Dick Raaijmakers en Jan Boerman

Soms schrik je van jezelf. Toen ik iets wilde schrijven over Nederlandse elektronische muziek, kwam meteen de naam van Jan Boerman (1923, foto rechts) bij mij boven. Daarmee had ik dus niet voor Dick Raaijmakers (1930-2013, foto links) gekozen, de andere godfather van de elektronische muziek die Floris Kortie op 13 oktober jl. in het zonnetje zette in het televisieprogramma Podium Witteman. Mijn keuze zei eigenlijk net zoveel over mijzelf als over beide nestors van de elektronische muziek in Nederland, maar door deze keus als uitgangspunt te nemen, kan ook iets worden verduidelijkt voor lezers van deze blog die nog niet zoveel elektronische muziek hebben gehoord of voor bezoekers van het Amsterdam Dance Festival dat nog tot en met zondag 20 oktober duurt. Waaraan moeten zij bijvoorbeeld de voorkeur geven als zij zouden moeten kiezen tussen Boerman of Raaijmakers. Wat past het beste bij hun belevingswereld?

Raaijmakers en Boerman
Beide namen, Dick Raaijmakers en Jan Boerman, worden overigens maar al te vaak in één adem genoemd. Het is net als met die andere pioniers uit de popmuziek: de Beatles en de Rolling Stones. Ik weet nog uit mijn middelbare schooltijd dat je of voor de ene groep was of voor de andere, hoewel ik later steeds meer waardering voor de Rolling Stones kreeg.
Datzelfde geldt ook een beetje voor Raaijmakers en Boerman. Eerstgenoemde componist heeft het ironische, ondermijnende in zijn muziek dat we ook van de Stones kennen. Jan Boerman daarentegen is meer verwant aan de welluidende, esthetische muziek van de Beatles. Nu heb ik de deuren van de middelbare school al lang geleden achter me dicht getrokken, en zo zwart-wit als je in de puberteit over niet alleen de Beatles en de Rolling Stones, maar ook over andere zaken denkt, doe je op latere leeftijd niet meer, maar de vergelijking tussen Boerman en Raaijmakers kan nog steeds best worden uitgewerkt.

Kompositie 1972
Neem als voorbeeld het sleutelwerk in niet alleen het oeuvre van Jan Boerman, maar ook binnen de gehele elektronische muziek: Kompositie 1972. Het is verstilde, verfijnde poëzie die ademt en waarin je als het ware kunt wonen als in een evenwichtig Amsterdams grachtenpand van een Vingboons. Er wordt een samenhangend verhaal verteld, dat zich logischerwijze ontvouwt van a naar b, hoe tegenstrijdig dit misschien op grond van de abstracte titel ook moge klinken. In die zin heeft Boerman eens gezegd zich verwant te voelen met niet alleen de dramatiek maar ook de retoriek van Monteverdi.
Onder die bovenlaag gaat bij Boerman een geraffineerde, evenwichtige opbouw schuil – alweer: à la Vingboons! Hierbij is de componist uitgegaan van de gulden snede, die vooral in de romantiek (!) in de belangstelling stond, ter beteugeling van al dan niet heftige gevoelens. De expressiviteit van de romantiek is Boerman overigens niet vreemd, zoals we nog zullen zien.

Dick Raaijmakers
Raaijmakers’ muziek is eerder verwant aan de improvisatiekunst zoals we die uit de jazzmuziek kennen. Hij speelt met geluiden en rijgt ze aan elkaar. Hij moet het hebben van een idee, een inval, een uitgangspunt. Zijn muziek gaat over muziek, over datgene wat achter de klanken verborgen zit, terwijl Boerman uitgaat van autonome, abstracte en pure klanken. Je zou met andere woorden Raaijmakers’ muziek transcendent, verheven boven het aardse kunnen noemen en die van Boerman immanent, geworteld in het aardse.

Boerman en Raaijmakers
Doe ik hiermee nu onrecht aan Raaijmakers’ muziek? In wezen niet meer dan aan die van Boerman, over wiens muziek ik mij evenzeer een persoonlijk beeld heb gevormd. Dat laatste geldt, maar dan op een andere manier, ook voor Raaijmakers. Wat zijn muziek betreft kan ik alleen maar instemmen met verschillende uitlatingen die Kees Polling over zijn werk heeft gedaan. In de VPRO Gids (27 mei 1995) bijvoorbeeld heette het dat Raaijmakers’ kameropera Der Stein uit hetzelfde jaar ‘even afstotend als intrigerend, even rotzooiend als geniaal is’. In Trouw (28 september 1995) hernam Polling dezelfde gevoelens door te schrijven dat wat hem boeit ‘de wisselwerking tussen fascinatie en irritatie en de tegenstelling tussen schoonheid en lelijkheid is’. Zelf heeft Dick Raaijmakers eens, ook tegen Kees Polling (in Muziek en Dans, mei 1984) gezegd te willen dat hij ‘een Jan Boerman was, zeg maar datgene wat hij vertegenwoordigt. Ik zou willen dat ik een loot was van de romantiek, zoals Webern dat toch eigenlijk ook was. Dat ben ik niet. Ik vertegenwoordig daarentegen een soort tragisch element. Het is jammer dat wat ik doe niet uit de romantiek voortkomt’.

Omdat Dick Raaijmakers geen Jan Boerman is, en beiden totaal verschillend zijn, konden ze ook goed met elkaar opschieten en vulden ze elkaar aan, wat niet wil zeggen dat een beperkt persoon, zoals ik, ook op eenzelfde manier door beider muziek wordt aangesproken. Daar is gewoon niets aan te doen.


Deze blog verscheen in iets gewijzigde vorm eerder als een
Kleine Kunstkroniek in Kunst en Wetenschap (jrg. 7 nr. 4, winter 1998-1999). De kroniek wordt hier hernomen in het kader van het Amsterdam Dance Event in de Melkweg (16-20 oktober 2019).

Bruckner als kathedralenbouwer

Bruckner_Ferry Bératon

Op 17 augustus speelt het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniel Harding in het kader van de Robeco Summernights de Vijfde symfonie in Bes van Anton Bruckner (zie afb.). Volgens de Agenda van het Concertgebouw een ‘gedragen en spiritueel’ werk. ‘Aan het eind van Bruckners monumentale tunnel is een straaltje licht.’
T.g.v. deze uitvoering plaats ik hier een gedeelte van een ongepubliceerd artikel dat ik in 1974 schreef.

 

Gigantische kathedralen met illusionistische zuilen en houten beelden – het is volgens André Malraux allemaal ‘propaganda voor de hemel.’ Want in die kathedralen – Augustinus zei: ‘het Rijk Gods op aarde’ – voelde de gotische mens zich opgenomen in een andere, transcendentale werkelijkheid.

Als het waar is, dat kathedralen bemiddelaars naar God zijn, zoals Simone Weil beweerde, dan moet Anton Bruckner ongeveer dezelfde gevoelens hebben gehad als mensen uit de middeleeuwen en de gotiek. Na een grote klankontlading geeft hij de grootst mogelijke intensiteit aan een generale pauze, een moment van algehele stilte die dwingend is. In zo’n stilte moet voor de componist het begrip van een bovenwereldlijke werkelijkheid mogelijk zijn geworden.
Hij had gevonden, waar Gustav Mahler in zijn pogingen om díe stilte te bereiken waarin volgens de pantheïstische mens het transcendentale voelbaar zou moeten worden, faalde. Want ‘Bruckner had God gevonden; Mahler zocht z’n hele leven naar Hem’ (Bruno Walter).

Anton Bruckner had de stilte nodig, zoals hij een op volle toeren spelend symfonieorkest nodig had om zich afhankelijk en klein te voelen, gelijk de kathedralenbezoeker die beschroomd rondloopt in een gebouw dat halfdonker des te mystieker aandoet.
Mystiek niet in de zin van Angelus Silesius (1625-1677), maar eerder in de trant van een beschouwende instelling à la Eckhart, die uiting gaf aan het soort afhankelijkheidsgevoel dat Rudolf Otto ‘creatuurgevoel’ noemde. Dat wil zeggen: het gevoel zelf erg klein te zijn, de behoefte zich weg te cijferen. Iets dat bij Bruckner samenging met de mogelijkheid het het gevoel verantwoordelijkheid te verliezen door zich individualistisch uit de wereld terug te trekken in de natuur. Beide kanten, die van de God-zoekende in de stilte en die van de zich verkleinende mens van stof en as, komen duidelijk in Bruckners werk naar voren.

De verklaring voor Bruckners grote orkesten wordt vaak – overigens niet geheel ten onrechte – gezocht in zijn veel genoemde kinderlijke karakter. Van de behoefte aan schaalvergroting bij kinderlijke mensen bestaan immers genoeg voorbeelden: van het volwassenen declinerende Madurodam tot de reuzenklomp in St. Oedenrode, van Hitlers bekende verlangen een Muttersönchen te mogen blijven tot Richard Wagners zelfbevrijding, en van de oorverdovende klankmassa’s in disco’s tot het volumineuze geluid van heavy metal.

Dit komt mij in verband met Bruckner echter als een simplificatie voor; de verklaring voor zijn zucht naar grootsheid moet eerder worden gezocht in het verlengde van zijn religieuze gevoelens: een klein mens in een grote kathedraal, luisterend naar majestueuze, volgens de componist het treurige in de wereld verklankende koralen.
Een mens ook die zijn God in de natuur dacht te vinden, en dientengevolge veel – gecultiveerde – Ländler-achtige scherzi schreef. Bij Bruckner geen tegenstrijdigheid, maar een eenheid als een tak en een boom. Bruckners missen zijn immers gecamoufleerde symfonieën en de grondstemming van zijn symfonieën die van een mis, zelfs met letterlijke citaten, zoals in het Adagio uit de Tweede symfonie, waarin wordt geciteerd uit het Benedictus uit de Mis in f.

Vanuit die middeleeuws aandoende eenheidsconceptie moet Bruckners muziek worden beluisterd. En vandaar uit kan hij worden gezien als één der laatste middeleeuwers, zoals Kokoschka zich, al dan niet terecht, als één der laatste barokkunstenaars beschouwde.

 

Drieluik uit Leusden (II)

Redon_Art céleste1. Redon en Von Eichendorff
Er is een mooie litho van Odilon Redon: L’art céleste (1894, zie afb.), waarvan een afbeelding lang bij mij in de gang heeft gehangen. Links zeilt een engel met een vedel en een middeleeuwse banderol door de lucht. Rechts luistert een groot, haast transparant hoofd – zonder oren! – toe. Alles samen ademt ‘de glans van het transcendente’ (Peter Sloterdijk) en doet denken aan een gedicht van Joseph von Eichensdorff:

Es war, als hätt’ der Himmel
die Erde still geküsst.

2. De idioot
Op één of andere manier doen de litho en het gedicht mij denken aan De idioot van Dostojevsky, op de manier zoals dat boek de afgelopen week door Leon Heuts werd behandeld tijdens een studieweek bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. De idioot is volgens dezelfde Peter Sloterdijk weliswaar een engel, maar dan zonder de glans van het transcendente. Het is ‘een groot kind, dat nooit geleerd heeft oog te hebben voor zijn eigen voordeel.’ Hij wil de hemel op aarde brengen, maar de wereld kan het niet accepteren.

Het grote kind heeft moeite om uit zijn woorden te komen. Het kan niet de juiste woorden vinden voor een zonsondergang, een grassprietje, ogen die je aankijken. Als hij, volgens Heuts, de woorden er wél voor zou hebben gehad, dan was hij een schuldig kind, zoals de hoofdpersoon in Die Blechtrommel van Günter Grass, die is opgehouden te spreken en alleen nog maar trommelt.

3. Wolfgang Rihm
Op de in de vorige ‘Drieluik’ genoemde cd met Lieder van de Duitse componist Wolfgang Rihm, staan twee composities die dit ‘literaire inzicht’ lijken te verklanken: Zwei Stücke für Gesang (stumm) und Klavier (2007) onder de titel ‘Wortlos’, en het ad libitum waarmee de componist zijn Wölfli-Liederbuch (1980-’81) afsluit: een duet voor twee grote trommen.

Wortlos is geen Lieder ohne Worte, maar bestaat uit twee aan Rihms vriend Peter Sloterdijk opgedragen korte stukken waarin de zanger zich een tekst van de filosoof te binnen moet zingen, moet internaliseren. Zoals Michael Kohlhaas in het gelijknamige boek van Von Kleist, dat Leon Heuts ook behandelde, op het eind een amulet inslikt. Of – om dichter bij huis te blijven – zoals de leden van het strijkkwartet in Luigi Nono’s Fragmente-Stille, an Diotima (1979-1980) een in de partituur opgenomen tekst van Hölderlin innerlijk moeten zingen. Welke tekst, is bij Rihm echter niet aangegeven. Maar ik kan me zomaar voorstellen, dat het de tekst over Dostojevsky uit Du mußt dein Leben ändern is.

Wölffi is, zoals bekend, een Zwitserse ‘idioot’ (1864-1930), die fascinerende tekeningen en teksten maakte. Maar op het eind van Rihms Wölffi-Liederbuch is hij, net als Dostojevsky’s idioot en de kop op de litho van Redon, sprakeloos. Over in-zicht gesproken …

http://www.youtube.com/watch?v=VxgBZy9naLg

Gelijktijdigheid

Rembrandt_Man in oosterse kledingOnlangs boog ik me samen met iemand over een artikel met betrekking tot videokunst. Daarin werd transcendente ‘relikitsch’ (waaronder Bill Viola werd verstaan) geplaatst tegenover aards gebonden kunst (zeg maar van een Fiona Tan, zoals die nu bij de Rabobank in Utrecht valt te zien). Is het wel zo zinnig, dit tegenover elkaar plaatsen?

Ik moest daaraan denken toen ik op dezelfde dag een ‘vertelling’ van Geert Mak hoorde. Hij had het over laatmiddeleeuwse, religieuze schilderijen waarin Bijbelse figuren in de kleding van de middeleeuwen worden afgebeeld. Dat kwam, zei Mak, omdat men toen niet of nauwelijks reisde en nog geen totaal anders geklede mensen kende, zoals Rembrandt later (zie afb.).

Terwijl ik me altijd graag in een theologische duiding van zulke schilderijen als van de Vlaamse primitieven kan vinden: het naar het hier en nu halen, het in de eigen tijd plaatsen, het actueel maken van de Bijbelse boodschap.

Net zoiets valt de St. Walburgiskerk in Zutphen ten deel. Volgens de één maakt de kooromgang een knik, omdat de bewoners van de belendende huizen geen ruimte voor de kerk wilden maken. Letterlijk en wie weet ook wel figuurlijk. Volgens een andere, symbolische uitleg, maakt het koor een knik, omdat het treurt. Een treurend kruis.

Waarom zouden beide gezichtspunten, ofwel naar de hemel gericht (Viola) ofwel meer naar de aarde gericht (Tan), ofwel realistisch ofwel symbolisch, niet samen op kunnen gaan? Wordt de wereld, worden wijzelf daar niet beter van?

Dit idee werd bevestigd door rabbijn Elisa Klapheck. Zij had het tijdens een studiedag over Margarete Susman & Martin Buber (Pardes, 16 juni 2014) over ‘gelijktijdig denken’. Susman heeft daar het fundament voor gelegd. Transcendentie en immanentie gaan gelijk op in de tijd. Als bondgenoten. Daar kan alleen maar vrede van komen. In hoofd en hart. En wie weet in de wereld van alledag.

Tentoonstelling met werk van Fiona Tan, ‘Options & Futures’, in de Rabobank, Croeselaan 18, Utrecht. Tot en met 19 september 2014, op werkdagen van 8.30-18.00 uur.