Deze vrouw

Al eerder blogde ik over De glanzende kiemcel van Simon Vestdijk in verband met drie ochtenden van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) door Wessel ten Boom daarover in de Amsterdamse Thomaskerk. Dat was in algemene zin én in relatie tot het denken van Joh. Huizinga.
Nu over de tweede ochtend in het bijzonder. Een sonnet van E. du Perron, ‘Een vrouw’ (uit:
Parlando, 1941) deed heel wat stof opwaaien. Bij de mannelijke deelnemers op de apenrots in het bijzonder. Ik herkende mijn moeder in het gedicht.
Hoe zit dat nu? Eerst het gedicht zelf, dan de heftige uitleg tijdens de bewuste zaterdagochtend en dan mijn interpretatie.

Een vrouw

Haar smal gelaat, onder de grijze haren,
smal, bleek en moedig, is mij toevluchtsoord,
een blanke koepel, hoog en ongestoord
door ’t dom geraas, de harteloze gebaren.

Het ware onnodig dat zij met één woord,
voor mij alleen, de stilte ging verklaren,
ik ken de droom, die somtijds komt gevaren
diep in haar blik, en éven haar bekoort.

Haar leven ging, zij heeft het niet gegrepen,
en wat haar toeviel, zal zij verder slepen,
met liefde zelfs, met simpelheid vooral.

Want deze vrouw, zozeer een vrouw gebleven,
straalt zacht en warm, voorbij haar eigen leven,
boven de roes en boven het verval.

De mannelijke deelnemers, die steeds uitgelatener werden, vonden het maar een ouderwets gedicht over een passieve vrouw. De psalmzingende vrouw van Nijhoff was de gespreksleider, een predikant, liever. Honing om de mond smeren …
Het zijn interpretaties die, dunkt mij, méér zeggen over onze tijd waarin mannen niet langer geassocieerd willen worden met vermeende vrouwonvriendelijke gedichten. Maar ís het gedicht zo vrouwonvriendelijk?

Het gedicht heet, om te beginnen, ‘Een’ vrouw. Dus niet: ‘De’ vrouw. Volgens Viktor van Vriesland, een vriend van Du Perron, gaat het in Parlando om de moeder van de dichter, die hij mist. Van Vriesland trekt overigens ook een parallel met het werk van Nijhoff, maar dit terzijde.

Voor mij kwam de herkenning vooral na de volta. Een vrouw die, gelijk mijn moeder, het leven niet heeft gegrepen. Niet kón grijpen, getekend door de Tweede Wereldoorlog als zij was. En ik bleek niet bij machte haar ertoe aan te zetten. Dat niet-grijpen heeft niets met seksualiteit te maken, zoals op de apenrots werd betoogd.
Hoe liefdevol zijn de laatste regels. Over een vrouw, die zacht en warm straalt, over de dood heen.

In de recente dichtbundel Hogere natuurkunde (2019) van Ellen Deckwitz, waarover ik ook al eerder blogde, komt een soortgelijk beeld van de ‘Moeder (1952)’ voor, al even zwijgend en stil:

Trommelvliezen van beton,
schouders vol knopen
rug gekromd als een vraagteken,
van het raden naar wat je wordt bespaard
door er niet met je over te praten.

Leef dan
roepen ze

Geniet dan,

                        (Anders is echt alles voor niets geweest kleintje.)

Een kind van de tweede generatie, die moeder, die het klappen van de zweep meekreeg. Mijn moeder was van de eerste generatie, maar elk woord klopt, elk woord past. Zowel die van Du Perron als van Deckwitz. Ouderwets? Nee. Het zijn moeders van alle tijden die aan het leven hebben geleden.

Mooie opvoering van Die Zauberflöte

Er is nog een kans om de mooie opvoering van Mozarts Die Zauberflöte bij De Nationale Opera in Amsterdam te zien – en die is de moeite van het grijpen meer dan waard.
Het is een herneming van de voorstellingsreeks uit 2012 in de regie van de Engelse schrijver en regisseur Simon McBurney. Hij staat bekend om zijn herinterpretatie van klassieke teksten voor Broadway, maar hij heeft het libretto van Emanuel Schikaneder nagenoeg in takt gelaten.

Het is niet zoals Lotte de Beer die het libretto wilde ontdoen van vrouwonvriendelijke, seksistisch en/of racistische uitingen. Het was de dramaturgie (McBurney samen met Klaus Bertisch) die zijn werk deed en vaak tot gelach uit de zaal aanleiding gaf; iedereen snapte de toespelingen en that sit.

Ook in de vormgeving waren sommige personages soms omgekeerd, wat tot denken aanzette. Neem bijvoorbeeld Monostatos, de moor bij Schikaneder/Mozart, hier gezongen door de Oostenrijkse karaktertenor Wolfgang Ablinger-Sperrhacke. Een witte zanger, gekleed in een keurig pak. Gaandeweg de voorstelling  veranderde hij in een monster.

Ook de koningin van de nacht, de Armeense sopraan Nina Minasyan, liet haar karakter groeien. Van een ingetogen begin tot de beroemde/beruchte aria die haar wat moeite kostte, maar dat viel weg tegen de mooie opbouw van haar karakter.

Omgekeerd waren ook de rollen van de drie knapen (spat zuiver zingende solisten van het jongenskoor van de Chorakademie Dortmund) en de drie dames (Judith van Wanroij, Rosanne van Sandwijk en Helene Rasker). De knaapjes waren namelijk drie oude heertjes met wandelstokken geworden. Zó oud, dat hun ribbenkast te zien was en ze op sterven na dood leken. De drie dames waren jonge dames die steeds meer sexy gekleed gingen doordat ze zich ontdeden van hun camouflagepakken. De kostuums waren overigens van Nicky Gillibrand.

Een vondst waren ook de acteurs van Complicite uit Londen (het gezelschap van McBurney) die klapwiekende vogels nadeden door met gevouwen witte A4-tjes te klapperen, daarbij soms de solisten tot zeer dichtbij naderend.

Fluitist Hanspeter Spannring mocht zijn solo op de bühne spelen, net als de Glockenspiel-bespeler Jan-Paul Grijpink. Aparte vermelding verdient ook fagottiste Margreet Bongers, die de klank van het Nederlands Kamerorkest onder leiding van Antonello Manacorda (chef-dirigent van Het Gelders Orkest) prachtig kleurde. Opvallend waren de soms lage tempi die werden genomen, maar vanaf de ouverture was al duidelijk dat hier iets moois ging gebeuren. Niet in de laatste plaats ook door de geestige videobeelden van Finn Ross, de geluidseffecten van Gareth Fry en het effectieve decor van Michael Levine. Gaat dat (nog) zien!

 

In mijn boekje Dialoog in muziek ga ik in een hoofdstuk over Die Zauberflöte uitvoerig in op de achtergronden van deze opera (p. 33-38).