Bijzonder werd soms gewoon

In Preludium, het muziekmagazine van het Concertgebouw & Koninklijk Concertgebouworkest van deze maand, staat bij een interview met hem een foto van dirigent en klavecinist William Christie afgedrukt. Hij is geheel in het zwart gekleed, inclusief het zwarte polsbandje van zijn horloge en zwarte schoenen. Maar nog nét boven die schoenen piept het rood uit van een sok.

Op verschillende momenten tijdens zijn debuut met het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) deze Palmzondag, met Bachs Johannes-Passion, moest ik aan dit détail denken; het leek wel kenmerkend voor deze uitvoering met het KCO, het Nederlands Kamerkoor en in het kielzog van Christie meegekomen vocale solisten, waarvan er slechts één, de countertenor Iestyn Davies die gaandeweg groeide, eerder met het KCO had opgetreden.

Puike solisten, daar valt verder niets op af te dingen of je zou het ook hier in de détails moeten zoeken; een Christuspartij (Alex Rosen) die in de hoogte soms wat hees klonk, een Evangelist (Reinoud Van Mechelen) die consequent Jüden zong in plaats van Juden.
Een verrassend openingskoor ook, dat je meteen op scherp zette. Niet alleen door de enorme vaart die erin zat (het hele eerste deel was met een half uurtje al bekeken …), maar door de onrust die eruit spraak die de toon zette voor wat volgde.

In mijn omschrijving klinkt al een zekere reserve door. En die had ik ook. Natuurlijk, er waren mooie contrasten als in het pak en de sokken van Christie. Bijvoorbeeld in de tenoraria ‘Ach, mein Sinn’ met de wat pathetisch zingende tenor Anthony Gregory tegenover een strak gespeelde begeleiding.
Maar soms waren die contrasten ook helemaal weg, en werd het zelfs een tikkeltje saai, zoals in het basarioso ‘Betrachte, meine Seel’’. Hier waren om wat voor reden dan ook de viole d’amore vervangen door veel minder omfloerst klinkende violen (Liviu Prunaru en Henk Rubingh). En die theorbe (Thomas Dunford), ja, die hadden we inmiddels de hele Johannes door al als onderdeel van de zwaar bezette basso continuogroep gehoord … Door de arpeggi (gebroken akkoorden) die hierop veelvuldig klonken, misten de recitatieven bovendien de strakheid die je er meer in zou willen horen. Het enige contrast kwam in genoemde arioso door de contrafagot (Maxi Vera Vera, volgens mij geen lid van het KCO).

Een contrafagot die naast de contrabas (Pierre-Emmanuel de Maistre) sterk aanwezig was. Bijvoorbeeld in de buikjes op onder meer de laatste noot (fermate) van de koralen, die na vaak behoorlijke vertragingen vóór die laatste noten, werden gezongen door het Nederlands Kamerkoor, ingestudeerd door Peter de Groot. Je moet ervan houden, van die buikjes. Mij klinken ze wat gedateerd, al zijn ze getuige enkele andere uitvoeringen van barokmuziek die ik onlangs hoorde weer helemaal terug van weggeweest.

Reserves, ja, helaas toch ook, waardoor naar mijn gevoel het bijzondere dat de Johannes-Passion onder meer qua bezetting aankleeft tot iets meer gewoons werd gemaakt. In plaats van andersom, wat je theologisch toch eigenlijk meer zou verwachten.

Eilt, eilt

Richard EgarrHet openingskoor van Bachs Johannes-Passion, gisteren tijdens de traditionele Palmzondag-uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw, beloofde wat. Ik zat op het puntje van mijn stoel: eerst het Herr, Herr, Herr in crescendo en bij de herhaling hetzelfde Herr, Herr, Herr in diminuendo – respectievelijk de nadruk leggend op de aanroep ervan en op het gebed dat er óók uit spreekt.

Maar laat ik het meteen maar eerlijk zeggen: de rest viel behoorlijk tegen. Natuurlijk, er waren prachtige momenten bij de solisten en in het orkest te bespeuren.En dan denk ik stuk voor stuk aan de solisten. Van tevoren was aangekondigd dat tenor Benjamin Hulett niet helemaal bij stem was, maar daar viel weinig of niets van te merken. Eerder leek de bas Christopher Purves naar het eind toe wat moeite met zijn partij te krijgen. Maar dan nog.

De belofte van het openingskoor werd wat mij betreft dus uiteindelijk verre van waargemaakt. De Evangelist (Michael Schade) en Christus Andrew Foster-Williams lieten hun vibrato ruim wapperen en zette in het eerste geval soms zelfs ongelijk met het continuo in. Dat zijn we in Amsterdam niet gewend.

De koralen werden weliswaar (pluspunt) verschillend qua zeggingskracht gezongen en gespeeld, maar soms slopen er ook maniertjes in, zoals het afremmen of een Luftpause voor een fermate. En dan heb ik het nog niet eens over de enorme snelheid waarmee overigens alle koorgedeelten werden ‘genomen.’ Hulde voor zowel het Nederlands Kamerkoor (instudering Frank Hameleers) als het Koninklijk Concertgebouworkest, die dit allemaal maar bij moesten zien te benen en daar geweldig in slaagden. Dat moet gezegd.

Maar wat deed dat klavecimbel (bespeeld door dirigent Richard Egarr, zie foto) in de begeleiding van gedeelten van de recitatieven, naast het orgel (Menno van Delft)? Dit bracht ons terug naar de tijd waarin een klavecimbel gewoon was. Net als de operadictie van de Evangelist en Christus. In vreemd contrast met de speed waarmee alles voor het voetlicht werd gebracht; het eerste deel was na 35 minuten al voorbij. Eilt, eilt. Maar Warum? Allebei hadden we toch inmiddels achter ons gelaten?