Stop Filming Us

Omdat ik dacht iets op het spoor te zijn, dook ik in mijn archiefje met knipsels over de Afrikaanse filosofie en sociologie en begon ze te herlezen. Een recensie over het boek Socrates en Òrúnmìlà van Sophie Bósèdé Olúwolé, een interview met de Nigeriaanse socioloog Oyèrónké Oyewùmí.
Oléwolé ontzenuwt het idee dat er voor het koloniale tijdperk geen Afrikaanse filosofie zou hebben bestaan (dat idee is een overblijfsel van een koloniale ideologie) en plaatst het complementair-dualistisch denken (en-of) tegenover het Westerse dualisme (of-of), ervan uitgaande dat alles zowel uit materie als ideeën bestaat.
Oyewùmí stelt zich teweer tegen het idee dat haar cultuur door het Westen geciviliseerd zou moeten worden. In sommige opzichten, bijvoorbeeld ten aanzien van genderissues, is het Afrikaanse denken volgens haar juist verder dan het Westerse denken. Niet voor niets luidt de ondertitel van Oléwolé’s boek Wat we van Afrikaanse filosofie kunnen leren.

Hoe moeizaam dat leren gaat, bleek mij later op de dag toen ik op Picl Jan Postema’s film Stop Filming Us bekeek. Hierbij nam ik mee, wat ik ’s ochtends in de knipsels over Afrikaanse filosofie en sociologie had gelezen en eruit had opgestoken. Knipsels die niet hadden geleid tot een antwoord op de vraag waar ik naar op zoek was, maar die zo wel in een ander kader van nut bleken te zijn.

Een schokkende scène is  bijvoorbeeld die waarin filmer Bernadette Vivuya in het kantoor zit van het Institute Français in Goma. Op een gegeven moment vraagt de employé van het instituut of ze een computer heeft. Vivuya blijft beleefd, maar als kijker bevangt je plaatsvervangende schaamte.

Nog een schokkende scène. Een zwarte filmster filmt in opdracht de ellende (ebola, onlusten) van Congo. Op haar vraag waarom ze dit doet, antwoordt ze, dat ze dat dit gewoon haar opdracht is, maar dat ze het niet met een eenzijdige Westerse blik doet. Ze zal nooit een hongerig, naakt kind in beeld brengen. ‘Ik laat dingen en mensen in hun waarde’, zegt ze. Het blijft haken, dat woordje ‘dingen’ en in mijn gedachten komt het idee van Olúwolé op, dat er zowel materie als ideeën bestaan die allebei hun waarde hebben.

En een beeld tot slot, van Postema zelf. Hij hangt uit een autoraam en geeft wat kinderen die om de auto hangen een koekje. Zijn geluidsman spreekt hem erop aan: ‘Heb je ook aan de kinderen gevraagd of ze dit wel lusten?’ Postema antwoordt eenvoudig: ‘Nee’, zonder door te hebben waar het eigenlijk om draait.

Postema lijkt niet in staat echt diep te graven en zichzelf te bevragen, maar ondanks dat stelt deze film door zijn ogen, zijn verbijstering soms, en ook door de opmerkingen en de kijk van de mensen die hij filmt al genoeg vragen aan ons, kijkers. In die zin is het een film die lang nawerkt, net als de boeken van Olúwolé en Oyewùmí, en oproept tot zelfreflectie.

Leo Boudewijns – Marskramer van de muze

Marskramer van de muze / Leo Boudewijns. – [Baarn] : Prominent, [2017]. – 306 pagina’s : illustraties
; 21 cm. – Met bibliografie. ISBN 978-94-923951-5-3

Leo Boudewijns (1931), die verschillende functies in de nationale en internationale fonografische industrie vervulde en ruim dertig boeken over muziek op zijn naam heeft staan, beschrijft in dit boek de ontwikkeling van zijn muzieksmaak. Hij groeide op in een
arbeidersgezin in Amsterdam-Oost – waarover hij eerder Een kind van rijke ouders publiceerde – waar onder meer naar operettes werd geluisterd en zijn liefde voor de menselijke stem werd geboren. In en na de Tweede Wereldoorlog kwam daar jazzmuziek en dansmuziek bij en toen hij bij Philips ging werken werd zijn smaak niet alleen uitgebreid richting klassieke muziek, maar werd hij ook kieskeuriger.
Favorietenlijstjes getuigen ervan. Alleen die al zijn voor beginnende muziekliefhebbers
of uit nostalgische overwegingen interessant. Het boek als geheel heeft ook lezers met
sociologische interesse, of belangstelling voor de fonografische geschiedenis in
Nederland (Philips, Phonogram) genoeg te bieden. Met de nodige zelfspot en luchtig
geschreven. Inclusief foto’s.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Hartmut Rosa – Leven in tijden van versnelling

Leven in tijden van versnelling : een pleidooi voor resonantie / Hartmut Rosa ; vertaling [uit het Duits]: Huub Stegeman ; bezorging: Marli Huijer. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 156 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: Alienationa and accelleration. – Suhrkamp Verlag, © 2013. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895346-5-1

De belangrijkste vraag die in dit boek wordt gesteld, is die naar het goede leven in een tijd van maatschappelijke versnelling en vervreemding. Een vraag die de sociale filosofie, sociologie en politicologie zouden moeten stellen om het maatschappelijk debat hierover te bevorderen, omdat deze verschijnselen ons verhinderen een goed leven te leiden. Om daar verbetering in aan te brengen pleit de auteur voor resonantie, dat wil zeggen het tegenovergestelde van vervreemding: ervaringen die worden gevonden in de natuur, kunst en religie en de grondslag vormen voor een geslaagde relatie met de wereld. Ten onrechte wordt de Duitse socioloog Hartmut Rosa, hoogleraar aan de Universiteit van Jena, wel ‘onthaastingsgoeroe’ genoemd. Onthaasten is weliswaar ook gericht op het goede leven, maar zonder dat het een maatschappijkritische manier is van in-de-wereld staan. Daarom heeft dit boek de lezer iets anders, en meer, te zeggen dan bijvoorbeeld ‘Stil de tijd’ (2009) van Joke Hermsen. Deze Nederlandstalige editie is bezorgd door Marli Huijer, die zich ook met het onderwerp ‘tijd’ heeft beziggehouden.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

‘Dan maak je maar zin!’

peter-henk-steenhuis_werk-verzettenchristien-brinkgreve_het-verlangen-naar-gezag

Op 30 november a.s. vindt bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden een René Gude-avond plaats. Hier wordt het boek Werk verZetten van Peter Henk Steenhuis gepresenteerd, waarin de auteur Gude’s ideeën over zingeving en werk onderzoekt. In de aanloop daarnaar interviewde Steenhuis voor dagblad Trouw de sociologe Christien Brinkgeve (25 november jl.), auteur van onder meer het boek Het verlangen naar gezag, die aan de Universiteit van Utrecht het gevoel kreeg ‘een afgedankte muntsoort te zijn.’ Veel van wat zij zegt is herkenbaar en omschrijf ik in deze blog over zingeving en werk onder de titel ‘Dan maak je maar zin!’, een uitspraak van René Gude.

‘Dat is toch wel zinvol’
Op een dag ontmoette ik bij mijn ouders hun wijkpredikant, ds. Th. C. Frederikse die als emeritus was neergestreken in Ermelo. Ik kende zijn boek Klare wijn, dat in 1967 als een rapport van de synode was verschenen, van mijn belijdeniscatechisatie in Amsterdam. Wij raakten aan de praat en ds. Frederikse vroeg wat ik voor mijn vak deed. Op mijn antwoord viel een doodse stilte, waarna hij uiteindelijk zei: ‘Dat is toch wel zinvol.’ Die stilte heeft lang en oorverdovend in mijn hoofd nageklonken.

In 2004 werd ik door iemand van de Oude Kerk in Amsterdam gevraagd om een praatje te houden over de vraag: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ Op dat moment was ik afdelingshoofd bij wat toen Muziekgroep Nederland (MGN) heette. Ik hield een bevlogen praatje over moderne muziek en de essentiële waarde daarvan voor mensen van nu. Het paste ongetwijfeld in één of meer van de vier Z-ten van Gude: het zinnelijke, het zintuiglijke, het zinrijke en het zinvolle.

Hoe desastreus organisaties kunnen werken
Maar MGN was ook een voorbeeld van ‘hoe desastreus organisaties kunnen werken’, zoals Brinkgreve het tegen Steenhuis in algemene zin omschreef . ‘Er werd nauwelijks gekeken naar waar mensen goed in zijn’ was ook iets dat onder leiding van een interim-manager en diens opvolger ook voor MGN gold. Een interim-manager afkomstig van Berenschot en een opvolger die nu directeur is van wat zijn website noemt ‘hét adviesbureau voor bedrijfsvoeringsvraagstukken binnen het onderwijs.’

Muziekgroep Nederland werd een enkele directeur later Muziek Centrum Nederland (MCN), de zoveelste fusie in kunstenland die het OCW later mogelijk maakte om in één klap zo’n zeven instituten om zeep te helpen. Met echalons die waren gezakt (directeuren van de fusie-instellingen werden afdelingshoofd, afdelingshoofden senior medewerkers) en in mijn geval een afdelingshoofd dat niet bepaald – om Brinkgreve nogmaals aan te halen – ‘het gevoel gaf dat je leeft, dat je mag bestaan.’ In tegendeel. Brinkgreve moest thuis ‘eerst in een warm bad om weer tot leven te komen’, ik had een andere modus ontdekt, op weg náár het werk, maar de effecten bleven niet uit: hoge bloeddruk op die nooit meer weg is gegaan.

Staande blijven
Hoe blijf je dan staande? ‘Dankzij mijn opvoeding, dankzij mijn omgeving’ zegt Brinkgreve tegen Steenhuis. Dat gold voor mij ook, en met een ‘dubbelleven’ ernaast. Mijn werk aan de Muziekencyclopedie werd voor het afdelingshoofd – nu directeur van een kleine muziekinstelling waarvan de subsidie wordt gestopt – zonder enige vorm van communicatie daarover stop gezet, zonder dat letterlijk naar de inhoudelijke kwaliteit was gekeken van bijvoorbeeld een ‘entry’ over een orkest dat een afgekeurde door een gezaghebbend musicoloog zou kunnen vervangen. Dezelfde musicoloog waarvan een artikel over een al even gezaghebbend componist dat hij had geschreven voor het tijdschrift Mens en melodie was geweigerd. Enkele jaren later ontving diezelfde componist dat van mij met open armen. Het werd geplaatst in hetzelfde tijdschrift.
Zulke ervaringen houden je staande, want ‘wanneer je jezelf door de ogen van anderen gaat bekijken, begeef je je op een hellend vlak richting depressie.’ Die ogen van een ander kunnen echter ook helend werken. Dat gold voor Mens en melodie, maar in mijn geval ook voor mijn werk als secretaris en lid van de programmacommissie van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Documentatiecentra (NVMB) en – tot mijn chef daar een stokje voor stak – de International Association of Music Information Centres (IAMIC).

De vier Z-ten
Toch kan ik me een dag herinneren waarop ik, toen al bekend was dat MCN ten prooi was gevallen aan de kunst- en cultuurkaalslag die door Nederland waarde, met veel zin had gewerkt. Het was een rustige dag en ik zat met één collega op de werkkamer. Hij zat met zijn koptelefoon op te werken aan de Muziekencyclopedie, ik aan een zelfverzonnen klus waarvan ik op dat moment de waarde nog inzag. Een moment hebben we even pauze gehouden, toen vanuit de tuin een opmerkelijk vogelgezang de kamer binnendrong. We ondernamen een korte zoektocht over het web om te achterhalen welke vogel dit zou kunnen zijn. Toen gingen we allebei weer aan ’t werk. Een zeldzaam moment, een zeldzame dag waarop de vier Z-ten in volle harmonie over me kwamen.

Dát is wat René Gude, dat is wat Christien Brinkgreve werknemers gunt en waar nog zo weinig van terecht komt. Het is wachten op een vraag als: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ En dan door je chef: ‘Hoe ervaar jij je werk? Wat heb jij nodig om goed te functioneren?’, aldus Brinkgreve. Daarvoor is een omslag nodig. Dan kunnen, volgens deze sociologe ‘de vier betekenissen van zin een waardevolle aanvulling zijn in het denken over depressie, burn-out.’ En hoge bloeddruk.

Het machtig voorjaar
Voor mij betekende de vogel die in de stadstuin in de Amsterdamse grachtengordel zong

… het machtig voorjaar dat alles weer in bloei dreef
(Pieter Boskma)

De vier Z-ten kan ik nu ten volle op laten bloeien in het vrijwilligerswerk dat ik doe, net als de vogels

wellicht voor hun schepper, wellicht voor de mens.

En niet in de laatste plaats voor mezelf. In vrijheid.

Naschrift
Of ik hier al aan toe gekomen ben, weet ik niet – maar het is wél een mooie les, ook voor iedereen die in situaties als hiervoor beschreven: ‘Humor helpt ons aan een uitweg wat uit tot op het laatste ogenblik een onmogelijke situatie leek te zijn. We kunnen uitstijgen boven iets of iemand waar we om kunnen lachen. Humor houdt in onmenselijke omstandigheden de menselijkheid hoog. Humor is een manier om de macht te breken van angsten die ons anders gevangen zouden houden. Humor is op zijn eigen wijze een van de hoogste uitdrukkingen van menselijke vrijheid (…): vrijheid als het vermogen onze situatie opnieuw te definiëren. Wie om het noodlot kan lachen, bevrijdt het van tragiek. Iemand die de interpretatie die de vijand van bepaalde feiten geeft verwerpt, kan niet tot slachtoffer worden gemaakt. In psychologische zin blijft hij of zij vrij. Humor is het broertje of zusje van de hoop’ (Jonathan Sachs, Een gebroken wereld heel maken, p. 221).

Avontuur

Agamben_AvontuurAvontuur / Giorgio Agamben ; vertaling [uit het Italiaans] Willy Hemelrijk. – Amsterdam : Sjibbolet, 2016. – 63 pagina’s ; 19 cm. – Vertaling van: L’avventura. – Roma : Nottetempo srl, © 2015. – Op omslag: Sjibbolet Filosofie. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-911102-7-6

De filosoof Agamben beschrijft vier godheden die de laat-Romeinse filosoof Macrobius al onderscheidde: de demon, het lot, de liefde en de noodzaak. Agamben voegt daar, gelijk Goethe, als een ethisch en religieus commentaar er één aan toe: de hoop. De titel van het boekje duidt op indrukwekkende ervaringen die ontmoetingen met de godheden oproepen en ons bestaan vormgeven. Agamben gaat terug tot etymologische achtergronden van het woord en voert de lezer van middeleeuwse poëzie en Dante onder meer naar de socioloog Georg Simmel. Deze weg is kenmerkend voor de in 1942 geboren Agamben, die studeerde bij Heidegger, afstudeerde op het werk van Simone Weil, belangstelling heeft voor literatuur en film en een sterk historisch bewustzijn heeft. Zijn doel is het leggen van verbanden tussen de vier genoemde begrippen. De manier waarop hij dit doet, vraagt van de lezer enige inspanning en voorkennis. De lezer zoekt echter tevergeefs verbindingen met de actualiteit, zoals we die wel in ander werk van de auteur vinden.

Copyright NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.