Mooi-mooier-mooist

In de Smidskapel van de Amsterdamse Oude Kerk zitten twee oude schalkbeeldjes onder de kap die nog helemaal intact zijn. Het zijn twee vrouwen met een hoge rug, de handen op schoot, schijnbaar om niet helemaal in elkaar te zakken. Boven de beeldjes zit een overhuiving, waar de rug niet tegenaan komt, zoals we van Italiaanse preekstoelen kennen, waar de hyper-kyfose van soortgelijke mansfiguren dragend is voor de kuip.

Er zijn wel symbolische verklaringen voor zulke beeldjes gegeven – bijvoorbeeld in het verlengde van een liedtekst van Tom Naastepad:

            …

            en Hij zal zijn schouders bukken

            onder wet en tijd.

Of als symbool van de overwinning van het kwade, van ziekte en gebrek. Toch scharen veel kunsthistorici dergelijke beeldjes nu onder de vrijheden die middeleeuwse kunstenaars zich veroorloofden en laten de symboliek voor wat het is.

Toch zou het kind hiermee wel eens met het badwater kunnen zijn weggegooid. In zijn boek Kritik der zynischen Vernunft (1983) rehabiliteert de filosoof Peter Sloterdijk een denkwijze die hij ‘kynisme’ noemt. Dat is een vrijmoedige, volkse en groteske vorm van kritiek in de voetsporen van Diogenes. Met name in de middeleeuwen op de rand van de renaissance leefde deze manier van denken op. De bolle fratskoppen van de beeldjes in Amsterdam en Italië staan in deze traditie. Maar misschien meer dan alleen die koppen.

Misschien ook het schilderij Minerva (ca. 1630) uit de omgeving van van Rembrandt, dat momenteel is te zien op de tentoonstelling Rembrandt en het Mauritshuis (31 januari – 15 september 2019, zie afb.). Het is achtereenvolgens toegeschreven aan Willem de Poorter, Gerard Dou en Hendrik Gerritsz. Pot. Die vreemd gevormde schouder roept hoofdbrekens op: een onhandigheid van de schilder, een misvormde schouder van Minerva, die ik in de literatuur echter niet ben tegengekomen. Maar wie weet wat voor symboliek erachter zit … In ieder geval zou Aart van der Leeuw het ‘misschien contrefait noemen’ (in: De kleine Rudolf).

Aandacht daarvoor past in ieder geval, wat het ook oplevert, in onze tijd waarin sprake is van wat wel ‘body history’ wordt genoemd, waarbij er interesse is voor die perioden in de geschiedenis (bijvoorbeeld de middeleeuwen van de schalkbeeldjes en de barok van Rembrandt en omgeving) waarin het lichaam even belangrijk was als het verstand.

Sloterdijk stelt het activisme van de moderniteit onder kritiek: snel-sneller-snelst. In zijn lijn doorgeredeneerd, kan degene en datgene dat níet zo snel gaat zijn plaats opeisen, al dan niet gesteund door een sterke patiëntenvereniging. Sloterdijk beroept zich op het begrip ‘Gelassenheit’ van Heidegger. Van de ‘Kehre’ bij Heidegger en de ‘juiste beweeglijkheid’ bij Sloterdijk gaat een rust uit – een zich naar eigen vermogen kunnen én zonder kritiek mogen voortbewegen in een overbeweeglijke tijd.

Het is een attitude die ik ook bij het kijken naar de beeldjes en naar het aan Rembrandt toegeschreven schilderij voel. Wat zich onder kritiek laat stellen, is de houding die mismaakte mensen uitsluit. Snel-sneller-snelst, mooi-mooier-mooist. Wat heet; zelfs een godin als Minerva is althans op dit schilderij niet moeders mooiste! Dat geeft te denken.

Deels gebaseerd op een in de lente van 2005 verschenen column in Wervelingen.

https://www.mauritshuis.nl/nl-nl/ontdek/tentoonstellingen/rembrandt-en-het-mauritshuis/

Het nieuwe liedboek (IX)

Marc BijlOmdat we in de Amsterdamse Oude Kerk een – naar eigen zeggen – ‘eigenwijze’ kerkmusicus hebben, zongen we vanmorgen Lied 352 (Jezus, meester aller dingen) uit het nieuwe liedboek op de wijs van Adriaan Schuurman uit het Liedboek voor de kerken 1973. Ik mag dat wel. En ik snap het ook wel.

 

De melodie op de tekst van Tom Naastepad, die in het nieuwe liedboek de ondertitel ‘Jezus, Jona en het lot’ kreeg, is een 14e eeuwse melodie bij Valentin Trillers Quem pastores laudavere. Roept het daar associaties op met een kindeke Jezus dat wordt gewiegd, bij de tekst van Naastepad doemt bij dezelfde melodie een rustige zee met bij wijze (!) van spreken een scheepken onder Jezus hoede voor het geestesoog op.

Maar de psalm (Jona 2:1-11) die we lazen, spreekt daar helemáál niet van. Daar gaat het over roepen uit nood en benauwen, over een HEER die leert bidden (vs. 3). Over de diepte die trok en/of God die Jona de diepte in slingerde (vs. 4). Geen rieten mandje, maar riet dat zich om het hoofd van Jona windt (vs. 6), tot barstens toe. En een God die de vis ertoe aanzette Jona op het droge uit te spuwen (vs. 11).

Dáár past geen wiegende melodie bij, maar één die van de hoogste nood/noot afdaalt, een octaaf lager. En in de laatste zin daar nog een schepje bovenop doet, nog één trede hoger begint.
Daar is over nagedacht. Of liever: hier wordt de spanning voelbaar die Jacques Suurmond in een artikel in Interpretatie (juli 2014, p. 8-11) omschrijft als die ‘tussen redelijkheid [ratio] en mysterie, logica en liefde, vertrouwdheid en huiver’.
Dat artikel heet: ‘De kerk mist kippenvel’. Het nieuwe liedboek, merkten wij vanmorgen, soms ook. En dat is jammer.

Daarom is het goed dat in dezelfde kerkdienst werd gewezen op de obelisk van gebroken spiegels, een kunstwerk van Marc Bijl dat in het kader van de tentoonstelling SALON/Big Bang momenteel in de Oude Kerk staat (zie afb.). Wiskundige schoonheid, ratio? Ook – maar primair een openbaring als ‘een breuk, een scheur in ons bestaan’ (Suurmond).
Het is als een gedeelte uit een gedicht van M. Vasalis dat Suurmond citeert. Een liturgie,

een orde waar ruimte voor de chaos is,
en voel de vrijheid van een grote liefde,
die plaats voor wanhoop laat en twijfel en gemis.