Met naald en draad

‘June was altijd dol op naaien geweest.
June had naaien als een metafoor voor haar bestaan gezien.
June was vrouw en moeder.
Ze dichtte de zoom tussen haar man en haar kind.
Zij was de kracht die hen samenbracht.’
Karin Slaughter, Ongezien, p. 26.

‘Als ik het tapijt bekijk’, schrijft Clare Hunter in haar boek Levensdraden over het Tapijt van Bayeux, ‘en mijn oog langs de taferelen van koninklijke triomf en militaire verwoesting laat gaan, voel ik dat ik het verhaal in word gezogen’.

Hetzelfde geldt voor haar, in het Nederlands door Willemien Werkman vertaalde boek; ze trekt je meteen het verhaal in: ‘Natuurlijk is het niet echt een tapijt. Het is een borduurwerk. Deze benaming, hoewel verkeerd, verhief het echter boven elke associatie met het vrouwelijke naaldwerk, dat in de eeuwen na zijn ontstaan ernstig aan waardering had ingeboet als kunstvorm’. Je ziet jezelf als lezer niet alleen langs het tapijt schuifelden (hoeveel lezers zullen dit niet hebben gedaan), je krijgt er ook de culturele, sociale en economische context van mee. En de emoties die het tapijt oproepen. Ook negatieve, over het feit dat nergens in het museum wordt ingegaan op de vrouwen die het tapijt borduurden.

In opstand
De schrijver is een Schotse, vrouw én textielkunstenares en –curator, wat het boek een meerwaarde geeft, omdat ze alle (technische) ins en outs letterlijk aan den lijve heeft ondervonden: ‘Ik ontdekte dat de wollen draden weerspannig waren, voortdurend in opstand tegen mijn ruwe huid of een gescheurde nagel. Ze begonnen te pluizen zodra er iets meer van ze werd gevraagd wat meer was dan een eenvoudige steek. Ze verzwakten en braken op de rand van het oog van mijn naald’.

De schrijfstijl van Hunter is op z’n tijd echter ook heerlijk humoristisch. Van Maria Stuart wordt bijvoorbeeld verteld, wat ze allemaal wel niet kwijt raakte. ‘En’, staat er dan, ‘ze raakte haar hoofd kwijt, toen ze in 1587 werd geëxecuteerd’.
Over haar gaat ook een hoofdstuk, want ze was immers ook borduurster. ‘Haar borduurwerk was (…) meer dan afleiding, het was haar autobiografie’. Kijk, zulke dingen maken dit boek spannend.

Ontroerende verhalen
De hoofdstukken over ‘een wereldgeschiedenis door het oog van de naald’, zoals de ondertitel luidt, worden afgewisseld door ontroerende verhalen over bijvoorbeeld bordurende mannen in Leverndal Hospital Glasgow en vrouwelijke krijgsgevangenen in Singapore.

Soms past de auteur daarbij retorische trucs toe, bijvoorbeeld wanneer ze het heeft over een Palestijnse, die ‘ons niet lastig valt met …’, ‘niet hier is om …’ en en passant één kant van het verhaal zo toch vertelt. Van het Nederland in de Tweede Wereldoorlog schetst ze echter wel weer een genuanceerd beeld. Hunt vertelt over iets dat ik niet kende: de zogenaamde ‘rok van het leven’ of ‘bevrijdingsrok’:

‘een patchwork rok, gemaakt van stukjes die betekenis hadden door een persoonlijke link naar een gebeurtenis of persoon uit het verleden. Langs de zoom van elke rok moesten driehoekjes stof worden vastgezet, waarop belangrijke data uit de familie of de politiek worden genaaid. De eerste drie hoek zou de eerste Bevrijdingsdag markeren: 5 mei 1945. Alle rokken zouden worden geregistreerd en een officieel stempel krijgen, en de vrouwen moesten ze dragen bij openbare gelegenheden, trouwerijen en tijdens de vrouwenoptochten op de jaarlijkse Bevrijdingsdag’.

Hieruit blijkt overigens, dat het boek over naaien in de ruimste zin van het woord gaat. In west en oost, noord en zuid. Van de Verenigde Staten tot China, van de Hebriden tot Australië, dwars door volken, geloven en gebruiken, feesten en herdenkingen, koninginnen en arme mensen, ziektes en oorlogen heen.

Levensdraden
Zo zijn het méér dan verhalen over naaien maar met recht levensdraden die geweven worden. Zoals Hunter zelf mensen uitnodigt om een stuk textiel mee te nemen waaraan ze herinneringen bewaren, zo zie ik opeens allerlei naaldwerk in mijn eigen huis: een vogeltje, geborduurd door een tante, een kruis, als geschenk gekregen van een medepatiënt in een herstellingsoord die alle nieuwkomers hiermee begroette.

Straks pak ik het borduren zelf ook nog op, geënthousiasmeerd door dit fraai uitgegeven boek, met enkele fotokaternen. In ieder geval vallen mij opeens enkele aanstaande tentoonstellingen op, zoals De draad kwijt in Museum Hoeksche Waard (vanaf 18 oktober a.s.) en denk ik terug aan eerdere, zoals van Rob Scholte, of aan de geborduurde Oude Kerk van Amsterdam en ga zo maar door. Gothic Gestures (2017) van de Oude Kerk is een doek van 5,50 x 3,80 meter, met daarop de plattegrond van de kerk. Er werd, in het kader van een tentoonstelling met werk van Marinus Boezem, met eenenvijftig vrijwilligers maanden lang aan gewerkt. Naaldkunst is al met al een onderwerp dat méér leeft, dan je je soms bewust bent.

Daarom is het goed dat dit boek in het Nederlands is vertaald. Een boek dat een waardige tegenhanger is van De witte weg dat Edmund de Waal publiceerde over porselein. Minder obsessief en idolaat. Waar De Waal het zocht in het volmaakte, heeft Hunter ook aandacht voor het onvolmaakte. Dat doet je wat.

Het boek verschijnt op 20 augustus a.s.
Uitgeverij Balans zond mij al een recensie-exemplaar.

Clare Hunter: Levensdraden. Een wereldgeschiedenis door het oog van de naald. Ned. vert. Willemien Werkman. Uitgeverij Balans, 2019. ISBN 978 94 638 2002 8, 376 pagina’s, € 24,99

Samen onderweg: religie en kunst

In de jaren tachtig van de vorige eeuw, zo vertelde Everdien Hoek tijdens haar lezing Van provocatie tot inspiratie: kunst en religie in de 21ste eeuw (Helikon, Utrecht, 25 februari 2017), had men het idee dat kunst en religie gescheiden wegen gingen. In de jaren negentig, vervolgde zij, kwam er een andere kijk op: religie is weer terug in de kunst. En – voeg ik daar aan toe – kunst weer in de religie. In beide gevallen vooral in de vorm van spraakmakende tentoonstellingen.

Een paar lopen er nu: Verspijkerd en verzaagd (Noordbrabants Museum, t/m 5 juni a.s.) en Leap of Faith van Joseph Klibansky (tot 14 mei a.s., in Museum De Fundatie). De aparte wegen die kunst en religie gingen, raken elkaar nu c.q. vloeien in elkaar over, aldus Hoek. En daarbij is alles mogelijk: een relatie, commentaar, bespotting of blasfemie. Ook – bleek tijdens haar lezing – in de reacties van de luisteraars, ofwel de bezoekers van deze tentoonstellingen.

Sommige kunstwerken zou je buiten de context van een specifieke tentoonstelling of buiten de kerk niet als religieus geladen ervaren. Pas een titel als Upper Room van Chris Ofili zet je op zo’n spoor. Of Neemt, eet van Jan Tregot, dat nu te zien valt in Den Bosch. Aan dit laatstgenoemde werk ontbreekt het hoofd, wat het volgens Hoek iets universeels geeft.

Als je een bepaald kunstwerk uit de kerk weghaalt, is de vraag: gaat het over kunst of over religie? Ook hier is het enerzijds de titel en anderzijds het universele karakter dat denk ik een werk die dubbele lading mee kan geven. Dat overkwam mij althans bij het kijken naar de schilderijen Onderweg (zie foto rechts boven) en Displaced Persons van Carla Dekker, die momenteel in Podium Oost in Utrecht (waar Helikon de cursussen geeft) valt te zien (t/m 3 maart a.s.). Op het ene schilderij is het een man die een vrouw draagt à la Christophorus. De vrouw heeft dezelfde klompvoeten, waar het moeilijk of onmogelijk op lopen moet zijn, als op het tweede schilderij.

Wellicht gaat deze kunst, of het nu religieus bedoeld is of niet, over grensvlakken, over dat wat er bovenuit gaat, over de ruimte tussen religieuze en seculiere kunst, tussen kunst en religie. Een ruimte die de Stichting Oude Kerk in Amsterdam als geen ander weet te benutten waardoor zo het één (kunst) en het ander (religie) haast lijkt te worden verdubbeld.

Maria Jager vertelde vanmorgen binnen het kader van een kerkdienst in de Oude Kerk één en ander bij het borduurwerk Gothic Gestures dat momenteel deel uitmaakt van de tentoonstelling met werk van Marinus Boezem (tot 26 maart a.s.). Jager maakt zowel deel uit van de Oudekerkgemeente als van de vrijwilligsters die dit borduurwerk in de Sebastiaanskapel vorm geven. Zij borduren, vertelde ze, van beneden naar boven, van de aarde af naar de hemel in de visie van Boezem. Maar ook – ben ik ook hier zo vrij om maar aan te vullen – van boven naar beneden. Dat zou de theologie misschien aan het verhaal van Boezem toevoegen. Hoewel hij dit ongetwijfeld zelf ook zal hebben bedacht, met zijn lift Into the air (zie foto Robert Glas, links boven) in de viering van de kerk. Over grensvlakken, ruimte en verdubbeling gesproken.

https://sites.google.com/view/carladekker/mijn-werk