat je ermee bedoelt; de voorstelling past op datgene wat je bedoelt (adequate kennis). Er zijn dan twee categorieën:

1. dat wat niet samenvalt met een zaak
2. deel dat wél samenvalt.

Je wilt die delen groter maken. Dat betekent óók dat het niet meer onzinnig is om naar wetenschap te zoeken, naar betrouwbare kennis.
Er is een principe, een vast punt van waaruit je vertrekt: kennis van

1. het denken. Is beperkt, maar maakt deel uit van een deel dat méér belooft. Kom je door eigen inspanning.
2. kennis van lichamelijkheid. Deze geef je aan in termen van uitgebreidheid en gestalte. Het blijft waar als je materiële eigenschappen wegdenkt (lengte, breedte, diepte als berekening van de voorstelling van een lichaam).

Hier begint het dualisme van Descartes zich te ontwikkelen. Met mentale processen (denken) en somatische processen (lichamelijkheid) komt Descartes zo bij de geneeskunde uit. Respectievelijk psychologie en somatiek. De arts onderscheidt deze: heeft iemand mentale problemen of lichamelijke? Eigenlijk was Descartes volgens Gude dus psychiater vanuit de huidige stand van zaken geredeneerd.

Wat is dan uiteindelijk vrijheid? Er is sprake van keuzevrijheid, denkvrijheid en beslissingsvrijheid. Maar: de vrijheid is beperkt. Vanuit jouw perspectief, jouw startpunt, kun je vaststellen of iets betrouwbaar is of niet. Dát is de vrijheid die je hebt. En dat mag je leven noemen.

Dat heeft René Gude ons voorgeleefd. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Link: https://isvw.nl/picot/
Boek: René Gude over René Descartes (ISVW Uitgevers, ISBN 978-94-92538-48-2, december 2018).