De intentie

In het Cobra Museum in Amstelveen is tot en met 24 september a.s. de tentoonstelling Radicale Sociale Animale Talen te zien. Koen Kleijn van De Groene Amsterdammer heeft er al een bezoek aan gebracht, en schrijft in het weekblad van 29 juni jl.: ‘Navid Nuur toont een stel onbestemde brokken keramiek’ (zie afb.). Hij vervolgt met: ‘De brokken zijn een “nulpunt”, een zoeken naar het “oer-DNA van keramiek”, die daarmee “op symbolische wijze bevrijd wordt van rituele, functionele of esthetische eisen”.’ Kleijn concludeert dat het daar mis gaat: ‘Dit is een schoolvoorbeeld van een verintellectualiseerd, verdroogd en steriel soort kunst, die eigenlijk alleen met zichzelf praat en alleen in het hermetische cirkeltje van de bijbehorende tekst relevant is. Het gaat alleen om het proces, niet om de expressie, en al helemaal niet om zoiets als levenskunst of engagement. Het is of je zelf een klarinet bouwt om er niet op te spelen.’

Au. En dat over een kunstenaar wiens werk ik altijd graag mag zien, en waarover ik hier al eerder blogde (https://elsvanswol.nl/?p=894). Laten we de kritiek van Kleijn leggen naast een middag van een Talmoedgroep in het Amsterdamse Gasthuis, de laatste keer van dit seizoen, en kijken waar we dan op uitkomen.

Centraal stond de inleiding en de eerste midrasj uit Avodah Zarah, een traktaat over afgodendienst dat ook voor niet-joden van belang is; het is het eerste van de zeven Noachidische geboden.
Het springende punt is, dat je van een afgodenbeeld geen voordeel mag hebben, er – met Nuur – geen rituele, functionele en esthetische eisen aan mag stellen. Ritueel: je mag het niet vereren, functioneel: als je het verbrandt mag je er geen warmte aan ontlenen, esthetisch: het is geen manifestatie van God.

We lernden aan de hand van Avodah Zarah nog iets anders. Wanneer een niet-jood wijn maakt, mag een jood dit niet drinken, omdat de intentie van een plengoffer aanwezig is. Het ‘oer-DNA’ moet er weer aan terug worden gegeven, om Nuur aan te halen, door het op symbolische wijze te bevrijden. Zomaar een stuk hout of in zijn geval een steen kan niet onrein worden, maar wél wanneer het proces het stadium van een lepel of een altaar heeft bereikt. Het springende moment is hier wanneer de maker van de lepel zegt dat het stuk hout af is, een lepel is en er bijvoorbeeld een dood beestje op valt: ‘En alles waarop zulk een dier valt, als het dood is, zal onrein zijn; elk houten vat of kledingstuk of vel of zak, elk gebruiksvoorwerp’ (Leviticus 11: 32 e.v.).

Gaat het dan, zoals Kleijn zegt, alleen om het voorwerp en niet om de expressie? Juist niet, zou de Talmoed zeggen: het gaat om de intentie, wat we bij Kant deontologie noemen. En dan zijn we eerder bij de ethiek dan bij de esthetiek aangekomen. De cirkel is rond. Hermetisch? Verdroogd? Steriel? Ik dacht het niet. Zo levend als wat.

http://www.nik.nl/2011/04/de-zeven-noachidische-voorschriften/

Eén enkel takje

Navid NuurHet kan met het takje dat uit een steen groeit, een werk van Navid Nuur (1976, Teheran) op de tentoonstelling SALON/Big Bang in de Amsterdamse Oude Kerk, twee kanten op (zie afb.). Ofwel het is één enkel geblakerd, kaal takje dat nadat de wereld is vergaan een stille getuige is van het slagveld, ofwel het is een nieuwe, nog bladloze loot die is ontsprongen uit een rots, een steen als een bevroren traan (Novalis). Als door Mozes die op een rots sloeg eruit geslagen. Of als het ene twijgje dat de duif na de zondvloed in de bek had.

 

Een takje dat in de kerkdienst op 20 juli 2014 verklankt werd door zowel het openingskoraal Wenn wir in höchsten Nöten sein als het slotkoraal Nun danket alle Gott, beide van Joh. Seb. Bach. Door Jacob Lekkerkerker in eenzelfde, ingetogen registratie gespeeld. En allebei eindigend met eenzelfde akkoord. Toeval bestaat niet.

Een takje dat verbeeldde wat de uitleg door ds. Justine Aalders van het Evangelie van deze zondag (Mattheüs 13:24-30, 36-43) ons bracht: Gods toekomst groeit ook, als zaad op de akker, als een klein takje op de rots, ook al zien we ’t vaak over het hoofd, omdat we ons concentreren op het onkruid, of op de rotsachtige grond waarop het valt of staat. We moeten geduld hebben en erop blijven vertrouwen dat het, dat hij zal groeien. Tegen de klippen op.

Maar kijk, toch is het vreemd. Dat takje is weliswaar wat schuin tegen die steen ‘aangeplakt’, maar lijkt ook o zo stevig te staan. Alsof hij vaste grond onder de voeten heeft, stevig geworteld is. Alsof die steen de rots (Petra) van Petrus is. Die ook zo weer kan worden weggeslagen, meegesleurd door de woelige baren van de zee die ik onder de steen van Nuur vermoed, als bij Mont Saint Michel.

Misschien groeit het takje uit tot een boom. Dat valt nu nog niet te zeggen, – nu zeker niet te zeggen. Maar ik hoop wel dat we eens kunnen oogsten van de vruchten die hij brengt.