Vergulde klanken

Blog n.a.v. komende concertserie met de zes Concerti armonici van Unico Wilhelm van Wassenaer door het Amsterdam Baroque Orchestra o.l.v. Ton Koopman.

Eens in de maand leidt ik een muziekclubje in een verzorgingshuis.Nog nooit heeft een middag zoveel stof doen opwaaien als uitgerekend eentje over barokmuziek in de Nederlanden. Ik had gekozen voor muziek van Carel Hacquart, Unico Wilhelm van Wassenaer en Pieter Hellendaal. Heel onschuldig, zou je denken, maar daar dachten de mensen uit ‘mijn’ clubje heel anders over.

Ze vonden de muziek ‘saai’, ‘overladen door een adellijke parfum’, ‘afstandelijk’ en ga zo maar door. Die componisten hadden volgens hen hun oren laten hangen naar hun opdrachtgever/mecenas (twee advocaten, in het geval van Hacquart). Alleen Hellendaal leek in eerste instantie de toets der kritiek te kunnen doorstaan.
Kwam het nu omdat ik had verteld dat Van Wassenaer van adel was en dat ze daar niets mee hadden, en dat Hellendaals muziek soms lekker tegen volkse, ruige muziek aanhing en door iemand als de violiste Antoinette Lohmann ook als zodanig wordt uitgevoerd?

Toen kwam er opeens de mening van een mevrouw die vond dat die Hacquart het eigenlijk toch ook wel heel góed had gedaan: ‘Want die twee viola da gamba’s die cirkelen zo mooi om elkaar heen, die gingen met elkaar in gesprek’. Een schitterende constatering van iemand die goed had zitten luisteren – daar doe je het voor, voor zó’n gesprek. Ik ging helemaal vrolijk naar huis, en de ouderen hoop ik uiteindelijk ook. Een ervaring rijker.

Het deed me een beetje denken aan het gedicht ‘Mozart’ van Martinus Nijhoff, waarbij het de vraag is en blijft of hij hem wel recht heeft gedaan, zoals wij die middag de muziek van met name Unico Wilhelm van Wassenaer. Het luidt aldus:

Het vroege zonlicht trilt in de cypressen,
Drijft als een blonde schaduw over ’t gras
En stroomt, huiv’rend in ’t hooge vensterglas,
In ’t blank boudoir der grijzende comtesse.

Dezelfde dag moest steeds opnieuw gebeuren,
– Hoor den gekooiden vogel boven haar –
Weer buigt haar witgepoederd kapsel naar
’t Borduurwerk van verguld en bonte kleuren.  

Op ’t zelfde uur wordt iemand ingelaten
Die zwijgend buigt en voor ’t klavier zich zet,
En uit het oude hart van ’t zwak spinet
Waait de verwelkte geur van een sonate.  

Zij volgt zijn handen langs de gele toetsen,
– De thema’s keeren telkens weer terug –
En ziet door ’t zijraam de oprijlaan, de brug,
De wandelaars, de miniature koetsen.

https://oudemuziek.nl/musici/som-1819-amsterdam-baroque-orchestra/
https://youtu.be/7Q5Nten4RII

The Islanders

ChagallOp het eerste gezicht deed het op alle potloodtekeningen in de serie The Islanders van de Britse kunstenaar Charles Avery (Museum Boijmans Van Beuningen, 2009) voorkomende figuurtje denken aan een gebochelde kobold in een volksverhaal uit noordelijke streken. Of aan het schilderij De gebochelde (1911) van de Rus Alexej Lawlensky (particuliere collectie, Krefeld). Overal kwam ze in beeld, als een rode draad in het verhaal over een imaginair eiland dat Avery zowel beschrijft als afbeeldt. Wat deden die oude vrouwtjes daar nu aldoor?

 

Ik had het idee dat ik het figuurtje van een ander schilderij kende. Was het de Boerin met emmers en kind van Malevitsj uit dezelfde tijd als Lawlensky zijn schilderij maakte (Stedelijk Museum Amsterdam)? Het volkse zat er wel in, maar daar bleef het bij.
Na lang broeden kwam ik erachter dat het De Wandelende jood (Ahasverus) is zoals Chagall – ook een Rus – hem in 1924 schilderde; een schilderij dat ook bekend staat onder de titel Op weg (Petit Palais, Genève, zie afb.). Hij heeft geen bochel (bij beter kijken had het figuurtje van Avery dat trouwens óók niet) maar een knapzak op de rug. Daarin zeulde hij zijn hele hebben en houwen, letterlijk en figuurlijk, met zich mee. En dat is als je het negatief bekijkt niet niks, in dit niet helemaal van antijudaïsme gespeende, oorspronkelijk Duitse volksverhaal (1602). En ook niet als je het positief bekijkt: alle Bijbelse en andere verhalen die een wegwijzer en troost in het leven kunnen vormen.

Dat alles maakte de serie potloodtekeningen en verhalen van Avery over het eiland met de hoofdstad Onomatopoeia zo gelaagd als het maar kan. Het figuurtje heeft ook een naam: Coscienza. Wat weer doet denken aan de titel van een boek van de Italiaanse schrijver Italo Svevo: Bekentenissen van Zeno. De bekentenissen die daarin worden beschreven, doen denken aan de woorden die telkens bij Avery terugkomen.
Avery heeft het bijvoorbeeld over guilt, schuld, en agony, angst. Zoals Svevo de ‘kwaal’ beschrijft waarvan hij nooit meer zal genezen: ‘De angst voor de ouderdom en vooral de angst voor de dood’ (uitg. Trouw/Muntinga, 2005, p. 184).

Zeno zou zo maar de hoofdpersoon van het verhaal van Avery, of Avery’s alter ego of avatar kunnen zijn die zijn angst met ons deelt. Het is allemaal herkenbaar. De last die alle figuren torsen zit op één of andere manier in het rugzakje dat ze meezeul(d)en en waaronder ze dreig(d)en te bezwijken. Maar tegelijk jaagden ze allemaal geluk na door alles uit het leven te willen halen wat eruit te halen valt. Bij Avery gebeurt dat letterlijk door jagers, in tweedjasjes met malle hoedjes op. Je bent Engelsman of niet.

En het gebeurt figuurlijk als een jacht op de noumenon (het Ding an Sich). Je mag erop hopen, zoals Avery zijn eiland inzet als een utopia. En leven uit de verhalen die je óók in je knapzak vindt.

Met toestemming herplaats ik hier een column die ik oorspronkelijk schreef voor het tijdschrift Wervelingen (2009/3): http://www.scoliose.nl/publicaties/wervelingen/
N.a.v. de presentatie van The Islanders van Avery in het GEM te Den Haag (14 februari t/m 6 juni 2015):
http://www.gem-online.nl/tentoonstellingen/charles-avery