Zin en samenhang (I)

Begin september bezocht ik samen met een vriendin en een reisgezelschap de Biënnale Arte in Venetië; ik blogde er al over (Twee paar handen).
In de boekwinkel van Giardini kocht ik de tweetalige dichtbundel Vita e opinioni di DJ Spinoza (The Life and Opinions of DJ Spinoza) van Eugene Ostashevsky (Companatto Editore Poesia, zie afb. links). Dat kon niet missen, voor een Spinoza-liefhebber, zeker omdat ik een eerdere uitgave, waarover Stan Verdult in 2009 blogde, had gemist.

Thuis gekomen, las ik een aankondiging van de tentoonstelling Spinoza in Beeld Vertaald in de Amsterdamse Oranjekerk (nog t/m 8 december a.s.). Deze tentoonstelling was eerder, in uitgebreidere vorm, te zien geweest onder de titel Marrano of Reason in de Amstelkerk en het Plein van Siena, ook in Amsterdam. Toen had ik hem door omstandigheden gemist (https://bdespinoza.blogspot.com/search?q=Amstelkerk).

Met genoemd boekje op zak toog ik naar de Oranjekerk en maakte er een leuk uurtje van, vol zin en samenhang. Net als in Twee paar handen ontstond een gesprek: tussen het boekje, enkele kunstwerken in het bijzonder en mijzelf als lezer/beschouwer. In een paar blogs zal ik achtereenvolgens op een paar kunstwerken van internationale hedendaagse kunstenaars ingaan.
Om te beginnen Billha Zussmanns Upper Last Supper, in relatie tot het laatste gedicht, Remember the Cogito van Ostashevsky.

Zussmann – tevens curator van de tentoonstelling in de Oranjekerk – maakte een installatie op een tafel die eruit ziet als een landschap. Er liggen zeven op, ‘symbool van de geschiedenis (…), van scheiden tussen goed en kwaad, het goede bewaren en wat overbodig is, doorzeven …’, aldus een omschrijving in Kerk in Mokum (september 2019).
Helemaal links (zie foto rechtsboven, EvS) ligt (de op één na meest linkse) een zeef waaraan op het eerste gezicht nog een prijskaartje hangt. ‘Hineni’ staat erop, ‘Hier ben ik’. Volgens een A4tje in plastic, dat aan een tafelpoot is bevestigd, zou hieraan de naam van Gerard Vroom verbonden zijn. Hoe het ook zij, dit onderdeel brengt mij om te beginnen naar het gedicht van Ostashevsky, waarvan ik hier een gedeelte in eigen vertaling weergeef:

De HERE God sprak nu tot DJ Spinoza,
Baruch, ben je daar?

En DJ Spinoza antwoordde tot de HERE God, Hier ben ik!

God: Baruch, wat zegt het je dat je mijn spiegel bent?

DJ Spinoza: Spiegel? Maar God achterstevoren gespeld wordt dog!

GOD: Wees niet zo letterlijk.
Vertel me iets moois
over mezelf, vertel me dat Ik besta.

DJS: U bestaat.

God: Nee, zeg het alsof je het meent.

Het gedicht verwijst naar de mens, geschapen naar Gods evenbeeld, de zeef met materie naar Deus sive Natura (God of de Natuur). Het verwarrende is de Avondmaalstafel (Upper Last Supper) waarop alles is uitgestald, in symbolische (brood van de hemel en wijn van het Koninkrijk) of letterlijke zin (het lichaam van Christus). Een theoloog die ik raadpleegde, adviseerde mij dit alles bij wijze van spreken toch maar net zo letterlijk te nemen als in het gedicht, zoals we straks zullen zien, – het als een ‘kunstgreep’ te zien en me verre te houden van een interpretatie van de presentie realis.

Omdat het idee er naar mijn idee toch wat langs schuurt, sluit ik af met het slot van het gedicht van Ostashevsky:

Nu zegt de HERE God tot DJ Spinoza, Baruch!

En DJ Spinoza antwoordt tot de HERE God, Hier ben ik!

God: Ben je daar zeker van? Ik bedoel, je argument bestaat niet louter uit woorden toch? Slaat het echt ergens op?

DJ Spinoza: In zoverre alles ergens op slaat.

God: Maar niets slaat echt ergens op. Slaat het woord hond op honden?[1]

God: Nou?

DJ Spinoza: Ik kan het niet zeggen. Zullen we het uitproberen? (DJ Spinoza loopt naar Yasha.) Yasha! Yasha! (Yasha wordt wakker.) Yasha, hond! Hond, Yasha! Yasha, hond! (Yasha kijkt niets begrijpend op.)

God: Zie je?

[1] Het palindroom God – dog gaat nu verloren.

Hineni – Jozef en zijn broers (I)

Hermann Ebers – Joseph wird in den Brunnen geworfen (1922)

Ter voorbereiding op de cursus Thomas Mann: Jozef en zijn broers ben ik begonnen deze vierdelige romancyclus te lezen. Gelukkig bestaat er van dit magnum opus van 1328 pagina’s, geschreven tussen 1933-1943, inmiddels een Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann. ‘Het is een project’ om dit te lezen, zoals degene zei die mij in 2006 op het spoor van de Duitse grootmeester zette; het jaar waarin ik maar meteen Manns woning in Lübeck bezocht. Telkens wanneer ik een deel uit de cyclus uit heb, zal ik in een blog één element eruit weergeven dat mij in het bijzonder heeft geraakt. Hierbij de eerste, naar aanleiding van De verhalen van Jaäkob.

In het programma waarin bovengenoemde cursus door Michiel Hagdorn bij de HOVO in Amsterdam wordt aangekondigd, wordt de romancyclus onder meer geplaatst tegen de achtergrond van ‘Manns tijdsomstandigheden: nazi-ideologie, “Exil”.’ Dat is hoe ik er nu ook tegenaan kijk, maar de roman is zó rijk dat andere invalshoeken er gaandeweg er zeker aan toegevoegd zullen worden. Alleen de titel van de cursus (Een ironische mensheidsmythe in romanvorm) geeft al een ander spoor aan, net als het essay dat vertaler Thijs Pollmann destijds in de Gids schreef (nr. 4/2015): ‘De kuisheid wint. Het waarom van de Jozef-romans van Thomas Mann.’

Het ene element dat ik na lezing van het eerste deel hier uit wil lichten, is gelegen in één woordje dat in het Bijbelse verhaal over Jozef meermalen terugkomt: het Hebreeuwse hineni. Gerard van Broekhuizen heeft vertaald met onvoorwaardelijk beschikbaar, in verantwoordelijkheid. Elders vond ik ook dat het moet worden gelezen als een verklaring om een radicale keuze te maken.

In de Nederlandse vertaling van Mann komt het twee keer (vertaald) voor. Ik geef de context: ‘Uit de richting van de heuvel en van de huizen werd zijn naam geroepen: “Jozef! Jozef!, twee, drie keer, van een afstand die steeds kleiner werd. De derde keer hoorde hij de roep, gaf in elk geval bij de derde keer toe dat hij hem gehoord had en maakte zich los uit zijn toestand, terwijl hij “hier ben ik” [hineni] prevelde’ (p. 71). En de tweede keer: ‘Hij mompelde de vaste formule der gehoorzaamheid: “Hier ben ik”.’

Dat wil volgens Levinas, die Van Broekhuizen citeert, zeggen: ‘Wezenlijk: het appèl van God verstaan/horen. Daarom is er altijd hineni.’ Waarop Van Broekhuizen concludeert: ‘Zou houdt de mens die ‘hier ben ik’ kan zeggen, de geschiedenis gaande. Omdat hij – anders dan Adam – een antwoord heeft op de vraag ‘waar ben je?’.
Een antwoord zou móeten hebben, zou ik willen zeggen. Of zoals Huub Oosterhuis aan het slot van het gedicht Kerstmis 2016 dat hij voor Trouw schreef dichtte:

Kerstmis is twee- of driemaal
niet te tellen naamloos velen
die ‘hier ben ik’ zijn
en doen wat moet gedaan.

http://www.tijdschriftschrift.nl/index.php/downloads/naschriften/66-naschrift-256-hier-ben-ik/file