Een verbintenis

In het interview dat Anne-Lot Hoek had met de Indonesische kunstenaar Iswanto Hartono (1972), van wie t/m 15 november a.s. in de Amsterdamse Oude Kerk een solo-expositie valt te zien, springen er een paar woorden uit: het naast elkaar laten staan van meerdere perspectieven op het koloniale verleden, de verbintenis tussen de geschiedenis van Nederland en Indonesië, de ambiguïteit en dualiteit ervan.

Een werk getiteld Monuments (in de Sebastiaanskapel) bestaat uit was en FRP en vergaat langzaam, zoals je op dit moment in Museum Voorlinden in Wassenaar op de tentoonstelling De tussentijd (de gevoelstijd) tal van werken kunt aantreffen die vergaan. Bijvoorbeeld het blok ijs van Michel François (Deux temps) dat al smeltend verkleint naast een blok marmer.
Bijzonderder is daarom naar mijn idee Trophy (in de Spiegelkamer, zie foto hierboven), dat bestaat uit werken die allemaal op de een of andere manier met de jacht te maken hebben. ‘Het primaire menselijke instinct om de ander te overwinnen’, staat in de begeleidende krant te lezen, ‘is universeel.’ En geeft ook uiting aan de hiervoor genoemde meerdere perspectieven, de verbintenis tussen Nederland en Indonesië, ambiguïteit en dualiteit. Want – lezen we verder – ‘toen de Nederlanders [in Indonesië, EvS] kwamen, werd het jagen een tijdverdrijf waarmee de kolonisten zich kostelijk vermaakten. Het geschoten dier vormde een bewijs van onverschrokkenheid, en kreeg een prominente plaats in de huiskamer.’

De geweien voeren mij in gedachten terug naar de toneelstukken van Shakespeare waarin een gewei voorkomt. Naar Sir John met een gewei op zijn hoofd in de Vrolijke vrouwtjes van Windsor, naar de mythe van de ongelukkige jager Actaeon die een onderlaag vormt in The Tempest (hij wordt door Diana in een hert veranderd), naar het dode hert in de regie van Hamlet door Luk Perceval. Een hert dat hier in verband werd gebracht met ondergang en wederopstanding, oude ideeën die plaats maken voor nieuwe.

Dat laatste herkent iedereen die adaptaties naar Shakespeare een beetje heeft gevolgd. Ik denk dan niet zozeer aan Othello: a play in black and white dat ik in 2008 in het (toenmalige) Tropentheater in Amsterdam zag in een opvoering door The Indian Shakespeare Company (dat is ideologisch theater), maar eerder – een stapje verder – aan Hamlet – the crown prince in een opvoering door The Company Theatre uit Mumbai, in 2010 in hetzelfde Tropentheater waarin een impliciete (of expliciete?) verwijzing voorkwam naar de expositie Rood die toen in het Tropenmuseum was te zien, en vooral naar Hamlet (Hebûn an nebûn) door RAST, weer twee jaar later in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Een Hamlet in het Koerdisch. Dat was op zich al opmerkelijk, maar indrukwekkend vond ik het gegeven dat er iets aan was toegevoegd. Nee, geen geweien, maar verhalen in de Koerdische verteltraditie. Een verteller zat rechts op het podium, zodat het onderscheid met het stuk der stukken duidelijk was.

Misschien maken deze Hamlet en Hartono’s werk ons iets duidelijk van iets soortgelijks dat de oud-Theoloog des Vaderlands, Janneke Stegeman, uitdrukt in haar pamflet Alles moet anders! – bevrijdingstheologie voor witte Nederlanders (uitgeverij Boekencentrum/Kok) iets soortgelijks: theologie, kunst, de geweien van Hartono en toneel, zoals Hamlet door RAST, krijgen op die manier een context. Niet vanuit een ‘wij’ en ‘zij’-denken (Nederland en Indonesië, een blanke versus een gekleurde opvoering van Hamlet) maar in gezamenlijkheid, waarbij beide perspectieven naast elkaar blijven staan en een verbintenis aangaan.

Het is opvallend dat een theologe dit zegt en opvallend dat de tentoonstelling van Hartono in de Oude Kerk plaatsvindt, op de graven van VOC’ers als Isaac Sweers en Nicolaes Witsen Een gewei universeel? Nee, dat niet – in de drie stukken van Shakespeare alleen al speelt het een andere rol. Maar de neiging om de ander te overheersen is dat wel. Het zou al heel wat zijn als de christelijke kerk dat, in de voetsporen van de tentoonstelling en het artikel van Stegeman, zou erkennen.

Een andere kijk op De storm

Felix, de hoofdpersoon in Margaret Atwoods roman Heksengebroed, een personage dat is gemodelleerd naar Prospero uit Shakespeares De storm, geeft de gevangenen met wie bij dit toneelstuk gaat opvoeren opdrachten. Als cursisten van de ISVW-cursus ‘Een andere kijk op Shakespeare’ kregen wij ook een keertje een opdracht; de andere geplande opdrachten vervielen omdat we zo intensief meededen …
Die ‘andere kijk’ werd ingegeven door het denken van de Amerikaans-Franse René Girard (1923-2015). Een kijk die doorwerkte in de opdracht die ik mezelf gaf: de roman van Atwood lezen vanuit door Girard beschreven mechanismen.

Heksengebroed
Felix Phillips is artistiek directeur van het Makeshiweg Theaterfestival, maar wordt door de zakelijk directeur ontslagen omdat zijn regievoering te modern is. Hij trekt zich terug in een hutje in het bos, verandert zijn naam in Felix Hertog en probeert zowel de dood van zijn dochter Miranda als zijn ontslag te verwerken.
Hij vindt werk als leider van een project in een gevangenis. Samen met gevangenen gaat hij De storm instuderen en opvoeren. De gevangenen kijken naar hem op en zien hem als een model. ‘Hij herkent die blik. Hou van me, wijs me niet af’ zegt die. Felix wil op zijn beurt de aandacht trekken van een van buiten gehaalde actrice, Anne-Marie, die Miranda zal spelen. Hij is jaloers op haar. ‘Ze doorziet hem veel te goed’, schrijft Atwood.
Gaandeweg ontwaakt het idee om wraak te nemen op de zakelijk directeur van het Theaterfestival die Felix ontsloeg en die inmiddels minister is geworden. Hij komt naar de gevangenis toe om naar de opvoering van De storm kijken met de vraag in het achterhoofd of het gerechtvaardigd is dat het project subsidie krijgt. De opvoering kan niet anders dan magisch worden genoemd.

Samenwerking en mimetische begeerte
Ik ervaar dat het waar is wat Girard in zijn studie over Shakespeare schrijft (Shakespeare, het theater van de afgunst): ‘Hoe meer een criticus de mimetische theorie uitdiept, des te doordringender wordt zijn blik in de Shakespeariaanse tekst.’ Over De storm schrijft Girard een heel hoofdstuk.
Zoals ik hierboven al schreef, ging het om te beginnen over de verhouding van de gevangenen met zowel hun regisseur, Felix Hertog, als met hun mede-actrice Anne-Marie/Miranda. Je zou het een driehoeksverhouding kunnen noemen, waarop een verbod rust: de gevangenen mogen de van buiten komende twee personen niets aandoen.
Het draait om begeerte, om liefde. Dat is wat de personages bindt. Zo uniek is de mens daarin niet.
Die begeerte heeft twee kanten: de gevangenen leren van hun regisseur hoe ze De storm moeten benaderen en spelen (leermimesis) en willen ook, net als Felix, hun liefde voor Anne-Marie kunnen uiten (toeeigeningsmimesis). Er broeit iets wat tot een uitbarsting komt, wanneer een van de gevangenen geweld gebruikt tegen Anne-Marie.
De medespelers willen niet alleen als acteurs de beste zijn, ze willen ook het verschil tussen binnen (het eiland bij Shakespeare, de gevangenis bij Atwood) en buiten (de kunst, de samenleving) opheffen. De opvoering van het toneelstuk zou je met Girard – net als het Theaterfestival waar Felix directeur was – een rite kunnen noemen, die ons – in de woorden van de onlangs overleden André Lascaris, een lid van de Girard Studiekring die ik een keer binnen een ander gremium (Kerk en Vrede) heb ontmoet – de manier onthult ‘waarop wij in een mimetische crisis tot vrede pogen te komen’ (‘Girard onder de filosofen’).
Daarbij moeten we niet vergeten dat Prospero, die wordt gespeeld door Felix zelf, nog een ander element in zich heeft dat docente Els Launspach bij Girard onderkende, namelijk de al eerder genoemde magie. Hetzelfde geldt voor Ariel, die mij in de beschrijving van Atwood doet denken aan de door de kunstenares Regula Maria Müller uit glas, gesponnen en gebreid papier opgetrokken wolken die boven een eettafel in het restaurant in Leusden hingen (zie afb. van een wolk); een weekje ISVW is voor mij, zoals lezers van deze blog weten, altijd een totaalervaring.

Romantische leugen en romaneske waarheid
De romantische leugen, die haaks staat op de romaneske waarheid die in de toneelopvoering wordt aangeraakt, wordt in de roman van Atwood belichaamd door een gevangene met de bijnaam WonderBoy. Op het moment waarop WonderBoy als Ariel zijn hand uitstrekt naar Miranda, ‘zou hij staal hebben doen smelten.’ Felix hoopt dat zij hem niet kapotmaakt, maar ook omgekeerd niet: ‘Hij is een oplichter die een acteur speelt. Dubbel bedrog’ – om met Plato te spreken. Zoals de toneelopvoering in de gevangenis wordt opgenomen en ‘het beeld wordt verdubbeld en nog eens verdubbeld’ – een ritueel én pure magie.
Ook Felix is een ambivalent figuur. Hij construeert weliswaar een opvoering, maar zint onderhand als gezegd ook op wraak op de zakelijk directeur van het festival, Tony (gemodelleerd naar Antonio in De storm) die hem weer dwars dreigt te zitten.

Crisis en verzoening
Felix zegt tegen de gevangenen: ‘Ze zijn niet geïnteresseerd in de fantasiewereld, ze begrijpen niets van de bevrijdende werking van de kunst’ – van loutering. De gevangenen brengen de minister en zijn gevolg terecht in wat Felix een ‘artistieke onderdompeling’ noemt. Het gaat er heftig aan toe. Het geweld escaleert en wat er tijdens de toneelopvoering gebeurt, is totale chaos die op een gevangenisopstand lijkt. Het heeft de trekken van een toneelstuk-in-een-toneelstuk, zoals we die van Shakespeare kennen: in het bos in de Midzomernachtdroom en aan het hof in Hamlet, twee andere stukken die tijdens de cursus in Leusden aan de orde kwamen.
Het is niet alleen totale chaos, maar het werkt ook als een spiegel waardoor de rol van kunst voor de minister en zijn gevolg opeens duidelijk wordt; het is een actuele aanklacht die Atwood hier beschrijft tegen de huidige politiek in een tijd van cultuurbezuinigingen en twijfel aan ‘het nut’ van kunst.

Gemeenschap en genade
Het vervolg is wat Atwood verzoening noemt, catharsis. Verzoening is een begrip dat Girard wellicht niet gebruikt, maar dat elke Girardijn zoals de andere docente van de ISVW-cursus, Thérèse Onderdenwijngaard de leden van de Girard Studiekring noemt, zelfs zij die Girard niet helemaal tot het einde van zijn denken – dat wil zeggen dat van na zijn terugkeer tot het rooms-katholicisme – kunnen volgen, welgevallig zal zijn. Verzoening, introspectie, reflectie en berouw, of zoals Atwood personages toont die een goede en een slechte kant hebben. Of zoals ze Caliban laat zeggen: ‘Zonder zijn boeken is hij niets.’ Leren en lezen, zoals Onderdenwijgaard Michael Elias citeerde, ook een lid van de Girard Studiekring.
Felix voegt de daad bij het woord en laat zijn acteurs/gevangenen het verhaal van Shakespeare afmaken – de catharsis ten top. Zo doen wij dat, als toeschouwers, lezers en cursisten ook. De tovermacht, de magie van Prospero ‘is nu letterlijk in handen van de toeschouwers (…). Dan zegt hij ook nog dat hij wil dat ze voor hem bidden (…). Hij wil goddelijke genade.’ Atwood lijkt Girard te beamen.

Een fantasie en een fuga die ons omarmen

Het gebeurt wel vaker dat een organist zijn/haar concert begint met een preludium van Bach en eindigt met de bijbehorende fuga met hetzelfde BWV-nummer, bijvoorbeeld met het Preludium en fuga in Es gr.t. BWV 552 die de Grote Orgelmis omsluiten. De Engelse organist Glen Dempsey deed het afgelopen week woensdag ook tijdens zijn recital op het Sauer-orgel in de Basiliek van de H. Nicolaas tijdens de Amsterdamse Orgelzomer (zie foto).

Hij opende met Bachs Fantasie in g kl.t. BWV 542, vervolgde met onder meer Mendelssohns zesde sonate in d kl.t. op. 65 nr. 6 en sloot af met de Fuga in g kl.t. BWV 542. Toen hij die fuga inzette, leek het op het eerste gehoor als een tang op een varken te slaan. Totdat Dempsy opeens het thema juichend boven alles uit liet komen. Net zoals hij in de sonate van Mendelssohn het thema, in dat geval het koraal Vater unser im Himmelreich, op een gegeven moment juichend boven alle andere stemmen speelde.
Zo gaven niet alleen de fantasie en de fuga elkaar bij wijze van spreken een hand, maar ook de in de geestelijke muziek gedrenkte Mendelssohnsonate en de seculiere Bach, al weet je dat bij hem nooit.

Het is heel wel mogelijk dat onder de concertbezoekers heel veel mensen zaten die op zondag niet naar de kerk gaan maar wie zo’n concert veel doet. Zo’n beetje als de ruim 3.800 volgers die Alain Verheij, de theoloog des twitterlands, in een herhaling van het tv-programma Het Vermoeden (16 juli jl.) tegen Marleen Stelling vertelde: de meeste volgers gaan zelfs niet met kerst naar de kerk, dus dat kun je al niet eens meer randkerkelijken noemen.
Waarop Stelling vroeg of die scheidslijn seculier (de fantasie en fuga van Bach zeg maar) en kerkelijk (de sonate van Mendelssohn zeg maar) nog wel bestaat. Waarop Verheij antwoordde dat zijn twitteraccount – en de uitwerking van het concertprogramma op mij althans – bewijst van niet. De scheidslijnen gaan volgens hem wat anders lopen. Het gesprek tussen beide uitersten lijkt makkelijker te gaan, net als de verzuiling en de allergie voor godsdienst voorbij lijken te zijn. Dat vereist een diepe vertrouwdheid met de cultuur, de maatschappij én de traditie waarin je staat.

Na de ontkerkelijking ligt er volgens Verheij een enorm spiritueel terrein braak, dat op dit moment vooral wordt ingenomen door yoga en mindfulness. De joods-christelijke traditie, zoals hij dat noemde, kan goed aan dat gesprek meedoen vanuit de Bijbelse verhalen, kunst en mensen om ons heen. Samen vormen ze onze kern, ons hart en onze nieren, die ook in een concert ten diepste kunnen worden geraakt. Met een been sta je er op een volkomen seculiere manier (om dat woord nog een keer te gebruiken) in de wereld en in het beleven van kunst en met het andere been ben je diep gelovig. Beide benen heb je nodig om je weg te gaan, om op te been te blijven, als het ware omarmd door een fantasie en een fuga.

De intentie

In het Cobra Museum in Amstelveen is tot en met 24 september a.s. de tentoonstelling Radicale Sociale Animale Talen te zien. Koen Kleijn van De Groene Amsterdammer heeft er al een bezoek aan gebracht, en schrijft in het weekblad van 29 juni jl.: ‘Navid Nuur toont een stel onbestemde brokken keramiek’ (zie afb.). Hij vervolgt met: ‘De brokken zijn een “nulpunt”, een zoeken naar het “oer-DNA van keramiek”, die daarmee “op symbolische wijze bevrijd wordt van rituele, functionele of esthetische eisen”.’ Kleijn concludeert dat het daar mis gaat: ‘Dit is een schoolvoorbeeld van een verintellectualiseerd, verdroogd en steriel soort kunst, die eigenlijk alleen met zichzelf praat en alleen in het hermetische cirkeltje van de bijbehorende tekst relevant is. Het gaat alleen om het proces, niet om de expressie, en al helemaal niet om zoiets als levenskunst of engagement. Het is of je zelf een klarinet bouwt om er niet op te spelen.’

Au. En dat over een kunstenaar wiens werk ik altijd graag mag zien, en waarover ik hier al eerder blogde (https://elsvanswol.nl/?p=894). Laten we de kritiek van Kleijn leggen naast een middag van een Talmoedgroep in het Amsterdamse Gasthuis, de laatste keer van dit seizoen, en kijken waar we dan op uitkomen.

Centraal stond de inleiding en de eerste midrasj uit Avodah Zarah, een traktaat over afgodendienst dat ook voor niet-joden van belang is; het is het eerste van de zeven Noachidische geboden.
Het springende punt is, dat je van een afgodenbeeld geen voordeel mag hebben, er – met Nuur – geen rituele, functionele en esthetische eisen aan mag stellen. Ritueel: je mag het niet vereren, functioneel: als je het verbrandt mag je er geen warmte aan ontlenen, esthetisch: het is geen manifestatie van God.

We lernden aan de hand van Avodah Zarah nog iets anders. Wanneer een niet-jood wijn maakt, mag een jood dit niet drinken, omdat de intentie van een plengoffer aanwezig is. Het ‘oer-DNA’ moet er weer aan terug worden gegeven, om Nuur aan te halen, door het op symbolische wijze te bevrijden. Zomaar een stuk hout of in zijn geval een steen kan niet onrein worden, maar wél wanneer het proces het stadium van een lepel of een altaar heeft bereikt. Het springende moment is hier wanneer de maker van de lepel zegt dat het stuk hout af is, een lepel is en er bijvoorbeeld een dood beestje op valt: ‘En alles waarop zulk een dier valt, als het dood is, zal onrein zijn; elk houten vat of kledingstuk of vel of zak, elk gebruiksvoorwerp’ (Leviticus 11: 32 e.v.).

Gaat het dan, zoals Kleijn zegt, alleen om het voorwerp en niet om de expressie? Juist niet, zou de Talmoed zeggen: het gaat om de intentie, wat we bij Kant deontologie noemen. En dan zijn we eerder bij de ethiek dan bij de esthetiek aangekomen. De cirkel is rond. Hermetisch? Verdroogd? Steriel? Ik dacht het niet. Zo levend als wat.

http://www.nik.nl/2011/04/de-zeven-noachidische-voorschriften/

Inconvenient Truth

De ene ervaring dendert in korte tijd over de andere. Eerst de onderdompeling in documenta14 in Kassel, dan het lezen van Effectief altruïsme van de Australische filosoof Peter Singer en tenslotte Manifesto van Julian Rosefeldt met de Australische actrice Cate Blanchett in het kader van het Holland Festival. Een drieluik.

  1. documenta 14

Behalve natuurlijk de overweldigende kunst waar directeur Adam Szymczyk en zijn team de bezoekers van Kassel honderd dagen op trakteren, zal ook een totaal ander beeld me bijblijven. We liepen met Maaike Raduzzi, gids van SRC-reizen (een heerlijke manier van reizen; de vrijheid die hebt om al dan niet mee te lopen en je eigen tijd zelf in te vullen!) langs kunstwerken die van eerder edities van de documenta zijn blijven staan.
Op een gegeven moment stonden we in de schaduw van een van de zevenduizend bomen die Joseph Beuys liet planten (zie afb.), terwijl op een afstandje een groepje vluchtelingen naar ons stond te kijken. Kijken en bekeken worden, maar zien en gezien worden? That’s the question die me de volgende dagen bleef vergezellen.

In de VPRO Gids bijlage over het Holland Festival (bij #20) staat het in het artikel over Manifesto zo: ‘Kunst beschouwend in een wereld die in brand staat – hoe bourgeois wil je het hebben?’ Mijn antwoord, of misschien liever: mijn impressie valt te lezen op de website van 8weekly.nl: http://8weekly.nl/special/documenta14/

  1. Peter Singer

Singer vraagt zich vanuit een andere insteek ook af of kunst de wereld kan veranderen. Hij zou het een goede zaak vinden als musea ‘een paar duizend dollar uitgeven aan reproducties van de hoogste kwaliteit’ in plaats van geld te steken in nieuwbouw. Kunstliefhebbers zouden volgens hem ook pas aan musea moeten doneren als ‘iedereen genoeg voedsel, basale gezondheidszorg en goede sanitaire voorzieningen ter beschikking’ zou hebben ‘en alle kinderen onderwijs zouden krijgen.’
Singer heeft meer op met het zelf actief schilderen, musiceren en dergelijke dan het passief kijken naar kunst in een museum. Maar: wat heet passief? En is het wel of-of?

  1. Manifesto

Laten die kunstenaars waarvan Blanchett delen uit manifesten voorleest, nu op z’n minst even utopisch en visionair zijn als Singer, maar dan op een heel andere leest geschoeid. ‘Kunst verbeeldt complexe werkelijkheden, verruimt je blik en kan bijdragen tot meer empathie’ staat in de VPRO Gids bijlage over Manifesto te lezen. Het is duidelijk dat Singer niet uit is op dat laatste; voor hem gaat de ratio boven alles: het afwegen waar je je tijd, geld en wat dies meer zij het beste aan kunt besteden.

Ik loop langs de dertien scènes in Casco Amsterdam en als ik af en toe terugkijk, zie ik aldoor de blik van de Homeless man (zie afb.) die mij lijkt te volgen. Bij de uitgang ligt een foldertje van wastedlab.nl. Ik kan het een doen (meer cultuurreizen met SRC maken dan deze tweede, na München verleden jaar) en het ander niet laten. Het is niet of-of concludeer ik ter plaatse. Met dank aan de documenta, SRC-reizen, de VPRO Gids bijlage, Peter Singer en het Holland Festival.

Zie elders op deze blog mijn blog over Münster, de stad waar we op de terugweg ook de vrijheid kregen om rond te kijken. Een vriendin en ik bezochten de St. Paulus Dom en zagen er een prachtig kunstwerk – contemporain, net als op de documenta.

Samen onderweg: religie en kunst

In de jaren tachtig van de vorige eeuw, zo vertelde Everdien Hoek tijdens haar lezing Van provocatie tot inspiratie: kunst en religie in de 21ste eeuw (Helikon, Utrecht, 25 februari 2017), had men het idee dat kunst en religie gescheiden wegen gingen. In de jaren negentig, vervolgde zij, kwam er een andere kijk op: religie is weer terug in de kunst. En – voeg ik daar aan toe – kunst weer in de religie. In beide gevallen vooral in de vorm van spraakmakende tentoonstellingen.

Een paar lopen er nu: Verspijkerd en verzaagd (Noordbrabants Museum, t/m 5 juni a.s.) en Leap of Faith van Joseph Klibansky (tot 14 mei a.s., in Museum De Fundatie). De aparte wegen die kunst en religie gingen, raken elkaar nu c.q. vloeien in elkaar over, aldus Hoek. En daarbij is alles mogelijk: een relatie, commentaar, bespotting of blasfemie. Ook – bleek tijdens haar lezing – in de reacties van de luisteraars, ofwel de bezoekers van deze tentoonstellingen.

Sommige kunstwerken zou je buiten de context van een specifieke tentoonstelling of buiten de kerk niet als religieus geladen ervaren. Pas een titel als Upper Room van Chris Ofili zet je op zo’n spoor. Of Neemt, eet van Jan Tregot, dat nu te zien valt in Den Bosch. Aan dit laatstgenoemde werk ontbreekt het hoofd, wat het volgens Hoek iets universeels geeft.

Als je een bepaald kunstwerk uit de kerk weghaalt, is de vraag: gaat het over kunst of over religie? Ook hier is het enerzijds de titel en anderzijds het universele karakter dat denk ik een werk die dubbele lading mee kan geven. Dat overkwam mij althans bij het kijken naar de schilderijen Onderweg (zie foto rechts boven) en Displaced Persons van Carla Dekker, die momenteel in Podium Oost in Utrecht (waar Helikon de cursussen geeft) valt te zien (t/m 3 maart a.s.). Op het ene schilderij is het een man die een vrouw draagt à la Christophorus. De vrouw heeft dezelfde klompvoeten, waar het moeilijk of onmogelijk op lopen moet zijn, als op het tweede schilderij.

Wellicht gaat deze kunst, of het nu religieus bedoeld is of niet, over grensvlakken, over dat wat er bovenuit gaat, over de ruimte tussen religieuze en seculiere kunst, tussen kunst en religie. Een ruimte die de Stichting Oude Kerk in Amsterdam als geen ander weet te benutten waardoor zo het één (kunst) en het ander (religie) haast lijkt te worden verdubbeld.

Maria Jager vertelde vanmorgen binnen het kader van een kerkdienst in de Oude Kerk één en ander bij het borduurwerk Gothic Gestures dat momenteel deel uitmaakt van de tentoonstelling met werk van Marinus Boezem (tot 26 maart a.s.). Jager maakt zowel deel uit van de Oudekerkgemeente als van de vrijwilligsters die dit borduurwerk in de Sebastiaanskapel vorm geven. Zij borduren, vertelde ze, van beneden naar boven, van de aarde af naar de hemel in de visie van Boezem. Maar ook – ben ik ook hier zo vrij om maar aan te vullen – van boven naar beneden. Dat zou de theologie misschien aan het verhaal van Boezem toevoegen. Hoewel hij dit ongetwijfeld zelf ook zal hebben bedacht, met zijn lift Into the air (zie foto Robert Glas, links boven) in de viering van de kerk. Over grensvlakken, ruimte en verdubbeling gesproken.

https://sites.google.com/view/carladekker/mijn-werk

Hartmut Rosa – Leven in tijden van versnelling

Leven in tijden van versnelling : een pleidooi voor resonantie / Hartmut Rosa ; vertaling [uit het Duits]: Huub Stegeman ; bezorging: Marli Huijer. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 156 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: Alienationa and accelleration. – Suhrkamp Verlag, © 2013. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895346-5-1

De belangrijkste vraag die in dit boek wordt gesteld, is die naar het goede leven in een tijd van maatschappelijke versnelling en vervreemding. Een vraag die de sociale filosofie, sociologie en politicologie zouden moeten stellen om het maatschappelijk debat hierover te bevorderen, omdat deze verschijnselen ons verhinderen een goed leven te leiden. Om daar verbetering in aan te brengen pleit de auteur voor resonantie, dat wil zeggen het tegenovergestelde van vervreemding: ervaringen die worden gevonden in de natuur, kunst en religie en de grondslag vormen voor een geslaagde relatie met de wereld. Ten onrechte wordt de Duitse socioloog Hartmut Rosa, hoogleraar aan de Universiteit van Jena, wel ‘onthaastingsgoeroe’ genoemd. Onthaasten is weliswaar ook gericht op het goede leven, maar zonder dat het een maatschappijkritische manier is van in-de-wereld staan. Daarom heeft dit boek de lezer iets anders, en meer, te zeggen dan bijvoorbeeld ‘Stil de tijd’ (2009) van Joke Hermsen. Deze Nederlandstalige editie is bezorgd door Marli Huijer, die zich ook met het onderwerp ‘tijd’ heeft beziggehouden.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Sindsdien bestaat het verhaal – Jozef en zijn broers (III)

Ter voorbereiding op de cursus Thomas Mann: Jozef en zijn broers ben ik begonnen deze vierdelige romancyclus te lezen. Gelukkig bestaat er van dit magnum opus van 1328 pagina’s, geschreven tussen 1933-1943, inmiddels een Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann. ‘Het is een project’ om dit te lezen, zoals degene zei die mij in 2006 op het spoor van de Duitse grootmeester zette; het jaar waarin ik maar meteen Manns woning in Lübeck bezocht. Telkens wanneer ik een deel uit de cyclus uit heb, zal ik in een blog één element eruit weergeven dat mij in het bijzonder heeft geraakt. Hierbij de derde, naar aanleiding van Jozef in Egypte.

1.
Afgelopen donderdag bracht één van de deelnemers aan de Talmoedgroep van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) het denken van de Franse filosoof Alain Badiou (foto boven) in.[1] In zijn denken staan drie kernwoorden centraal: evenement (gebeurtenis), waarheid en trouw. Deze drie kernwoorden bij Badiou houden de domeinen bij elkaar waarover hij schrijft: politiek, kunst, wetenschap en liefde.
Evenement staat bij deze denker voor een belangrijke gebeurtenis die inbreekt in tijd en ruimte, zonder dat degene die het overkomt er controle over heeft. Een gebeuren dat in het leven ingrijpt en er een spoor door trekt. Het is een omwenteling die tot denken aanzet. En als het goed is volgens Badiou aan het werk zet. Niet in de laatste plaats door er over te vertellen; het gaat hem om historisch besef.

2.
’s Avonds las ik verder in een boekje dat ik rondom deze Talmoedgroep momenteel lees: Zappen door de Talmoed van Leo Mock. Het viel mij op dat wat hij onder het kopje Openbaring schrijft, sterk verwant is aan het denken van Badiou: ‘In de Tora is de Openbaring op de Sinaï een belangrijke, maar eenmalige gebeurtenis [evenement, EvS]. Deze moet van geslacht tot geslacht overgeleverd worden door het verhaal steeds weer te vertellen en de Tora in acht te nemen.’

3.
Op zaterdagmiddag woonde ik voor de vijfde keer een Leescafé in de Openbare Bibliotheek bij, gegeven door de zusjes Eva en Renee Kelder. Het thema was dit keer ‘het perspectief’ van waaruit je schrijft: het ik-personage, een hij/zij invalshoek of vanuit de alwetende verteller. Eva schrijft vanuit het ik-perspectief (het meest dichtbij), Renee vanuit hij/zij (afstandelijker en wellicht meer mogelijkheden biedend).
’s Avonds las ik verder in het boek waar ik al eerder over blogde: Jozef en zijn broers van Thomas Mann. Inmiddels ben ik in deel drie, en trof daar een alinea aan die bovenstaande drie elementen (het denken van Badiou, de aantekening van Mock bij de Talmoed en het vertelperspectief dat in het Leescafé aan de orde kwam) lijkt samen te vatten, over de tijd heen (p. 611, in de vertaling van Thijs Pollmann):

‘Kennen wij ons verhaal of kennen wij ons verhaal niet? Is het behoorlijk en beantwoordt het aan de essentie van een verhaal dat de verteller open en bloot de data en feiten volgens bepaalde overwegingen en gevolgtrekkingen betekent? Moet de verteller op een andere manier aanwezig zijn dan als een anonieme bron van de vertelde, eigenlijk zichzelf vertellende geschiedenis, waarin alles vanzelf spreekt, zo en niet anders, zonder twijfel en zeker? De verteller, zal men zeggen, moet één zijn met zijn verhaal en er niet berekenend en bewijzend buiten staan. – Maar hoe is dat nu met God, die door Abram tevoorschijn werd gedacht en herkend? [zie mijn eerdere blog hierover, EvS]. Hij is in het vuur, maar is geen vuur. Hij is dus tegelijk erin en erbuiten. Het zijn echt twee verschillende dingen: een ding zijn en naar dat ding kijken. Maar toch zijn er niveaus en sferen waar beide tegelijk plaatsvinden: de verteller is weliswaar in het verhaal maar hij is niet het verhaal; hij is de ruimte ervan, maar het verhaal is niet zijn ruimte want dat heeft ook een bestaan daarbuiten, en door een andere positie in te nemen creëert hij voor zichzelf de mogelijkheid dat nader te onderzoeken. Nooit zijn wij eropuit geweest de illusie te wekken dat wij de oerbron van het verhaal van Jozef zijn. Voordat iemand het vertelde, gebeurde het; het ontsproot aan dezelfde bron waar alle gebeurtenissen uit voortkomen, en vertelde al gebeurend zichzelf. Sindsdien bestaat het verhaal, iedereen kent het of denkt het te kennen, want heel vaak gaat het maar om een oppervlakkige, een vluchtige vorm van kennis, waarvan men zich nauwelijks rekenschap geeft. Honderdmaal is het verhaal al verteld in evenzoveel vormen. Hier en nu krijgt het een vorm waarin het over zichzelf reflecteert en zich herinnert hoe het toen eigenlijk precies en echt is gegaan, zonder het dus én voortgang vindt én zichzelf bespreekt.’

[1] De alinea’s over het denken van Badiou ontleen ik aan een lezing die ik over hem heb gegeven voor een leerhuis van Tenach & Evangelie (13 mei 2008, Thomaskerk Amsterdam).

Senkrecht von oben

meteorietenmarinusboezem2016photorobert-glas2

… In elke letter
zit een nieuw heelal
(Ester Naomi Perquin)

1.
’s Ochtends hoor ik in een preek in de Amsterdamse Oude Kerk, door ds. Jessa van der Vaart, over het omslag van de folder die de Nexus-conferentie 2016 aankondigde. Daarop staat een foto van een pianist die tussen de puinhopen in Syrië zit te spelen. De vernietigingen daar en elders zijn geen aankondiging van het laatste der dagen, maar de pianist zit in, te midden van het geweld, en doet er inbreuk op. Zoals bidden dat kan doen, maar dan op de manier zoals die op wandschilderingen in catacomben in het oude Rome werd afgebeeld: met het hoofd ten hemel gericht, en zowel de handen als de ogen open, ontvangend.
En dat te midden van de tentoonstelling met werk van Marinus Boezem dat momenteel in de Oude Kerk wordt tentoongesteld. Alsof meteorieten dwars door het dak naar binnen zijn geslagen en als spiegels op de grond uiteen zijn gevallen (zie foto Robert Glas).[1]

2.
’s Middags bezoek ik de performance A prayer door Snejanka Mihaylova en Lisa Holmqvist in het kader van Amsterdam Art in de Amsterdamse Thomaskerk (curator: Dorothé Orczyk). Een gebed zoals wij nu gewend zijn te bidden: ingetogen, de ogen geneigd, in stilte. De kunstenares Mihaylova spreekt een gebed uit, en geïnspireerd op het Holy Book of the Great invisible spirit oftewel het Koptische evangelie van de Egyptenaren. Er zijn alleen klinkers uit overgebleven. Langzaam klinken ze door de ruimte, waarbij de uitvoerenden onder de koepel in het dak tegenover elkaar zitten. In de nieuwe spirituele muziek van Lisa Holmqvist weerklinken de klinkers ook, van de hoge a (in de sopraan) tot de lage e (in de bas). Gezongen door drie vrouwen en drie mannen en met één dwarsfluit (in plaats van de origineel twee (blok?)fluiten die volgens de partituur zijn voorgeschreven). De componist, die tevens dirigeert, houdt haar handen open naar boven gericht op de manier zoals we, sinds ik vanmorgen weet, uit de catacomben in Rome kennen. Op z’n tijd de losse letters tot woorden aaneen te rijgen; transformation, transliteration. In trance ook.
De morgen en de middag gaan een gesprek met elkaar aan.

3.
En dat gaat ’s avonds nog zo even door. Thuisgekomen lees ik in NRC Boeken, die iemand in de kerk altijd voor me meeneemt, een recensie van Toef Jaeger van het boek Het valse seizoen van Christiaan Weijts (NRC Boeken, 25 november 2016).
Het begint met een beschrijving van een vrouw die altviool speelt, daags na de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo, terwijl een duif neerstrijkt op de krul van het instrument. Weijts vraagt zich volgens Jaeger af of die viool troost biedt of weerstand oproept, kunst is of kitsch. Volgens Jaeger komt Weijts uit op ‘het idee van interventie, al dan niet maatschappelijk, als voorwaarde voor kunst.’ Inbreuk doen in de werkelijkheid, al wil volgens haar de vrouwelijke hoofdpersoon uit Weijts’ boek aan de puinhopen betekenis geven.
Die betekenis wilde Jessa van der Vaart, als ik haar goed heb begrepen, niet in het spel van de pianist in Syrië leggen. Doodeenvoudig omdat die betekenis er niet is. En inbreuk doen, Senkrecht von oben zoals de spiegels van Boezem, des te meer.
Bidden – met de ogen open, om die gebroken spiegels, de gebroken wereld heel helpen te maken. Dat misschien?

[1] Recensie: http://8weekly.nl/recensie/kathedraal-van-de-verbeelding/

marinus boezem

 

Kunst, religie en samenleving

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeWaar gaat het heen binnen de vier levenssferen die René Gude in zijn Het agoramodel – de wereld is eenvoudiger dan je denkt (uitgeverij ISVW) beschrijft? Privé, privaat, publiek en politiek, met kunst, religie en samenleving, met het vreemde en het eigene in een wereld waar Nederland onmiskenbaar deel vanuit maakt? Ik schreef er eerder over in een column voor een NVMB-Nieuwsbrief die ik hier t.g.v. het verschijnen van het boek van de filosoof Gude (zie foto) en een lezing over hem op 15 september a.s. (zie onderaan) in iets geupdate versie herplaats.

 

Kunst en wereldreligies
Laten we klein beginnen. Want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunst en wereldreligies, hoe je het ook wendt of keert, een marginale rol in de Nederlandse samenleving spelen. Het ontregelende dat beide cultuuruitingen zouden moeten aankleven, willen zij een daadwerkelijke functie in de openbare ruimte hebben, is vaak teruggebracht tot esthetische vraagstellingen over het schone – het eerste element in de platonische trits het schone, ware en goede.

Damien Hirst_For the love of GodDat was zo toen het platina afgietsel van een mensenschedel, ingelegd met diamanten, onder de titel For the Love of God van Damien Hirst (zie afb. rechts) in het Amsterdamse Rijksmuseum viel te zien. Het bood niet een blik op de vergankelijkheid en kwetsbaarheid van het leven, als op een Vanitasschilderij, maar bleef ook aan de buitenkant met perfecte, niet door de tijd aangetaste diamanten en gebleekte tanden. In die zin past het kunstwerk perfect in een tijdsgewricht waarin een menselijk lichaam door cosmetische ingrepen, liposuctie en facelift, geen sporen van veroudering meer lijkt te mogen tonen. En we in de toekomst volgens de gerontologe Andrea Maier zelfs 130 jaar zouden kunnen worden. We leven in een tijd waarin kopieën voor kunst worden versleten, wat op zich veel interessants oplevert, al waarschuwde Magritte nog zo door expliciet onder zijn afbeelding van een pijp te zetten: Ceci n’est pas une pipe.

Dat was ook zo bij de installatie van Joris Staal tijdens de tentoonstelling Recht voor zijn raap van het Centraal Museum in Utrecht. Vanaf het dak van het museum, naast de Nicolaikerk, klonk vijf keer per dag een oproep tot het islamitische gebed. Staal hoopte primair op een debat op straat, maar oogstte uiteindelijk meer waardering voor het esthetische aspect van zijn werk.

Ook het idee om te komen tot zogenaamde lokjoden, een voorstel van Ahmed Marcouch, berust op het concept van een kopie. In beide gevallen, van Staal en Marcouch, loste het debat op in goede aanzetten tot een gesprek zonder dat er wat veranderde. Zo’n opzet heeft pas zin als iedereen een hoofddoek of een keppeltje gaat dragen, zoals in de Tweede Wereldoorlog er Denen waren die een jodenster op hun jas speldden. Het vreemde is dan eigen geworden.

Kunst en religie maken zichzelf pas waar, als ze gaan waarover ze horen te gaan: over vragen van leven en dood (de schedel van Hirst!), over een kier waardoor de werkelijkheid achter de rauwe realiteit van alledag, voorbij de economische kloof tussen de eerste, tweede en derde wereld zichtbaar wordt. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop. Een richeltje inzicht’, noemde de protestantse predikant Henk Vreekamp dat eens. Waarop een vakgenoot aanvulde: ‘Maar dit moet wél geschieden.’

De kunst en het leven
Als je beide uitspraken bij elkaar voegt, ontstaat het ware, het tweede element in de platonische trits. Hierin doen – zoals de film Copie conforme laat zien – de kunst en het leven er zelf toe. De hoofdpersoon James Miller (William Shimell) laat zich uit over het eigen leven dat je moet leiden, Elle (Juliette Binoche) zoekt bevestiging van haar eigenheid na een ontmoeting op een pleintje in een Toscaans dorpje, de bakermat van de renaissance. Nog afgezien van het deze wat clichématige uitwerking is de boodschap van de film het overdenken meer dan waard: de impact van wat de w/Werkelijkheid is of – al dan niet in kopievorm – voorstelt.

Barnett Newman_CathedraMaar deze kunnen wij niet altijd aan of durven wij niet altijd onder ogen te komen. Zijn het niet juist díe kunstwerken die het ware, deze w/Werkelijkheid tonen die worden vernield, zoals Cathedra van Barnett Newman? (zie afb. links). Omdat het een w/Werkelijkheid is die niet op zichzelf staat, maar uitnodigt tot een gesprek, zoals in aanzet de azan (gebedsoproep) en de klokken van de belendende kerk in Utrecht op de momenten dat ze tegelijk klonken, of op een pleintje in San Gimignano?

Deze vormen van kunst, religie en (samen)leven zetten de ramen naar de buitenwereld op een kier, incorporeren voorbeelden uit het verleden en andere culturen in het heden met oog op een hoopvolle toekomst waarin stem en tegenstem niet dissoneren. Waarin niet alleen financiële markten zijn geïntegreerd, maar waarin een Iraanse filmregisseur op een Italiaanse markt die als Griekse agora, als een plaats van ontmoeting fungeert, Europese renaissance(denk)beelden tot leven wekt. Aan de ene kant benadrukt hij door het gebruik van de Italiaanse taal ook nog eens de eigen identiteit van de regio, maar aan de andere kant laat hij zijn personages ook Engels spreken, de taal van de globalisering bij uitstek. Dat er ook nog Frans wordt gesproken, drukt des te meer uit dat de wereld klein is.

Kunst, religie en samenleving
Het is de kunst- en literatuurkritiek van de collegae van James Miller die bij uitstek, na primair goed gekeken, geluisterd en gelezen te hebben, zou kunnen bemiddelen tussen kunst, religie en samenleving. Daarbij uitgaande van wat als ‘vreemd’ kan worden ervaren in die kunst, door de wereldreligies onderling en in de samenleving. Met als doel dat er empathie ontstaat en iedereen, all over the world zich het vreemde eigen kan maken.

Kunst moet zowel in de religie als in de samenleving ‘infiltreren’ opdat ze zich door haar vreemdheid laten gezeggen, het vreemde stem krijgt, wordt gehoord en gezien. Opdat ze er alle drie door worden verrijkt, zichzelf niet tekort doen en de politiek er niet meer omheen kan als zouden het ‘linkse hobby’s’ zijn.

Hafid BouazzaJe kunt je afvragen of de stem van de kunst niet is verzwakt omdat ze zich niet of nauwelijks engageerde en de samenleving op een veilige afstand hield. Je kunt je evenzeer afvragen of de wereldreligies niet alleen zijn verzwakt omdat ze zich vaak boven hun voorganger verheven voelde (christendom als vervangingstheologie van het jodendom, islam boven jodendom en christendom), maar ook omdat zij op grond van een foute uitleg van het beeldverbod uit het Oude Testament, – waar het niet om (af)beeld(ingen) in algemene zin maar om het verbod op het afbeelden en vooral aanbidden van afgoden gaat -, kunst buiten de deur heeft gewerkt en veelal gehouden. Dat geldt evenzeer voor de islam; Hafid Bouazza (zie afb. hierboven) betoogt in zijn pamflet onder de titel Beelden tot leven wekken (uitg. Querido), zoals de Iraanse regisseur Abbas Kiarostami in zijn film een beeld tot leven wilde wekken, dat het ontbreken van gevoel voor kunst de islam geen ademruimte laat. En tenslotte kun je je afvragen of de Nederlandse samenleving niet is geworden wat zij nu is, vol onvrede en angst voor het ‘vreemde’ en zich louter vastklampend aan het ‘eigene’, omdat ze kunst en religie niet als tegenstem aanvaardt en soms verre van zich werpt met een felheid die je bang te moede maakt. Het kan geen toeval zijn dat juist in deze context verschillende zachte krachten wijzen op het belang van een gesprek tussen kunst, wereldreligies en samenleving, tussen het schone, ware en goede, de eerste, tweede en derde wereld.

Kunstkritiek

Anna TilroeWat de kunstkritiek betreft, is dat bijvoorbeeld de stem van Anna Tilroe (zie foto). Zij stelde in 2008 de tiende Sonsbeek-tentoonstelling samen. Haar doel was, en is, kunst in verband te brengen met de samenleving en er een gesprek in de publieke ruimte over aan te gaan. Met de genoemde tentoonstelling was zij niet langer, om de ondertitel van haar boek uit 2002 aan te halen, op zoek naar een nieuw visioen, maar bood ze niet alleen esthetische gewaarwordingen maar ook ethische implicaties daarvan ter discussie aan. Het begon met een processie waarbij kunstwerken door Arnhem werden gedragen. Een gebruik dat religieus is in de ruime betekenis van het woord. Tilroe was op het spoor ervan gezet door een Japanse processie, maar het idee dat beelden van ouds als het goed is met de cultus van een gemeenschap waren verbonden, was niet ver weg. Met de Franse filosoof Alain Badiou noemde zij dit ‘een gebeurtenis die iets doorbreekt.’ Datzelfde probeerde zij met de kunstwerken zelf die tentoon werden gesteld te bereiken. Kunst die, zoals Tilroe in een interview in Metropolis M (nr. 6/2007) zei, ‘paf, keihard binnenkomt.’ Het was kunst uit alle werelddelen, want eenkennigheid was zij bij het samenstellen van de tentoonstelling niet.

Van haar hand verscheen ook een pamflet, onder de titel De Ja-Sprong, naar een nieuwe vitaliteit in de kunst (uitg. Querido). In dit pamflet stelt Tilroe zich enerzijds te weer tegen de internationale kunstmarkt en vestigt anderzijds haar hoop op de kunst zelf. Niet als autonome kunst, maar als soevereine uiting in een geglobaliseerde wereld. In de kunstwereld is het kapitalisme volgens haar bijna crimineel geworden, of wordt de markt niet door intrinsieke kunstwaarden maar door economische beginselen bepaald.

Leescultuur
Datzelfde geldt voor de leescultuur. De reclame focust wereldwijd op e-books. Om die te kunnen lezen is echter een e-reader noodzakelijk. Maar wanneer iemand bijvoorbeeld een e-book bij Amazon bestelt, is hij automatisch gebonden aan de Kindle van Amazon. Het e-book kan daardoor niet als een handzame kopie van een gedrukt boek (Ceci n’est pas un livre) worden beschouwd. De astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist Vincent Icke beroept zich in een artikel in NRC Handelsblad (6 augustus 2010) dan ook niet alleen op de boeken van Spinoza in zijn boekenkast omdat die niet in sommige gevallen ‘anoniem vanaf grote afstand kunnen worden gewist zonder dat wettelijke garanties dat verbieden’, maar ook omdat vorm en inhoud bij hem één zijn in die zin dat Spinoza, maar ook een andere grote gigant uit de renaissance, Shakespeare ‘en de rest (…) schitterende dingen hebben geschreven over vrijheid. Op papier.’

Monika Van PaemelDe hiervoor genoemde denkers uit heden en verleden zijn gelukkig niet de enigen die hun stem, een tegenstem laten horen. De Vlaamse schrijfster Monika Van Paemel (zie foto), die al eerder een pamflet schreef onder de titel Te zot of te bot (uitg. Querido) kwam met een boek onder de titel Een intieme geschiedenis (uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep). Net als Tilroe en Icke stelt zij zich te weer tegen vercommercialisering en vluchtigheid. In dit geval van de hedendaagse roman, ongetwijfeld in gedrukte vorm. Van Paemel spreekt zich uit over een gedeeld verhaal, een inclusieve geschiedenis, over het leven in alle facetten, zowel in esthetische als ethische zin. ‘Een intieme geschiedenis’ die niet de tijdsgeest weerspiegelt zoals de kunstwerken van Hirst en Staal, maar vergezichten biedt, door de kier van een muur, een raam met uitzicht zoals de film van Kiarostami die biedt. Dit maakt dat de literaire roman niet beperkt blijft tot een vermelding in een nationale canon, maar deel uitmaakt van wereldwijd gedragen, gemeenschappelijk bezit, tot gezamenlijk cultureel erfgoed. De roman is per definitie vreemd én eigen en biedt lezers de gelegenheid zich het vreemde eigen te maken. Je herkent je eigen verhaal en laat je verrijken door dat van een ander. Op die manier biedt de roman via de kunstkritiek, via het openbare debat ruimte voor een vruchtbare dialoog. Zodat iedereen erdoor wordt aangesproken en niemand, ook in de politiek niet, erom heen kan.

In perspectief
DeLillo_Vallende manEen roman die dit bij uitstek doet, en waarin alle hiervoor gesignaleerde aandachtspunten worden samengebald, is Vallende man (uitg. Anthos/Manteau, zie afb.) van Don DeLillo. De kleine, intieme geschiedenis van de hoofdpersoon, Keith Neudecker – we eindigen ook weer klein –, weerspiegelt de gebeurtenissen op 9/11. De performances van de schoonspringer, die van gebouwen springt, zijn een kopie van de val van de man op de beroemde, iconische foto van Richard Drew. De ex-vrouw van Neudecker, Lianne weet niet met deze performances om te gaan. Net zo goed als zij de Arabische muziek van haar onderbuurvrouw na 9/11 niet meer kan verdragen en daarmee de buurvrouw afwijst. Deze muziek staat symbool voor het vreemde, dat zij zich niet eigen kan en wil maken. De vraag is of zij in de Nature morte, de stillevens van Morandi ook een kopie van de werkelijkheid na 9/11 ziet, of dat deze gelijk bij Newman symbool staan voor het goede – het derde een laatste element in de platonische trits – waarop Lianne lijkt te hopen en daadwerkelijk, met vallen en opstaan aan wil werken. De hoop schuilt in de opvoeding die Lianne hun zoontje Justin (de rechtvaardige) geeft. Onder andere wanneer ze hem meeneemt naar een demonstratie. Zo voegt zij de daad bij het woord en gloort een kiertje licht, een weinigje hoop.

Hetzelfde geldt voor de laatste zin van het boek. Hierin beschrijft DeLillo dat Keith Neudecker niet langer zoals tot dan toe als in een film een overhemd uit de lucht naar beneden ziet vallen, maar ook dat hij niet van steen is en opeens tot zijn bewustzijn door laat dringen dat er uit de mouwen van dat overhemd armen steken, ‘armen die zwaaiden als iets wat in dit leven ondenkbaar is.’

Het is zoals pianist/dirigent Daniel Barenboim tijdens zijn Nexus-lezing 2010, De ethiek van de esthetiek het verwoordde: de kloof tussen verstand en levensvraagstukken is gedicht. Maar tussen kopie en ultieme Werkelijkheid moet altijd een kiertje blijven bestaan. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop, een richteltje inzicht.’ Opdat niets wordt dichtgemetseld, er ruimte blijft om te ademen en het vreemde tot zijn recht kan komen. In die ruimte, op dat pleintje ontmoeten mensen uit de hele wereld, uit alle culturen elkaar. Om samen het vreemde en eigene in perspectief te zien.

Op 15 september opent het Huis van de Levenskunst in Tuindorp Oostzaan (Amsterdam) weer zijn deuren. Het gaat deze keer opnieuw over de filosoof René Gude uit Amsterdam-Noord die vorig jaar is overleden. Hij was vanaf 2013 Denker des Vaderlands. Trinus Hibma, predikant van de Bethelkerk, zal enkele belangrijke punten uit zijn werk presenteren en met de aanwezigen daarover praten.

Plaats: Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam.
Tijd: donderdag 15 september van 14.00 tot 16.00 uur.
Toegang gratis. € 2 voor consumpties.