Sterke eerste – flitsrecensie

In de eerste twee blogs van het nieuwe jaar ga ik in op twee boeken die ik eind vorig jaar las. Om te beginnen is dat de thriller Waterkoud van het Finse schrijversechtpaar Aki en Milla Ollikainen. Tot mijn vreugde won ik een gesigneerd exemplaar van mijn Boekhandel van Noord. Vreugde omdat ik altijd wat met Noordse landen, Scandinavië, Finland en de Baltische staten heb gehad – en vreugde omdat ik gek ben op thrillers en detectives uit die contreien, met Nordic Noir.

Waterkoud is het eerste van wat vijf boeken moeten worden over een rechercheteam onder leiding van inspecteur Paula Pihlaja, een karakter met een – zoals vaak in Noordse detectives en thrillers – geheim verleden. Een karakter dat gaandeweg het boek groeit, al blijft ze in de kern een zakelijke inspecteur, zoals de forensisch arts in dit boek al even formeel is en blijft als die in de detectives over De Cock van Baantjer. Je zou haast gaan denken dat dit forensisch artsen in het algemeen eigen is.
Grappig: Paula blijkt niet de jonge vrouw te zijn die je je er als lezer om wat voor reden dan ook bij voorstelt, maar ze is al wat ouder: ‘Ze had ooit iemand horen zeggen dat je op latere leeftijd duizelig werd op grote hoogten. Dat bleek te kloppen.’ Een van de vele details die door het boek zijn gestrooid en raak zijn getroffen.

Zo neemt – een ander voorbeeld – een van de rechercheurs een foto met zijn telefoon: ‘Het flitslicht liet een vlek achter op zijn netvliezen, die verdween toen hij achter Kassinen [een kunstenaar] aan naar buiten stapte, het zonlicht weer in’. De titel van het boek slaat natuurlijk op het water in de container, want het boek speelt nu eens niet in een besneeuwd Finland, maar tijdens midzomer.

De thriller heeft, net als veel Noordse crime-series een maatschappelijk betrokken thema. In dit geval niet zozeer de vondst van een lijk in een container die is volgestroomd met zeewater als wel de banden van Finland met Afrika. De container staat op het landgoed van de rijke zakenfamilie Lehmusoja, even ten westen van Helsinki. Het lichaam is dat van de zwarte, uit Namibië afkomstige universitair docente Rauha Kalando. De start van het boek is langzaam, stapje voor stapje, maar tegen het eind wordt de spanning versneld en knap opgebouwd. De ontknoping (nee, geen spolier alert) zit psychologisch knap in elkaar.

Al met al dus een sterk eerste deel van een nieuwe serie rond de Finse inspecteur Paula Pihlaja en haar team.

 

A.M. Ollikainen: Waterkoud. Thriller
Vert. Annemarie Raas
Uitg. HarperCollins, 2022
ISBN 978 94 027 1055 7
€ 21,99

David, Saul en Orpheus

Zang der vocalenHet beeld Zang der vocalen van de in Litouwen geboren Chaim Jacob Lipchitz (1891-1973, beeldentuin Kröller-Müller Museum, Otterlo, zie afb.) staat voor mij symbool voor leven en werk van Emmanuel Levinas (1906-1995), die zoekt naar “de symfonie waarin alle zinnen beginnen te zingen, het hoogste lied van alle liederen”.
Lipchitz beeldt een Hebreeuwse letter uit in de vorm van een harp. Een harp die een eenheid vormt met het lichaam van de bespeler; de muziek die uit de snaren komt resoneert, nee – om een term van Levinas te gebruiken – incarneert in dat lichaam. Het is muziek als uit een Ur der Chaldeeën die (weer)klinkt. Als een oer-zang, die je als archeoloog – ook weer zo’n woord dat Levinas bezigt – zou willen bovenhalen. Het is een (ver)beeld(ing) die teruggaat naar zowel Tenach als de Griekse mythen. Naar David en Saul en naar Orpheus. Lipchitz drukt, gelijk Levinas, zijn verwantschap met beide uit. De beeldhouwer maakte het bronzen beeld aan de vooravond van de donkere jaren die ook een schaduw werpen op het leven van Levinas. Toch slagen beiden erin geschiedenis te zien als een geschieden van het Woord, een tot leven gekomen letter van de Torah. Bij Levinas was het w/Woord er vanaf het begin, in den beginne: zijn vader was boekhandelaar. Muziek kwam daarna; zijn vrouw Raissa Levi (ook wel gespeld als Raïssa Lévi) was pianiste, hun zoon Michael componist en pianist. Levinas’ denken toont echter ook, gelijk het latere werk van Lipchitz, een worsteling met de betekenis van kunst en cultuur. Laten we bekijken hoe zijn leven verloopt.

Eerste indrukken: Litouwen en Oekraïne
Emmanuel Levinas wordt op 12 januari 1906 geboren in Kovno (Kaunas) in Litouwen, het meest Russisch aandoende land van de drie Baltische staten. Hij groeit op in een gezin van mitnagdiem. Levinas leert Hebreeuws (zonder Talmoed), leest Tenach en de grote Russische negentiende eeuwse literatuur, met name Poesjkin en Dostojewsky. Daarbij was in het tweede geval “zijn inzet”, aldus zijn biografe, “speculatief, ontologisch en antropologisch”. Dit blijkt later uit de manier waarop hij zijn motto’s boven de hoofdstukken van Humanisme de l’autre homme kiest en kneedt.
In 1915 wordt Kovno door de Duitsers bezet. Het gezin vlucht naar Charkov (Oekraïne). In Charkov maakt de familie de Russische revolutie (1917) mee. Levinas is erdoor gefascineerd en betreurt de terugkeer naar Kovno (1920).

Studiejaren en Tweede Wereldoorlog
In 1923 gaat Emmanuel naar Frankrijk om in Straatsburg filosofie te studeren. Hier maakt hij kennis met de fenomenologie van Edmund Husserl (1859-1938).
In 1928 trekt hij naar Freiburg am Breisgau om aan de voeten van Husserl zelf te zitten. Hij volgt er ook colleges bij diens oud-student en opvolger Martin Heidegger (1889-1976), de auteur van Sein und Zeit. Wezenlijke begrippen die hij eruit oppikt zijn: ‘zijn’, ‘geschieden’ en ‘tijd’, die hij beschouwt in relatie tot de a/Ander.
In 1930 promoveert Levinas bij Jean Wahl (1888-1974) aan de Sorbonne op La théorie de l’intuition dans la phénoménologie de Husserl.
In 1939 kwam de inmiddels tot Fransman genaturaliseerde Levinas gedurende vier jaar als krijgsgevangen Fransman niet in een concentratiekamp maar in Duits gevangenschap terecht (Stalag IIB, Fallingbostel). Zijn Litouwse ouders, twee jongere broers en schoonouders worden vermoord. Deze ervaring legt de basis voor zijn kritische vragen met betrekking tot het westerse denken.

Jaren als hoogleraar
Vanaf 1961, het jaar waarin zijn eerste grote boek verschijnt (Totalité et Infini. Essai sur l’extériorité), tot 1976 is Levinas werkzaam als hoogleraar. In Poitiers en Parijs (Nanterre en vanaf 1973 aan de Sorbonne). Pal voor zijn emeritaat komt zijn tweede grote publicatie uit: Autrement qu’être ou au-delà de l’essence. Hierin neemt hij afscheid van het denken van zijn leermeester Heidegger.
In 1954 (volgens Lescourret) of 1948 (volgens Duyndam en Poorthuis) wordt Levinas directeur van de École Normale Israélite. Vanaf dit moment verdiept hij zich in de Talmoed.
Levinas overlijdt op eerste kerstdag, 25 december 1995 in Parijs. Jacques Derrida (1930-2004) spreekt tijdens de begrafenis de rede Adieu uit waarin “wij de ander voorbij het zijn begroeten”. Derrida is gaandeweg steeds meer tot de ontdekking gekomen, dat zijn denken door Levinas is beïnvloed; het essay De l’hospitalité (1977, in het Nederlands vertaald onder de titel Over gastvrijheid, 1998) getuigt daarvan.

Gedeelte uit mijn BA-scriptie over Emmanuel Levinas, dat ik hier plaats t.g.v. het feit dat Kovno (Kaunas, Lithouwen) een park krijgt dat naar hem wordt genoemd. In Kovno is al een straat naar hem genoemd, en aan zijn geboortehuis is een gedenksteen aangebracht.

Over het beeld zelf schreef ik in het kader van de verhalenestafette van het Kröller-Müller Museum: https://www.facebook.com/KrollerMuller/photos/pb.113989875348657.-2207520000.1542014047./1978319852248974/?type=3&theater