‘Ze leren het ook nooit’

De drie blogs over ‘kerk en kunst’ krijgen nog een vervolg met deze.

Het begon met een stapeling aan opmerkingen die bleven schuren. Eerst tijdens een zaterdagochtend- leerhuis via Zoom door een theoloog die zich beweegt binnen de driehoek jodendom-Christendom-islam. Hij zei tegen het eind: ‘Ze leren het nooit’. Met dat ‘ze’ werden ‘de’ joden bedoeld, met ‘het’ geweld in zowel Tenach als het huidige Israël, dat hij moeiteloos aan elkaar koppelde. Zijn denken is hiermee voor mij lek geschoten, maar ik neem het mezelf nog kwalijk dat ik mijn mond niet open deed, verbijsterd als ik was.

De tweede keer was een uitlating die ik las in de Bijbelse Dagkalender 2021: ‘Misschien hebben we (!) er moeite mee dat God dit volk heeft uitgekozen, maar volgens de Bijbel is het niet anders’. We leggen er ons met andere woorden maar lijdzaam bij neer.
Dit zijn momenten waarop ik me vertwijfeld en verdrietig afvraag wanneer het nou eens ophoudt met antisemitisch of anti-judaïstisch denken binnen die kerk.

Francis Poulenc
Het antwoord hoe hierop te reageren, kwam min of meer tijdens het kijken naar een opvoering van de opera Dialogues des Carméites (let op het woord dialoog!) van Francis Poulenc (1956) op Stingray Classica NL. In een top opvoering uit de Metropolitan Opera onder leiding van Yannick Nézet-Séguin. Nota bene: een opera! Over de waarde, de waarheid van kunst gesproken …

De opera begint ermee, dat er iets knaagt bij Blanche de la Force, de hoofdpersoon. Ze heeft verdriet, merkt haar broer op. Ze klaagt erover dat de kerkdienst zo lang duurt. Ze schaamt zich er wel voor en heeft hoop nodig. Ze voelt zich aangetrokken door de sterke regels van de Karmelieten en wordt novice. Ze belooft aan de stervende moeder-overste een instrument te zijn in Gods handen, maar ze kan haar taak eigenlijk niet aan en twijfelt telkens weer.

Op het eind van de eerste akte wordt gezegd, dat het gebed de eerste prioriteit heeft. Verstild wordt een Stabat Mater gezongen.
In de tweede akte bezoekt haar broer Blanche en brengt haar weer aan het twijfelen, wanneer hij zegt dat ze niet veilig is in het klooster (het verhaal speelt tijdens de Franse Revolutie). Hij wil haar meenemen naar huis. De priores zegt dat ze moedig moet zijn, zachtmoedig. Ze vlucht. Maar, toch teruggekeerd zingt ze tot slot van de opera over de Geest die leidt.

De vet weergegeven woorden werken voor mij als leefregels die navolging verdienen. Gebed om inzicht, om de Geest die vaardig mag worden. Hoop dat de mensen die ik aanhaalde in hun ideeën omkeren en de dialoog willen aangaan zonder vooroordelen of veroordelingen. Dát leerde mij de opera van Poulenc. Kerk en kunst. Soms de één, soms de ander en soms ook samen, de handen ineen geslagen. Om er weer even tegen te kunnen wanneer een het af laat weten.

Drieluik op zondag

1.
Zoals regelmatig, ging ik vanmorgen via de hoofdvestiging van de Openbare Bibliotheek Amsterdam naar de Oude Kerk. Om wat recente nummers van verschillende tijdschriften te lezen. Mijn ogen bleken haken op een artikel van Henk Manschot, emeritus-hoogleraar filosofie van de Utrechtse Universiteit voor Humanistiek in het tijdschrift Ophef (nr. 2/2017), waarin al eerder een recensie had gestaan over zijn boek Blijf de aarde trouw (zie afb.). Het artikel luisterde naar de naam ‘Nietzsches zoektocht naar de aarde en naar een “aardse” levensstijl.’
Hierin had de Franciscaan Manschot het om te beginnen over de wetenschap die een mooi overzicht kan bieden van het denken van deze en gene filosoof en ik moest meteen denken aan een prachtige zondagmorgenlezing die Katja Rodenburg in 2008 voor de Vrije Gemeente in Amsterdam hield onder de titel De geboorte van het kunstwerk. Over Nietzsche, zoals zij tussen twee haakjes binnenkort een HOVO-zomercursus in Amsterdam zal geven over onder meer deze denker (ik heb geen aandelen – maar wel van harte aanbevolen!).
Manschot vervolgt met de door mij gedeelde opvatting dat hij, hoe fraai ook, uiteindelijk toch meer opheeft met het in dialoog gaan met het denken van een filosoof, in dit geval ook Nietzsche. Hij reisde – zoals ik ook wel boeken van Henk Vreekamp heb nagereisd – de Alpen over, wat Nietzsche ook graag deed, met diens belangrijkste boeken (zoals Also sprach Zarathustra, dat hij leest als een mystiek boek) in zijn bagage.

2.
Met dit mooie artikel nog in mijn achterhoofd, stap ik een uurtje later de Oude Kerk binnen waar ds. Paula de Jong voor zal gaan en Matthias Havinga en Christiaan Winter de kerkmuziek zullen verzorgen.
In het intochtslied (uit Liefste lied van Overzee) zingen we over stilte, ruimte en hoop, ogen om te zien en vrede. Stilte die ruimte schept in ons denken, ons moed geeft en het geloven doel en zin. Waarin we open staan voor elkaars verdriet, waarin er ruimte is voor zorgvuldigheid. Ik had het er net over gehad met een weduwe diens man vandaag veertien jaar geleden was gestorven, en begraven door ds. Adriaan Soeting, de predikant die zo zorgvuldig was in het kiezen van zijn woorden en in zijn omgang met mensen.
De Evangelielezing van deze morgen kwam uit Mattheus 11: 25-30. De voorlezer van de morgen had het al gezegd: ik heb mooie teksten te lezen. Hierin is sprake van de dingen die voor wijzen en verstandigen verborgen zijn gehouden, maar aan eenvoudige mensen hebt onthuld. ‘Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden.’
In de uitleg en verkondiging hoorden wij wat ds. Paula de Jong onder dat juk verstaat. Eigenlijk dat waarover wij in het intochtslied hadden gezongen (stilte en ruimte bieden voor de ander, naar hem/haar horen en hem/haar zien, het begin van vrede) en waarover Christiaan Winter zong (Psalm 4 van Maurice Pirenne), met begeleiding van Matthias Havinga op het destijds uit de nalatenschap van Brecht Folstar gefinancierde kistorgel:

Gij die mij ruimte geeft als ik benauwd ben,
wees mij genadig, door mijn gebed.
Geef mij toch antwoord als ik U aanroep, God.
Gij zijt mijn waarheid,
Gij die mij ruimte geeft als ik benauwd ben,
wees mij genadig, hoor mijn gebed.

3.
Na afloop van de dienst wandelde ik in de zomerzon naar het Amsterdam Museum, waar nog net een tentoonstelling met foto’s van Maurice Boyer viel te zien. Een raakte mij in het bijzonder: Malan en Futoun uit Damascus. Een man en een vrouw, gezeten op twee stoelen met een tafeltje met een plant erop tussen ze in. En een zeegezicht boven ze (zie vergelijkbare afb). Over zorgvuldigheid gesproken: hoe kom je erop om uitgerekend bij Syrische vluchtelingen, die waarschijnlijk de overtocht van die zee in een klein bootje hebben overleefd, zo’n zeegezicht op te hangen. Wat raak dat Boyer juist deze scene uitkoos om op de foto te zetten; zo vult het zien datgene wat ik vanmorgen las (in Ophef) en hoorde (in de Oude Kerk) op voorbeeldige wijze aan. Zoiets vermag kunst te doen.
Ik hoop dat het waar is waar Boyer in de begeleidende audiotour over sprak: dat deze vluchtelingen met liefde worden opgevangen en een thuis geboden krijgen waarin ruimte is voor stilte en hoop, waar mensen voor ze open staan zodat ze hun verdriet kunnen delen. In de hoop dat zij werkelijk rust zullen vinden.

http://www.hovo.vu.nl/nl/cursusaanbod/cursusaanbod-zomer/kunstgeschiedenis-en-architectuur/cursus-filosofie-moderne-kunstenaar/index.aspx

https://oudekerk.amsterdam/agenda/kerkdienst-56/

https://www.amsterdammuseum.nl/tentoonstellingen/mauriceboyer