Een waardeloze Psalm of een Psalm van waarde

Het is bijna alweer een nieuwe maand en de nieuwsbrieven en nieuwe nummers van tijdschriften komen al binnen. Twee vullen elkaar onbedoeld aan, want behalve dat ze van een kerkelijke gemeenschap komen staan ze los van elkaar. De een uit Zuid, de ander uit Noord. Of het zou moeten zijn dat het alle twee om een overdenking c.q. meditatie rond de Bijbelse Psalmen gaan.

De eerste was even schrikken. De opening van het ultrakorte stukje luidde: ‘Het hoge woord moet er maar meteen uit: dit is een waardeloze psalm’ [het gaat om nr. 45, EvS]. Wat nog iets anders is dan een ‘anti-psalm’. Zo, die zit. Het zou om ‘theologie op zijn smalst’ gaan, al staan er halverwege in de Psalm wat woorden die verrassen: trouw, rechtvaardigheid en gerechtigheid. De rest is allemaal klatergoud – woorden van gelijke strekking die ik ook in een recensie van een landelijk dagblad over ArtZuid tegenkwam, die momenteel in het rijke Amsterdam (Oud-)Zuid is te zien. Maar voor allebei, de kunstwerken aan de lommerrijke lanen én de Psalm, geldt: daaronder ‘zit toch een messiaans verlangen’. Dat was item één.

De meditatie uit het andere eind van de stad gaat over één zin uit de Psalmen 33, 96, 98 en 149: ‘Zing voor de Heer een nieuw lied’. De auteur van dit wat grotere stuk schrijft voorts dat ze hoe langer hoe meer gelooft dat het Exodusverhaal ‘ook een verhaal is waarin een mens zijn eigen levensverhaal, onderweg naar het Koninkrijk, kan spiegelen’.

Er zijn theologen die menen dat je, in ieder geval in de Psalmen, niet je eigen levensverhaal mag leggen of teruglezen, maar dat geldt niet voor de Exodusverhalen die ook in bijvoorbeeld de bevrijdingstheologie leidend zijn (geweest).
Als je de Bijbel ook (en volgens sommigen vooral) als literatuur leest, dan zou je je kunnen afvragen of met name de Psalmen op een andere manier iets te zeggen hebben: geen holle clichés, zoals de eerste auteur erin las, die ‘het bestaande en de bestaande verhoudingen’ beschrijven en bevestigen, die van macht en machtswellust. Want: zou die schone dochter die wordt geprezen, ook niet pars pro toto kunnen staan voor de dochters Sion? En die koning voor God? Het zijn maar vragen. Vragen die in ieder geval een ander licht zouden kunnen werpen op die ‘waardeloze psalm’.

Zoals een gouden beeld van Jan Fabre op de route van ArtZuid (zie foto hierboven, Els van Swol). Ik kende het al uit de tuin van het Guido Gezelle Museum in Brugge. Een man (Fabre zelf) beschermt het spaarzame vuur. Spaarzaam licht, een klein vuurtje als de drie kernwoorden uit Psalm 45. Maar wel licht dat schijnt en een vuurtje dat we brandend moeten houden. Misschien genoeg om mee te leven en daarom alleen al is de Psalm denk ik niet waardeloos maar van grote waarde.

De harde kern

In de huizen van enkele van mijn neven en nichten staan stukken glaswerk. Gekregen van hun tante Bep. Geen frutsels, maar mooi glas, met smaak uitgezocht. Een blauwe vaas, een groene, ga zo maar door. Mijn moeder was gek op glas.

Glas heeft, net als ieder mens, twee kanten, als in Jantje, weet je hoe je moet fluiten?, een kunstwerk van Jan Fabre (1982, DEWEER, galerie in Otegem): het is kwetsbaar en gevoelig, maar tegelijk kan het ook verwonden.

Glas  kan ook symbool staan voor verdriet, zoals in het werk van de Zweedse toneelschrijver Lars Norén. Het huiskamerstuk Demonen van hem werd eens opgevoerd in een glazen decor, dat een gestolde traan verbeeldde.

Dat van die traan kan ik me voorstellen, en dat ‘ie op het toneel als decor gestold moet zijn ook. Maar na het zien van een prachtig, kort filmpje (‘Moving Glass’) over de glasblazer Bibi Smit denk ik daar toch anders over. Glas moet, volgens haar, beweging uitdrukken, ook hier in de dubbele betekenis van het woord: bij de makers ervan en bij de kijker ernaar die erdoor wordt bewogen, ontroerd. Dat doet haar werk, en ook de muziek die Wiek Hijmans voor dat filmpje componeerde en die zelf speelde, op elektrische gitaar.

Het instrument dat misschien bij uitstek kan uitdrukken dat glas warm kan zijn als de zon erop schijnt, maar ook koud als ijs. Het kan, als de glasblazer zijn kunst tot in de finesses beheerst, zoals Bibi Smit, fraai van vorm zijn maar ook bewust lelijk gehouden. Van glas kun je genieten, als gebruiksvoorwerp, zoals de Delta-vaas van Mart van Schijndel, of als kunstwerk. Zoals een glasobject met een ingeblazen spiraal uit de collectie van mijn moeder (zie foto; klik erop om hem groot in beeld te zien). De ziel zit binnenin, afgeschermd tegen aanraking. Alleen het licht valt binnen. Door de zon gebroken als een regenboog, als in de Venustrechter van Rebecca Horn, vanaf 1987 bij de ingang van het Gemeentemuseum Arnhem: glas, staal, verguld koper en gedistilleerd water. Het effect laat zich raden. Elke keer weer als je het ziet en het je beweegt.

https://vimeo.com/263327019

 

De naaste aan tafel

Katerina Belkina_Late SupperDeze foto van Katerina Belkina heet Late Supper – maar één letter verschil met Last Supper. Maaltijd en laatste avondmaal. De titel geeft meer dan de iconologie aanleiding om beide, maaltijd en laatste avondmaal, in elkaars verlengde te zien. Net als in het gedicht De disgenoten van Ida Gerhardt:

 

Het simpele gerei,
het brood, dat is gesneden,
de stilte, de gebeden –
Want de avond is nabij.

Uit tranen en uit pijn
dit samenzijn verkregen:
bij sober brood de zegen
twee in ùw naam te zijn.

Waar aan de witte dis
uw teken wordt beleden
verschijnt Gij – : ‘ zij vrede.’
gij Brood – gij Wijn – gij Vis.

De sfeer die van de foto uitgaat, is er inderdaad één van vrede, van gemoedsrust ook. Het zijn beide handen die het hem doen; net niet helemaal gevouwen, als in een gebed, maar rustend op de houten tafel. Het is geen gemoedsrust in de stoïcijnse, voor alles passieve betekenis van het woord (apatheia), maar in de manier waarop Spinoza het woord opvatte: als een activiteit mede. Nog even en de handen gaan over in ofwel een gebedshouding, of in het breken van het brood. De tafel is bereid.

Het is zoals de Belgische kunstenaar Jan Fabre het in een interview voor Canvas omschreef, namelijk dat hij alleen maar vanuit ‘gelukzaligheid’ (bij Spinoza synoniem voor gemoedsrust) kan werken, communiceren en medewerkers inspireren. Alleen maar uit gelukzaligheid kunnen eten en drinken kan niet als je er geen weet van hebt dat je hand in de wereld méér te doen geeft dan alleen dat. In de opdracht het brood voor elkaar te breken.

Aan deze tafel is geen disgenoot zichtbaar. Maar er ligt wel een vork, dat simpele gerei,  klaar – om het aloude joodse verhaal over het verschil tussen hemel en hel bewaarheid te laten worden. In de hel zitten mensen met gestrekte armen die niet kunnen buigen. Zij kunnen het eten zo niet naar hun mond brengen. In de hemel zitten weliswaar ook mensen met gestrekte armen, maar zij worden geholpen door degene die naast hen zit. Het woord ‘naast’ krijgt zo een diepere betekenis, gelijk de maaltijd op deze foto in Gallerie Zakirova (Heusden aan de Maas).

De vooorjaarstentoonstelling in deze gallerie, ter begeleiding van Bachs Matthäus Passion, is tot en met 27 maart 2016 te bezichtigen. 

www.Zakirova.com

De waarheid zien

Perceval_FRONTHet begon in 1975, bijna veertig jaar geleden alweer. Ik was met vakantie in Brugge en had te weinig boeken meegenomen; e-readers bestonden nog niet. In een boekwinkel schafte ik de pocket Vlaamse verhalen van deze tijd aan en was verkocht. Tot op de dag van vandaag houd ik nog steeds bij wat er aan nieuwe Vlaamse verhalen wordt geschreven, met als nieuwste aanwinst de bundel Print is dead met die schitterende bijdrage van de jonge schrijfster Sarah De Mul: ‘Onze-Lieve-Vrouwe’ dat je kunt blijven herlezen (zie elders op deze website).
Maar het is niet bij deze twee boeken, en ook niet bij het Vlaamse verhaal gebleven. De kennismaking smaakte naar meer.

Literatuur, muziek (Philippe Herreweghe en Jos van Immerseel, om maar twee namen te noemen), beeldende kunst, film (La cinquième saison!), toneel en ballet.
Naar het Kröller-Müller Museum om beeldend werk van Jan Fabre te zien, naar Arnhem om Jan Declair eens in levende lijve te zien optreden, naar Rotterdam voor een muziekvoorstelling van Guy Cassiers … Ik deed het allemaal, maar het hoeft steeds minder, want de Vlamingen komen vaker naar Amsterdam.

Die andere Jan, Jan Decorte, zag ik voor ’t eerst in Frascati, producties van Anne Terese De Keersemaeker heb ik in de Amsterdamse Stadsschouwburg leren kennen. En ook toen was ik weer verkocht en gewonnen voor het tot dan toe bij mij braak liggende terrein van ballet. Er is inmiddels geen schouwburg meer ‘waar zoveel Vlaams theater te zien is’, schrijft An Cardoen in het Schouwburg Journaal (september-december 2014) van de Stadsschouwburg Amsterdam. En daar ben ik blij mee!

Blijft wel de vraag waar ik me extra op verheug komend seizoen. En natuurlijk waarom eigenlijk: wat hebben die Vlamingen, wat doen die ‘Vlaamse meesters (m/v)’ toch met me?

Vreemd genoeg heb ik nog nooit iets van de oudere regisseur Luk Perceval (1957) gezien. Zelfs Shakespeares Hamlet (Thalia Theater) niet, terwijl je me toch rustig een Shakespearegek mag noemen. De kans om in oktober FRONT (zie afb.) te kunnen zien, een voorstelling over de Eerste Wereldoorlog, is een mooi vooruitzicht.

Wat voor ‘typisch Vlaams’ verwacht ik daar dan aan te treffen, of liever: als meerwaarde erbij te krijgen?
Volgens hetzelfde Schouwburg Journaal heeft dagblad Trouw Percevals werk als volgt ingeleid: ‘In het theater laten we het ons nog toe de waarheid in de ogen te kijken’. Volgens De Morgen is hij ‘een ziener. Een man met een visie die stukken zorgvuldig kiest en ze samen met zijn ploeg kneedt tot de tekst larger than life wordt’.

De waarheid, een ziener. Misschien is dat de sleutel. Ik zie, als op een oud schilderij van een Vlaamse meester, een kamer voor me met halverwege een half weggeschoven gordijn. Daarachter is nog een deel van de kamer te zien. Het zou behalve een kamer, een huis- of een slaapkamer, ook een toneelvloer kunnen zijn, met halverwege (nog) een gordijn.Wat zich daarachter afspeelt is een andere werkelijkheid. Een waarheid, die mensen als De Perceval ons als een ziener willen tonen.

De soms mystieke, dan weer op de actualiteit geënte extra gelaagdheid die zo opdoemt, is kenmerkend vanaf de schilderijen van de Vlaamse primitieven uit de middeleeuwen tot het werk van de jongste garde. Of zouden die verschillende lagen niet gewoon twee kanten van dezelfde medaille zijn, die in je beleving tot een grootse eenheid samensmelten?
Komend seizoen krijgen we veel kansen om hier een antwoord op te zoeken. Onder andere in FRONT. En in Kunsthal Kade in Amersfoort, waar zanger en kunstverzamelaar Tom Barman (van de Vlaamse band dEUS) een tentoonstelling over een eeuw Belgische kunst mocht inrichten. Kunst die volgens hem wordt gekenmerkt door ingetogenheid, bescheidenheid en absurdisme. Dat zou allemaal wel eens kunnen kloppen.

De Vierkantige Rechthoek – Tom Barman ziet alle hoeken van een eeuw Belgische kunst. 28 september 2014 t/m 4 januari 2015, Kunsthal Kade, Eemplein 77, Amersfoort.

Een glazen kind

TagliapietraIn de huizen van enkele van mijn neven en nichten staan stukken glaswerk. Gekregen van hun tante Bep. Geen frutsels, maar mooi glas, met smaak uitgezocht. Een blauwe vaas, een groene, ga zo maar door.
Moeder was gek op glas – enkele stukken, niet de complexiteit die een Louis le Roy erin aanbracht, de man die in Leeuwarden rondom een kerk (later ook in gebruik als buurthuis) in Bilgaard een ecoplantsoen aanlegde. Vader bewonderde het.

 

Moeder hield behalve van glas ook van keramiek. Dat is tekenend voor haar. Ik denk aan de omschrijving ‘keramiek straalt rust uit’ van Armando en de eerste regels van het gedicht ‘Vaas’ van Peter Verhelst:

Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?

Ga maar na. Glas heeft twee kanten, als in Jantje, weet je hoe je moet fluiten?, een kunstwerk van Jan Fabre (1982, DEWEER, galerie in Otegem): het is kwetsbaar en gevoelig, maar tegelijk kan het ook verwonden,

en barsten schoten in de spiegelruit
tot hij versplinterde en wij ons sneden

aan het glas, en het verdriet om het leven dat uiteen valt, zoals Pieter Boskma dichtte.

Glas kan ook warm zijn als de zon erop schijnt en koud als ijs. Het kan, als de glasblazer zijn kunst tot in de finesses beheerst, fraai van vorm zijn maar ook bewust lelijk gehouden. Van glas kun je genieten, op zich, als kunstwerk of als gebruiksvoorwerp, zoals de Delta-vaas van Mart van Schijndel. Het is ook een metafoor.
Zoals het glasobject met de ingeblazen spiraal. De ziel zit binnenin, afgeschermd tegen aanraking. Alleen het licht valt binnen. Door de zon gebroken als een regenboog, als in de Venustrechter van Rebecca Horn, vanaf 1987 bij de ingang van het Gemeentemuseum Arnhem: glas, staal, verguld koper en gedistilleerd water. Het effect laat zich raden. Wij bezochten dit museum met zijn drieën jaarlijks, maar het kunstwerk heeft moeder niet gekend.
Een metafoor dus – zoals Jan Emmens eens dichtte: ‘Ik ben een glazen kind.’ Hij bedoelde daarmee dat niemand hem zag, en ook niemand hem zag zitten. Het zijn woorden die moeder zo in de mond had kunnen nemen. Maar ze wilde zichzelf óók onzichtbaar maken, gelijk Zacheüs in de boom.

Een gevoelige, jonge vrouw die angst had dat je net zoals bij glas dwars door haar heen kon kijken. Om dat te voorkomen, kroop ze als kind onder tafel of vluchtte op de eerste zondag van de maand, wanneer haar getrouwde zus en broers met aanhang op bezoek kwamen, wellicht om hun (schoon)ouders financieel te ondersteunen, naar haar kamer. De schoonzussen namen haar dat kwalijk, de broers en oudste zuster niet. Die namen haar zoals ze was.
Zij kenden ook moeders andere kant: die als gezegd net als glas kan verwonden, ook zichzelf,

om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan,

aldus de slotzinnen van het eerder geciteerde gedicht van Verhelst.

Ik heb de glasverzameling geërfd. Van de cactuspot tot de bloempot Provista, het vaasje met craquelé en het Beatrixvaasje van Copier tot hedendaags Finse massaproducties. Maar wat mij het meest dierbaar is, zijn twee gewone glazen kopjes van Arcoroc (Frankrijk), omdat moeders lippen daaraan hebben gestaan.

Zowel ingekort als uitgewerkt gedeelte van een hoofdstuk uit ‘Ogen van mijn moeder’ (http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=2689), hier herplaatst n.a.v. de glasaanwinsten die vanaf 22 november 2013 in het Gemeentemuseum Den Haag te zien zijn (zie afb.: een stuk van Lino Tagliapietra).

 

De sensibiliteit van het lichaam

Jan Fabre_SchildpadIn een bijdrage aan de rubriek Kijken in De Groene Amsterdammer (14 september 2012) schreef Rudi Fuchs, oud-directeur van onder meer het Stedelijk Museum in Amsterdam, niet alleen over goed kijken, maar geeft hij er ook blijk van goed te kunnen luisteren.

 

De aanleiding was de performance van een werk van de veelzijdige Vlaamse kunstenaar Jan Fabre in de Amsterdamse Nieuwe Kerk: Preparatio mortis. Componist/organist Bernard Foccroulle bespeelt het orgel: ‘donker ruisend van toon, soms schril fluitend’, aldus Fuchs. Onder een tombe van bloemen komt een vrouw vandaan. Na verloop van tijd wordt zij een danseres (Lisa May).

Met deze geluiden en beelden in zijn oren en op zijn netvlies, kijkt Fuchs vervolgens anders naar het praalgraf van Michiel de Ruyter, in dezelfde kerk, op de plaats waar in vroeger, rooms-katholieke tijden het hoogaltaar stond.

Iets soortgelijks verging mij toen ik de tentoonstelling bezocht van Kerkmeester 2012, Jan Fabre dus (31 augustus-30 september 2012). Ik hoorde, voor ik wat zag, de klanken van wapengekletter en een kreunende, vechtende man, als was Michiel de Ruyter weer tot leven gekomen. Toen ik de kooromgang, om de graftombe heen inliep, zag ik dat het geluid kwam uit 11 videoschermen waarop Fabre’s Lancelot (2004) viel te zien. En te horen.

Het is Fabre zelf, geharnast, die vecht. Tegen zichzelf.
Waar hebben we dit harnas in zijn werk eerder gezien? Als schildjes van kevers, bij de schildpad die lang aan de Amsterdamse Apollolaan heeft gestaan (zie foto). Misschien zelfs al in de vorm van de jas van De man die vuur geeft in de tuin van het Gezellemuseum in Brugge; het eerste werk van Fabre dat ik ooit zag en dat direct indruk maakte.

Dwaalde Fuchs’ kunstzinnige associaties af naar de tombe van Michiel de Ruyter, mij deden vorm en inhoud van Lancelot denken aan de brace of een korset van een scoliosepatiënt. Net zo beschermend als het schild van een kever en een schildpad, als de jas van de man in het museum in Brugge.

Maar ook net zo kwetsbaarheid makend, zoals de kunst van Fabre. Zijn werk hangt ‘aan elkaar vast’ en je kan ‘de verzameling (…) slechts zien (…) als een uitdrukking (…) van een sensibiliteit. [1]

Die sensibiliteit betreft voor alles het lichaam. ‘Het lichaam van de spieren, van de inspanning en de concentratie, van de wil.’ [2] Niet dat van een door ziekte overvallen lichaam, maar van een lichaam dat vecht voor behoud, kopje onder gaat en weer boven komt, zoals onder en uit de bloemenpracht van Preparatio mortis.

Fabre betrekt onze fysieke kwetsbaarheid ook in zijn video. In wezen duurt elk scherm maar 8 minuten. Maar vermenigvuldig het met 11 (bijna het aantal van een statie in een rooms-katholieke kerk), en het levert voor rugpatiënten een al even pijnlijke ervaring op van lang staan als het getoonde gevecht van Lancelot/Fabre. Kunst en werkelijkheid lopen zo in elkaar over.

Dat zal vast ook het geval zijn in het muziektheaterstuk Tragedy of a Friendship waarin Fabre samenwerkt met auteur Stefan Hertmans en componist Moritz Eggert (15 en 16 juni 2013, Stadsschouwburg Amsterdam).
Ik ben alleen benieuwd of er door alle geweld die recensenten ons beloven, er plaats is voor de troost die uit het werk van Fabre ken. In de traditie van de Vlaamse kunst die ook een meesterwerk als De kreupelen (1568) van Pieter Bruegel de Oude voorbracht (Louvre, Parijs): confronterend, dat wel. Maar Fabre en Bruegel maken je ook rijker. En daar gaat het uiteindelijk om.

Deze blog verscheen eerder als column in Wervelingen, lente 2013, p. 27.


[1] Bart Verschaffel in: Een god is vele dieren; essays over het werk van Jan Fabre (1988-2010). Uitg. Meulenhoff/Manteau, 2012, p. 27 (ISBN 9 789085 422471).

[2] Idem,  p. 30.