Orde scheppen

Orde scheppen : essays over liefde en lijden / onder redactie van P. Adriaens, R. Breeur, L. Lauwaert & S. Symons. – [Nijmegen] : Vantilt, [2019]. – 231 pagina’s ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-600-4469-4

Bundel essays waarin dertien auteurs hulde brengen aan het denken van de bekende Vlaamse filosoof Paul Moyaert (1952) ter gelegenheid van diens emeritaat als hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Katholieke Universiteit Leuven. Zij doen dat binnen de domeinen wijsgerige antropologie, psychiatrie en religie. Het boek is conform die driedeling opgebouwd. Een veelzijdigheid die niet alleen voor Moyaert in het bijzonder, maar ook voor feestbundels in het algemeen kenmerkend is. De onderwerpen lopen uiteen van onder meer uchronie (wat als …), de meerduidige gedichten van Lucebert en Kouwenaar, homoseksualiteit bij vrouwelijke adolescenten, meervoudig gehandicapten, Kant, Foucault, terreur en religie tot Franciscus van Assisi, Kierkegaard en Hans Keilson. Het overgrote merendeel van de essays is in toegankelijke taal geschreven. Met eindnoten, literatuuropgaven en personalia.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Witter dan wit

Op Auschwitz volgde volgens de Amerikaanse filosofe Susan Neiman een oorverdovend stilzwijgen. Volgens Theodor Adorno was dit ook de enige gepaste reactie: ‘Na Auschwitz is poëzie niet meer mogelijk’. Dat wil zeggen dat er aan de ene kant niet kan worden gedaan alsof er niets is gebeurd, en aan de andere kant omdat er geen vertroosting mogelijk is of volgens hem zelfs mag zijn.

Woorden kunnen er ook aanleiding toe geven, dat een overlevende van hetzij de sjoah hetzij de dood van een naaste, zichzelf terug kan vinden. Dat bewijzen de gedichten van Gerrit Kouwenaar, over wie Anne Enquist recent herinneringen aan het papier toevertrouwde: Een tuin in de winter. Kouwenaar vond op zich net als Adorno dat een gedicht zich niet met troost in moest laten:

Als je je sleutel mist zoek eerst
in je eigen deurslot, als je dood moet
geef je plant nog wat water, klop niet
om regen uit het verlaagde plafond, maak het

gedichten moeten niet troosten, zeg ik
toch maar weer eens in wat nu echt af en toe
op een volwassen stilstand gaat lijken

handen gevouwen boven het erfeliijk bestek, brood
en vleeswaar staan klaar, maar geen woord
dat zich bekt, en hoe mager de eetlust
eten is leven

dus eerst nog maar even het zwijgen vergulden
wat leegte innemen, de schemer inwonen
en er een opsteken, voor de doden –

Enquist vermeldt dat ‘troost’ een woord was dat tot hevige discussie tussen Kouwenaar, Bernlef en haar aanleiding gaf. Zo vond Bernlef dat Kouwenaar met zijn bundel Totaal witte kamer lezers – waaronder ik – troost had geboden. Maar er is een verschil tussen sentiment en sentimentaliteit. Wat Kouwenaar deed, was het zwijgen vergulden, in taal het verlies van zijn vrouw sublimeren:

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

Na Auschwitz, na de dood van een geliefde is poëzie wel degelijk mogelijk. Niet sentimenteel, maar witter dan wit, wat leegte innemen. Zoals de betekenis van een Hebreeuwse letter volgens de Kabbala niet in het zwart ervan zit, maar in het wit eromheen en er binnenin. Als je de sleutel mist, moet je hem dáár zoeken.

Met dank aan Wil en Jan Kok, die mij in 2006 na een operatie het bundeltje Het bezit van een ruimte van Kouwenaar cadeau deden.