Uit waar ik adem

Tijdens het 150Psalms-project dat het tachtigjarige Nederlands Kamerkoor (zie foto hierboven) en zijn directeur Tido Visser initieerden tijdens het vandaag afgesloten Festival Oude Muziek 2017 in Utrecht, gingen maar liefst zeven nieuwe stukken in première. Stuk voor stuk prachtige werken, maar één heeft in het bijzonder indruk op mij gemaakt.

Het was Psalm 78 van de Servische componiste Isidora Žebeljan (1967), uitgevoerd door het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Peter Dijkstra tijdens het afsluitende concert op zaterdag 2 september jl. in TivoliVredenburg. Ik citeer de tekst in de vertaling van Gerard Swüste, zoals die in het programmaboek was afgedrukt:

Hun hart was onstandvastig voor hem,
ze waren niet trouw aan zijn verbond.
Maar hij bleef met hen begaan,
hij vergoeilijkte hun fouten, verdelgde hen niet.
Hij liet telkens weer zijn woede varen,
hij ontstak niet geheel en al in drift.
Hij besefte dat ze vlees waren,
een ademtocht, eenmaal uitgeblazen voorgoed voorbij.

Het was de manier waarop de componiste de laatste zin, sterker nog: de woorden ‘ademtocht’ en ‘uitgeblazen’ had getoonzet die mij de adem even benam. Hier was een groot componist aan het woord, en wat erg dat ik nog nooit eerder iets van haar had gehoord. Er waren genoeg kansen voorbij gekomen: in 2003 ging haar opera Zora D. in Amsterdam in première, in 2008 schreef ze al een stuk voor het Nederlands Kamerkoor: Latum lalo en de Nederlandse dirigent David Porcelijn, als altijd met een fijne neus voor talent, nam samen met het Janaçek Philharmonisch Orkest een cd met orkestwerken van haar op. Er valt nog wat in te halen!

Maar als u me nu vraagt wat er zo bijzonder aan de toonzetting van die twee woorden, ‘ademtocht’ en ‘uitgeblazen’ was, dan kan ik alleen maar iets stamelen over toonschildering en dergelijke. Of antwoorden met een andere psalm, Psalm 121 in een bewerking van Lloyd Haft. Een psalm die Swüste in zijn categorisering van de psalmen onderbracht bij het thema ‘Levensweg.’ De bewerking van Haft gaat zo:

Niet aan bergen,
niet aan torenende rotsen
ken ik mijn hulp maar hier:
achter mijn ogen als ik aan u denk.
Waar ik aan u denk
raakt ook mijn voet de grond,
mijn schaduw raakt de aarde.
Niet in de brandende zon,
niet in de tranende maan:
hier: in waar ik adem,
uit waar ik adem,
want ik adem u.

En uiteraard draait het in dit geval dan om het slot, in contrapunt gelezen.

Een andere tijd

In het tijdschrift Ophef las ik een recensie over het boek Het drievoudige pad van Maria de Groot (foto links), aan wier werk op deze blog al eens eerder aandacht schonk. Als liefhebber van haar werk, heb ik dit boek meteen aangeschaft en inmiddels ook gelezen. Eén, kort, hoofdstuk blijft mij achtervolgen: ‘Terugkeer’ uit het tweede gedeelte, ‘Pelgrim’ (de andere twee delen heten ‘Leerling’ en ‘Sterveling’). Het is een hoofdstuk dat in mijn hoofd op één of andere manier een gesprek aangaat met een ander boek dat destijds na lezing (2006) diepe indruk op mij heeft gemaakt: In het einde ligt het begin van Jürgen Moltmann. Ook hierin volgt de auteur als het ware een drievoudig pad: geboorte, wedergeboorte – dood – opstanding. Ik verwijs naar een mooie bespreking van dit boek door Rens Kopmels: http://www.renskopmels.nl/pagetxt277.html
Ik doe geen inbreuk op het auteursrecht, als ik hier als eerbewijs aan Maria de Groot én als aanbeveling om het hele boek ook te gaan lezen, dat korte hoofdstuk ‘Terugkeer’ in zijn geheel overneem (p. 103-104).

‘Wij keren terug uit het verleden naar de toekomst. De Eeuwige is onze toekomst. Naar Wie ons tevoorschijn riep, keren wij terug. Volwassen geworden. Door de wederwaardigheden van dit aardse bestaan heengegaan, veranderd naar lichaam, ziel en geest, keren we terug naar ons oorspronglicht, onze eerste verschijning, nu voltooid na het onvoltooide. Wie verlangt daar te zijn waar zij hoort, gaat voorspoedig. Wie treuzelt in de bermen van de weg, komt later aan. Niet per se minder geschoold. Integendeel. Elk avontuur, iedere onverwachte gebeurtenis leert ons. Door en door leerling wordt wie vaak verdwaalt. Door en door pelgrim. Zij of hij leert van elke dwaalweg sneller naar de levensweg terug te keren. Heb ik een beeld gemaakt van de Eeuwige of van mijzelf of van anderen? Ik sla het stuk en keer om, keer langs de kortste weg terug naar de weg die het maken van dergelijke beelden verbiedt.
Als ons hart in ons brandt om de Eeuwige te naderen, hoezeer van verre ook, dan jaagt dit vuur ons voort.
Waar is mijn God? Zal de zee het mij zeggen? Zonsopgang bij zee, zonsondergang, het vurige waterpad naar de einder, gelijkenissen zijn het van wat en Wie ik zoek. Al wat ik zie en bega brengt mij dichter bij U, Verborgene, Onzienlijke, die ook in mij is en niet gezien kan worden, die zich in mij verborgen houdt.
Ik ga naar de toekomst als ik terugkeer naar de Eeuwige. Ik ben de terugkeerpelgrim. Ik heb mijn aardse huis verkocht, mijn bezittingen uitgedeeld, mijn tijdelijkheid ingewisseld voor de eeuwigheid van de Eeuwige. Die bij mij en in mij is. Ik keer terug naar mijzelf. Bij mijn bron zal ik drinken en rusten. Ik zal vanaf het duin de zon zien ondergaan en weten dat zij opkomt. Maar niet op de plaats die ik zie. Zij zal bij mij terugkeren op een andere tijd. En zo voort, totdat mijn ogen zich sluiten. Totdat ik neerlig en niet meer opsta. Totdat zij mij beschijnt voor de laatste maal zonder dat ik het merk. Totdat mijn as vervluchtigt in haar stralen. Totdat ik ben teruggekeerd in stof dat mij vormde. Dan zal mijn ziel het weten. Mijn ziel zal haar gebed schrijven in de ziel van de Eeuwige, de letters die ontbraken en waarom de Altijdzijnde altijd weende. Ik zal de tranen van Gods aangezicht wissen en ik zal herhalen wat de psalmist heeft geschreven:
“Overdag bewijst de Eeuwige mij zijn liefde,
’s nachts klinkt een lied in mij op,
een gebed tot de God van mijn leven.”
Dan zal ik zijn ingekeerd tot wat ik niet wist, tot Wie ik niet kende.’

Maria de Groot: Het drievoudige pad. Leerling, pelgrim, sterveling. Uitgeverij Elikser, Leeuwarden. ISBN 978 90 8954 894 8 (2016). € 19,50