Bij de meidagen

Als er één kunstenares is geweest wier werk balanceert op de grens tussen wat na de Tweede Wereldoorlog zegbaar en onzegbaar is, dan is het wel de op 20 april jl. overleden Poolse Magdalena Abakanowicz geweest. Zij uitte zich in een derde taal, na die van de filosofie en literatuur: de beeldtaal. Wát zij uitdrukte – en dat is onder meer in Beelden aan Zee in Scheveningen te zien geweest – is datgene wat is zoals het is of zou kunnen zijn.

Daarmee sluit zij impliciet aan op de visie van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman, die beide polen – het zegbare en het onzegbare – in haar werk omschrijft, en in wier werk de laatste tijd ook ruimte lijkt te ontstaan voor wat beeldende kunst, als derde lijn, te zeggen heeft. Bas Heijne, die Neimans werk consequent volgt, linkt in zijn artikel ‘Tijd als steno’ Neimans laatste van de “drie symbolische verschrikkingen” die zij in haar boek Het kwaad denken omschrijft (Lissabon, Auschwitz en 11 september) aan de vraag of de kunst er iets mee kan.[1] Niet dat hij nu direct met voorbeelden komt. Net zomin als Neiman in haar boek trouwens. Maar dat deed ze wél tijdens een lezing, ‘Art and Enlightenment. Old-fashioned thoughts for the 21st century’, waar ze niet refereerde aan autonome kunst, maar aan kunst die van goed en kwaad weet.[2]
Zoals bijvoorbeeld, vul ik in, de beelden van Magdalena Abakanowicz (zie afb.). In een interview zei zij eens, dat ze zich slechts op visuele wijze kon uiten over de verschrikkingen die zij tijdens en na de Tweede Wereldoorlog in haar geboorteland zag en ondervond.

Maar zowel Neiman als Abakanowicz hebben het ook over de hoop, hoewel de kunstenares in hetzelfde interview zegt niet te weten of we al dan niet op weg zijn naar onze ondergang, er toch iets van een opening zit. Tussen de metershoge mensen zonder hoofd (de onnadenkendheid van mensen als Eichmann?) zit hoe je het ook wendt of keert ruimte. Een ruimte die je als tentoonstellingsbezoeker zelf – letterlijk en figuurlijk – mag invullen. Net als de ontbrekende ledematen hier en daar schijnen te verwijzen naar wat haar moeder in de oorlog overkwam: een arm verliezen door een schot van een Duitse soldaat. Of wat ze als verpleegster een jaar later in Warschau zag. Maar je kunt er ook de hulpeloosheid van ons mensen in zien, die geen handen en voeten weten te geven aan een betere wereld.

De kunst van Abakanowicz zou je als synthese kunnen zien van de these ‘het zegbare’ en de antithese ‘het onzegbare’. Kunst om niet in stilzwijgen of doodzwijgen te vervallen, maar om enerzijds mensen wakker te schudden over wat er in de wereld gebeurt en anderzijds ook hoop te bieden op een wereld zoals die zou moeten zijn. Al is het maar een klein beetje. Abakanowicz’ nagedachtenis zij tot zegen.

 

[1] Bas Heijne, “Tijd als steno’, Hollandse toestanden. Nieuwe opmerkingen over Nederland (Amsterdam en Rotterdam 2005) 159-166.

[2] Zie: http://www.jmberlin.de/main/EN/01-Exhibitions/02-Special-Exhibitions/2015/akedah.php.

Willem Brakman – Een winterreis

Brakman_WillemHet boek Een winterreis van Willem Brakman (zie afb.) zou je een psychologische roman kunnen noemen, met sterk autobiografische trekken. Door het als realistisch te bestempelen, zou begripsverwarring kunnen ontstaan. De titel verwijst naar de gelijknamige liederencyclus van Müller/Schubert. De winter is uiteraard symbool voor het levenseinde.

De hoofdpersoon, Wim Akijn, die ook in Die ene man voor komt, onderneemt een reis om door het verleden van zijn vader zijn eigen jeugd te leren kennen. Maar niet nadat hij nuchter heeft geconstateerd, dat zijn vader niet lang meer heeft te leven en zijn gedachten zullen afsterven als ‘dode vissen’.

Het eerste hoofdstuk geeft een beschrijving van het kleinburgerlijke milieu in Scheveningen waarin Akijn is opgegroeid. Het tweede hoofdstuk biedt realistische taferelen van oude verwanten en vrienden, die vader Akijn hebben gekend. Hun naderende dood wordt als een dreiging voelbaar. Ook Akijn Jr. wordt zich bewust van het feit dat hij eens moet sterven.

Terecht heeft men dit beklemmende gegeven vergeleken met de schilderijen van Carel Willink. Even zo goed zou je het met dat van Herman Berserik, die de omslag voor de Salamanderpocket-uitgave maakte, kunnen vergelijken. Wat Willink betreft: ik zou dit duidelijker willen afgrenzen tot zijn stijl na 1924-’25, waarin de Jobstijding (Stedelijk Museum, Amsterdam) ontstond. In deze periode schilderde hij erg precies, kortom: zoals Brakman schrijft, met veel details. Hierbij valt bijvoorbeeld op, dat de kleur grijs (symbool voor de grauwe jeugd?) overheerst.

In deze preciesheid volgt de schrijver het spoor van de Franse romantraditie van Flaubert en voorlopers als Balzac en Stendhal. Het is moeilijker in deze wereld door te dringen, dan in die van schrijvers die ruimte open laten tot verder fantaseren, zoals de impressionisten, en emotioneel meer geladen zijn. [Of, zoals Sebastiaan Kort in NRC Handelsblad 10 januari 2014 over Brakmans verhalen schreef: ‘Je mist tussen al zijn citeerbare zinnen emotionaliteit’].

Veelvuldig viel dit boek de kritiek ten deel, dat het te fragmentarisch zou zijn. Maar dit past mijns inziens juist bij de droomachtige sfeer die sommige gedeeltes ademen. Het laatste hoofdstuk bijvoorbeeld, dat haast surrealistisch aandoet. Hierin beschrijft Brakman een erotische verkleedpartij met de kleindochter van de laatste man die mogelijkerwijs iets over zijn vader zou kunnen vertellen, maar overlijdt. De overledene, Jan Loof, bereikte de harmonie met het Al, alles en allen die Akijn trachtte te bereiken. Hij heeft hierin – en ook als arts – gefaald. De man sterft, maar niet voordat hij de waarheid omtrent vader Akijn heeft vertaald. Na dit te hebben gehoord, vlucht Wim. Het verleden ontvouwt zich verder niet: ‘het huis (…) staarde hem aan met een (…) gesloten gezicht’.

‘Recensie’ uit 1973, door Kees Fens (docent Frederik Muller Academie, Amsterdam) met een prijs bekroond. Deze wordt hier hernomen i.v.m. het verschijnen van Brakmans Verhalen (uitg. Querido).