31 december 2017

Vele hemels boven de zevende begint met een beeld dat je zou kunnen zien als de ouverture tot de film: bladeren die beurtelings vallen en weer opdwarrelen. Een ouverture, omdat alles wat de film wil zeggen erin wordt samengebald. Meer nog dan het motto van Spinvis: ‘Reis ver, drink wijn, denk na, lach hard, duik diep, kom terug …’. En ook meer nog dan het gebroken glas dat op de grond ligt, naast het bed van Eva (indringend gespeeld door Brit Van Hoof, zie afb.) die ernaar kijkt.

Het beeld van de bladeren deed me in de eerste plaats denken aan een gebrandschilderd raam achter het altaar van de in romaanse stijl in 2000-2001 opgetrokken Onze Lieve Vrouwe kapel van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis aan het Amsterdamse Oosterpark. In tere tinten zijn ze er aangebracht en de symboliek zegt genoeg, op deze plaats waar veel eenzame zieken met hun problemen komen.

Het beeld van de bladeren in deze debuutfilm van Jan Matthys, naar de roman van Griet Op de Beeck, deed me ook denken aan het mooie gedicht Herfst van Rainer Maria Rilke, een eeuw eerder geschreven dan de kapel in Amsterdam werd gebouwd maar in wezen hetzelfde uitdrukkend als het raam achter het altaar, en misschien de intro van de film:

Herfst

De blad ’ren vallen, vallen als van ver
als sterven in de hemel verre gaarden;
ze vallen met ontkennende gebaren.

En in de nachten valt de zware aarde
de eenzaamheid in, weg van elke ster.

Wij allen vallen. Deze hand hier valt.
En welke je ook ziet: het is in alle.

En toch één is er die dit vallen
oneindig zacht in handen  houdt.

Lust for Life

Nooit heb ik gedacht dat het zover zou komen. Ik heb altijd mijn oor te luisteren gelegd bij zowel jonge als oude inspirators op welk terrein dan ook. Verkouden en gewapend met een zak hoestballetjes ging ik koste wat het kost naar de kerk om ds. H. Witvliet (1911-1992) te horen, toen al emeritus. Ik denk mede omdat zijn enorme eruditie en belezenheid mij aanspraken. Zijn zoon schreef in 2011 een mooi Dankschrift over hem. Eens stond hij al startklaar om aan zijn preek te beginnen, bleef even in gedachten verzonken staan (o jee, hij zou toch niet …?) en zei toen ontwapenend: ‘Ik moet even naar mijn auto, want ik heb geloof ik de lichten aan gelaten.’ Heerlijk toch? Anno 2017 is dat in veler ogen ouderwets. Jong, flitsend en zeker van je zaak is het devies.

Ik liep er afgelopen weken een paar keer hard tegenaan. Ook – inderdaad – in de kerk, waar de Bijbelkring is opgeheven omdat het zowel een achterhaald iets zou zijn als ook nog eens alleen ouderen aanspreekt. En bij een reactie op een oproep om voorstellen in te dienen voor artikelen over mijn oude vakgebied kreeg: ‘We beginnen liever bij de nieuwe generatie.’ En met ‘inspirerende voorbeelden en personen in het buitenland.’ Dat weten we dan. Niet dat er geen uitzonderingen zijn.

Zo ben ik erg blij dat wat oudere dansers letterlijk en figuurlijk zijn opgestaan om hun kennis en kunde met de jongere garde te delen: Lust for Life heet de voorstelling van Danstheater Aya. Onder het mom dat ‘prachtige oudere vrouwen toch ook nog heel wat te vertellen hebben’, zoals theatermaakster Wies Bloemen het in een interview met Alexander Hiskemuller (in Trouw, 19 december) uitdrukte. Gewoon wat met je vak blijven doen, daar gaat het om. Je liefde en interesses op peil houden, en die waarden delen en doorgeven. Dat het fysiek wat minder gaat, wordt in deze voorstelling uitgespeeld. Waar de oudere dansers echter vooral tegenaan lopen, is dat ze in een niet zelf gekozen sociaal isolement werden gedwongen.

‘De bevolking vergrijst, terwijl de maatschappij verjongt’ zegt een danseres in het interview. That is the problem, denk ik. Is dat niet een beetje uit balans? Ja, en dat is jammer, want juist levenservaring verdiept. Op allerlei terreinen. En het is ook nog eens mooi om naar te kijken of te luisteren, om te ervaren. Anders mooi dan jonge dansers in de bloei van hun leven, maar niet minder waardevol.

http://theowitvliet.nl/docs/Vader.pdf

http://www.aya.nl

De film verlangt het geheel

Het eerste shot van de film The Party van Dolly Potter is nagenoeg gelijk aan het slot, en het tweede legt de voorlaatste episode van de film uit. In het begin zit Billy (Timothy Spall) in een stoel te luisteren naar jazzmuziek. Buiten, voor de open tuindeur, loopt een vos langs. De vos staat in de iconologie van de beeldende kunst symbool voor een beest dat zich dood houdt voor de vogel die hij wil vangen en opeten, – voor de duivel ook die, als we Paus Franciscus’ commentaar op vertalingen van het Onze Vader mogen geloven, nog steeds zijn werk doet.

Het détail van de vos is kenmerkend voor de zorgvuldigheid en diepgang waarmee Potter (onder meer bekend van Orlando) haar film heeft gemaakt. Ze heeft lang aan deze zwart-witfilm gewerkt en een sterrenkast om zich heen verzameld. Haar basisidee was een film te maken waarom de kijkers kunnen lachen. Maar je zou de slechts zeventig minuten durende film tekort doen, als je de nadruk alleen dáárop zou leggen. Het is voor alles een sociale satire geworden, zoals Edward St Aubyns roman Met stomheid geslagen (2014) dat ook is. Hier doet de film me soms aan doet denken, ook in de opzet met afwisselende tablaux.

Ook in die roman staat een politicus centraal, zoals in The Party Janet (Kristin Scott Thomas) wordt opgevoerd, die een ministerspost heeft gekregen in het Britse parlement. Dat moet worden gevierd, en terwijl de vrienden op één na op het feestje ter gelegenheid hiervan arriveren, doet Bill een mededeling die hij niet eerder met zijn vrouw deelde. Vanaf dat moment krijgt de satire een beklemmende sfeer als in Who is afraid of Virginia Woolf, waar de film op dat moment aan doet denken. Het is dus, nogmaals, niet alléén een film om te lachen, puur entertainment.

In De Gids (nr. 6/2017) staat een briefwisseling tussen enkele jonge schrijvers. Een ervan, Çağlar Köseoğlu, stelt aan het eind van zijn brief de vraag: ‘Hoe kunnen we zorgen dat we geen entertainment zijn?’ De antwoorden wijken nogal van elkaar af. Roman Helinski stelt dat daarvoor op z’n minst een ontvanger voor nodig is die ervoor openstaat. Nina Polak vindt dat je simpelweg activist moet zijn. Maar het mooiste antwoord kwam, vond ik, van Hannah van Wieringen: ‘Het gedicht kiest geen kant. Het gedicht verlangt het geheel.’ Dat geldt ook voor een film als The Party: entertainment en sociale satire ineen, komedie en tragedie ineen, als in de beste Britse traditie vanaf Shakespeare. Als je het maar wilt zien.

Een open eind – Nachoem Wijnberg

T.g.v. het feit dat de dichter Nachoem Wijnberg (56, foto Merlijn Doomernik) de P.C. Hooft-prijs 2018 heeft gewonnen, herplaats ik hier een column die ik eerder voor Mens en melodie schreef.
De oeuvreprijs is dit jaar bestemd voor poëzie. Wijnberg krijgt de prijs op 24 mei tijdens een feestelijke bijeenkomst in het Literatuurmuseum in Den Haag, drie dagen na de sterfdag van P.C. Hooft (1581-1647). 

Vijf videoschermen naast elkaar die samen een verhaal vertellen. Zo leek het tenminste op het eerste gezicht, bij de solotentoonstelling van Han Hoogerbrugge in TENT., de Rotterdamse galerie: een auto die een paar beelden verder opeens in de kreukels ligt bijvoorbeeld. Maar bij nader inzien valt er verder niet direct een begin en een eind aan het verhaal te ontdekken.
Dat lijkt in de lucht te zitten.

Neem de gedichten van Nachoem M. Wijnberg die verhalend lijken, maar dan zonder plot en soms op de volgende pagina in een ander gedicht overgaand.
Neem de concerten die Bik Bent Braam onder de noemer Exit gaf. Hierin klonken stukken die wel een begin maar geen eind kenden en stukken die wel een eind maar geen begin leken te hebben.
Of het boek Beste vriend van Robert Vuijsje dat een open eind kent. Volgens recensent Rob Schouten omdat de auteur het zelf ook allemaal niet zo goed weet.

Het zou kunnen, maar voor mij betekent welk open einde dan ook vooral de uitnodiging zelf verder te denken. Mooi toch!
Gek is het niet dat het in de lucht zit, in onze postmoderne tijd: dingen open laten in plaats van als betweter dicht te timmeren.
Wijnberg, Bik Bent Braam en Vuijsje hebben het begrepen.
En Dick Hillenius, die tijden geleden al zijn gedichten weigerde af te sluiten met een punt. Zoals Braam z’n stukken weigert af te ronden met een slotstreep.

Betrokken raken in een gesprek

Theo Witvliet heeft een prachtig essay geschreven over het humanisme van Martin Buber. Eigenlijk moet ik zeggen: Theo Witvliet heeft wéér een prachtig boek geschreven, na onder meer Het geheim van het lege midden (2004). Meteen aan het begin deelt hij al zijn inzicht op Buber met de lezer: ‘Wie op de een of andere manier geraakt wordt door wat de heilige geschriften te vertellen hebben, ontvangt geen kant en klare waarheid, maar raakt betrokken in een gesprek.’ Met God en als mensen onderling, in de wetenschap dat er voor Buber geen scheiding bestaat tussen ‘leven in de wereld’ en ‘leven in God’, tussen het leven van alledag en de cultus van religie. Een gewone gebeurtenis kan heel bijzonder zijn. ‘Het is de opdracht van de mens de breuken te helen tussen God en wereld, materie en geest, heilig en profaan, en ook tussen mensen en volken onderling.’

Niet dat er niets meer te wensen zou zijn. Wanneer Witvliet bijvoorbeeld vertelt over het bezoek dat Gershom Scholem, de grote kenner van de joodse mystiek, uitgerekend in 1943 aan Buber bracht, en zijn bezwaren uit tegen Bubers interpretatie van het chassidisme (Kafka zou dat ook doen), was Bubers antwoord dat het hem totaal niet interesseerde. Al dan niet in de voetsporen van Eric Kurlanders boek Hitler’s monsters: u supernatural history of the Third Reich had Buber dieper kunnen pijlen.

Witvliet heeft overigens wel gelijk wanneer hij zegt dat Bubers denken ‘meer is dan een spiegeling van twee wereldoorlogen, van de Shoah en van het gevecht om de staat Israël.’ Dat heeft volgens hem te maken met drie inspiratiebronnen:

  1. Het chassidisme
  2. De bevrijding uit de slavernij
  3. Het woord jichoed (eenheid), dat verwijst naar het Sjema Israël (Deut. 6:4).

Witvliet schrijft in verband met het laatste dat hij ‘echte gemeenschap niet vaak heeft meegemaakt. Maar de enkele keer dat ik echt iets van gemeenschap voelde, waren juist momenten waar mensen van verschillende achtergronden en culturen bij elkaar waren.’ Zo licht een stukje van het rijke leven van de theoloog Witvliet op, in contact met anderen en daarmee ook het dialogische aspect dat kenmerkend is voor Martin Buber doordenkend. Een mooi boek, dat is het.


Theo Witvliet: Kwaliteit van leven. Het humanisme van Martin Buber (uitg. Skandalon, 2017). ISBN 978-94-92183-39-2, € 19,95

Het recht om een ander te worden

Anne Wadman (1919-1997) is een stukje in mijn achting gestegen. Jarenlang heb ik hem meegemaakt als concertmeester van het Fries Kamerorkest, waarvan ik tweede hoboïste was. Niet dat ik me kan herinneren ooit een woord met hem te hebben gewisseld. Hij hield zich überhaupt afzijdig, en trok alleen met de plaatsvervangend concertmeester op, waarmee hij ongelooflijke lol beleefde toen we eens een koordirigent hadden die paarse sokken droeg. Maar met de rest van het orkest, en zeker niet de blazers, hield hij zich niet op; daar is de orkestcultuur te hiërarchisch voor.

Bovendien was hij natuurlijk beroemd in Friesland en bekend in de rest van Nederland. Als schrijver, dichter, literatuurcriticus en letterkundige. Ik had wel eens wat van hem gelezen, zoals De Smearlappen (1963), zijn bekendste en meest vernieuwende boek. Maar ik had ook zo mijn twijfels bij mans oorlogsverleden: hij had enerzijds de loyaliteitsverklaring getekend en anderzijds ondergedoken gezeten. Laten we ’t er maar op houden, dat de oorlog hem nog steeds emotioneerde. Dat bleek tenminste toen hij eens bij een gebeurtenis in De Harmonie in Leeuwarden achter me zat, en op luide, geëmotioneerde toon over de oorlog sprak tegen een mevrouw naast hem, die ik gemakshalve en al dan niet terecht versleet als een dochter uit zijn huwelijk met Hylkje Goïnga, ook een schrijfster.

Niet lang voor ik naar Amsterdam verhuisde, las ik met een brede grimlach over het feit dat de weduwe van Simon Vestijk haar medewerking weigerde aan Wadmans plan om samen met Hans Visser een biografie over Vestdijk te schrijven. Een zekere ambivalentie over Wadman was nog steeds niet voorbij, waarbij het wel leuk is op te merken dat ik in die tijd als muziekredacteur was verbonden aan de krant waarvoor hij ook wel schreef of had geschreven: de Leeuwarder Courant. Toch nog een beetje collega …

Ik wist ook dat Wadman samen met mijn baas bij de Centrale Bibliotheekdienst voor Friesland, Minne Vis, meegedaan had aan Kneppelfreed, Knuppelvrijdag in 1951. In dat verband is echter vooral de naam van Fedde Schurer bekend geworden. Met knuppels en waterkanonnen was de rel neergeslagen die ontstond toen Friezen het recht opeisten om Fries in de rechtszaal te mogen spreken.
Schurer – las ik vandaag aanvullend in een artikel van Willem Visser in dagblad Trouw – en hij hadden ‘een parallel getrokken tussen de onderdrukking van de culturele rechten van Friezen en Surinamers.’ Dat pleit voor Wadman, en zou anno nu tot voorbeeld kunnen dienen. Zo heeft iedereen het recht om een stukje in achting te stijgen in de beleving van een ander.

 

http://www.sirkwy.frl/index.php/schrijvers-biografieen/107-w/450-wadman-anne

Het einde van het kwaad

Beatrice de Graaf, hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen in Utrecht, doet ik haar essay Heilige strijd een beetje hetzelfde als ik in mijn MA-scriptie Het kwaad het hoofd bieden deed: verdergaan waar de wetenschap stopt. In mijn geval: waar Het kwaad denken van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman (die al bij De Graaf op pagina 15 opduikt) ophoudt en de literatuur van Philippe Claudel (Het verslag van Brodeck) begint. In het geval van De Graaf: waar betekenisgeving begint.

De Graaf geeft meteen aan het begin haar kaarten weg, waar ik na een omweg, via de wijsgerige theologie van Dalferth (bij haar oftewel foutief oftewel familiair een keertje Ingo i.p.v. Ingolf genoemd) en Jean-Claude Wolf: hoop (en liefde), dat is wat een letterkundig werk als Het verslag van Brodeck van Claudel, en de Bijbel, aan het filosofische en ander wetenschappelijk denken onder meer kan toevoegen.

De titel van De Graafs boek slaat op de navolging van Christus’ heilige strijd. ‘Dat gevecht’, schrijft ze, ‘is gericht tegen het kwaad in ons en om ons heen.’ Het eerste is een aspect dat ik een beetje miste in het denken van Neiman en daar, in navolging van onder meer Colet van der Ven, aan heb toegevoegd. Ook in het boek van Claudel speelt het een voorname, niet te miskennen rol.

Net zomin als Neiman vindt ook De Graaf ‘het kwaad’ een te analyseren categorie. De Graaf hekelt de ‘politici, publicisten en zelfs een enkele predikant die het wel publiekelijk aandurven om het kwaad te benoemen en de oorzaken aan te wijzen: het is de islam, het zijn de vluchtelingen, de EU, de liberale elites, de “wegkijkers” die dat gezwel hebben laten voortzweten.’
Neiman brengt een tweedeling aan: natuurlijk kwaad (aardbevingen e.d.) en moreel kwaad (dat wat de mens een ander aandoet) en beschrijft hoe het in het denken van het een (God als oorzaak aanwijzen) tot het ander (de mens als oorzaak zien) is gekomen. Daarbij schenkt zij, evenmin als De Graaf, weinig aandacht aan instituties, Bijbelse en seculiere geboden die er een halt aan proberen te roepen.

Een ander punt is de vraag of je met de titel van Neimans studie het kwaad wel kunt denken: is de rede niet, zoals De Graaf stelt en ik ook uitwerk, na de Tweede Wereldoorlog niet gestruikeld? De Graaf meent terecht dat Neimans denken in deze ‘te dun’ is, omdat je in feite dan ‘“het kwaad” religieus en intellectueel onweersproken laat staan.’ Hoop, stelt De Graaf (en, als gezegd Claudel, op een heel andere, seculiere manier) belooft ‘meer dan Neimans geloof in “sufficient reason”.’

De Graaf wijst op een proefschrift van Petruschka Schaafsma, Reconsidering evil, die naast Immanuel Kants denken over het kwaad (de leermeester van Neiman) tevens dat van Paul Ricoeur en Karl Barth zet. Deze twee namen ontbreken bij Neiman, iets waar in recensies ook op is gewezen als zijnde een gemis, zeker wat het de eerst genoemde betreft, immers een filosoof die ook over het kwaad nadacht.
Kant laat het transcendente en metafysische – waar ik uitvoerig op inga, een beetje tot verdriet van mijn scriptiebegeleider – buiten beschouwing. Ricoeur komt – net als Claudel – met categorieën als vergeving en boete. Beiden geven zo een mooie aanvulling.

De Graaf zet hier nog iets naast: ‘Er moet (…) een radicale oplossing komen voor dit kwaad (…). Dat einde van het kwaad (…) moet door God worden gerealiseerd.’ Daar kun je je in vinden, of niet (helemaal). Ik zou zeggen: door God en mensen sámen. In ieder geval is dit denken, net als de literatuur, een weg die doorloopt waar de filosofie van Neiman stopt, omdat wordt erkend dat je met louter denken niet verder komt. Dat is een ding dat zeker is.

Beatrice de Graaf: Heilige strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad. Uitg. Boekencentrum, 2017 (ISBN 978 90 5059 2) € 12,99

Omslag van mijn scriptie (rechtsboven) Yve du Bois.

Stille waters hebben diepe gronden


Tekst van een korte lezing die ik hield tijdens een filmavond bij Atria, Amsterdam
(19 oktober 2017).

 

‘Ze heeft een talent om de laag die niet in de tekst ligt, maar daaronder, te vertolken. Dat geeft een bijzondere, lyrische sfeer en ongewone diepte aan de teksten.’ Dat zegt de blokfluitiste Stephanie Brandt in Patricia Werner Leanse’s film over de Nederlands-Griekse componiste Aspasia Nasapoulou.
Het zou zomaar over de films van Werner Leanse en Yve du Bois zélf kunnen gaan: zij hebben een talent om de lagen zichtbaar te maken die onder een verhaal liggen, – het verhaal over het leven of een stuk van een componist. Het is in ieder geval het uitgangspunt van mijn korte inleiding op de vijf films die straks achter elkaar worden vertoond: de verschillende lagen die erin zitten, of althans: die ik eruit haal en die in de films naar mijn gevoel al worden gesymboliseerd door het vele water wat erin stroomt: stille waters hebben diepe gronden.

Het verhaal
Het verhaal zelf staat eigenlijk in de aankondiging van deze avond, en daar kunnen we kort over zijn. De films gaan respectievelijk over een door beeldende kunst, literatuur en dans geïnspireerde componiste, een grande dame van de Zweedse muziek, een avantgardiste die haar tijd ver vooruit was, een gedreven netwerker en een componiste van onder meer Franse chansons. Twee films (Beyer en Andrée) zijn met Engelse ondertiteling.
Het zijn verhalen over vrouwelijke componisten in een door mannen gedomineerd gebied. Daarvoor staan misschien het water en de vele vogels die rondvliegen ook symbool; het zwemmen tegen de stroom in aan de ene kant en het je vleugels uitslaan aan de andere kant.
Kijk maar naar het moment waarop wordt verteld dat de Zweedse grande dame, Elfrida Andrée, naar Stockholm gaat om te studeren: pal voor die vermelding vliegt een meeuw met sterke vleugelslagen op. Ook de film over de hiervoor al genoemde Nasapoulou sluit af met wegvliegende vogels.
Het zíjn dan ook verhalen over sterke vrouwen. Andrée bijvoorbeeld was de eerste vrouwelijke kerkorganist in het Zweden waar vrouwen geen kerkorganist konden worden, zo wordt in de film gezegd. En op dat moment wordt een gigantisch slot op een kerkdeur getoond. Andrée verbrak in 1861 het slot, dat in Nederland al eerder, in 1719, was verbroken door Agnita Wilhelmina Snep die haar vader opvolgde als organist in Zierikzee.

De vorm
Het moge duidelijk zijn dat de vorm die Werner Leanse voor haar films kiest, raakt aan muzikale vormen. In de film over Rosy Wertheim bijvoorbeeld valt een A-B-A-vorm te herkennen; wanneer het verhaal aan het begin en het eind (A) in Nederland speelt, in Amsterdam en in Laren, klinkt een door Rae Milford bespeeld klokkenspel, en wanneer het verhaal in het midden (B) is gesitueerd in Parijs, waar ze correspondente voor Het Volk is, klinkt andersoortige muziek. Deze sonatevorm wordt afgesloten met een coda, een door Werner Leanse zelf gezongen gedeelte uit een lied van Wertheim, begeleid door piano én gekras van kraaien:

‘k Heb veel gelachen en geschreid, –
Nu komt de winter, wit en wijd,
Die alles stil zal maken.

Maar ook de vorm gaat nog dieper. Een buitengewoon fascinerend voorbeeld daarvan is te vinden in het portret over de Duits-Amerikaanse componiste Johanna Beyer. Terwijl op een gegeven moment haar muziek steeds langzamer gaat, versnellen de beelden juist, alsof je in een stilstaande trein op het perron staat, terwijl de trein ernaast gaat rijden en snelheid maakt. Aan de kijker wordt overgelaten deze metafoor naar believen zelf in te vullen.

Metafoor
Dat geldt ook voor wat ik een metafoor pur sang zou willen noemen, en waarmee ik deze korte inleiding wil afsluiten. Hij komt voor in het portret van de Nederlandse componiste en pianiste Marjo Tal en viel Werner Leanse toe, terwijl ze in Parijs op straat filmde. Het is het beeld van een clown, waarmee ze Tal ten diepste heeft gepeild.
De beelden doen mij denken aan de clown in de schitterende roman (eigenlijk is het een novelle) De tuinen van de herinnering van Michel Quint: een clown met [ik citeer] ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ voor alles wat er om hem heen gebeurde gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de clown in de roman van Quint was overleden, zei zijn zoontje: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid …!’
Tal koos voor haar werken teksten die een combinatie vormen van humor, ernst en symboliek. Werner Leanse koos voor haar films eenzelfde soort combinatie, waarmee ze het werk van de vijf componisten die vanavond centraal staan een extra lading meegaf. De diepere lagen die ze daarmee blootlegt, heb ik geprobeerd als de schillen van een ui kort af te pellen. Het woord is nu aan de vijf filmportretten zelf.

Johanna Beyer – https://vimeo.com/bubbleeyes/beyer

Elfrida Andree – https://vimeo.com/bubbleeyes/elfrida

Aspasia Nasopoulou – https://vimeo.com/bubbleeyes/aspasia

Rosy Wertheim – https://vimeo.com/bubbleeyes/rosywertheimnl

Marjo Tal – https://vimeo.com/bubbleeyes/marjotalnl

Een nieuw lichaam

De Duitse theoloog Bonhoeffer, die door de nazi’s werd geëxecuteerd, schrijft in zijn dodencel:
Al een jaar lang heb ik geen lied meer gehoord, maar het is merkwaardig, hoe de muziek die ik nu alleen met het innerlijk oor hoor, bijna nog mooier is, als de fysiek gehoorde. Ze is veel zuiverder, alle aankoeksels vallen er af, ze krijgen in zekere zin ‘een nieuw lichaam’…

Ik moest deze week twee keer aan deze uitspraak denken. Bij een cursus voor HOVO Amsterdam, over Franz Kafka en Midden-Europa rond 1900 door Michiel Hagdorn en bij de aankondiging van een tentoonstelling in Berlijn over Bonhoeffer.

Hagdorn antwoordde de eerste cursusmiddag op een vraag van een van de deelnemers, dat Kafka niets met muziek op had. Maar gisteren, tijdens de derde middag, lag Die Verwandlung op tafel. Hagdorn wees erop, dat het hoofdpersonage hierin graag wil dat zijn zuster naar het Conservatorium gaat, niet – merkte hij op – zozeer omdat hij het haar gunt, maar voor zichzelf, om zijn honger (!) te stillen. Dat wil zeggen dat hij in de muziek op zoek gaat naar waarheid, het zuivere en intieme en zo – vul ik met Bonhoeffer in mijn achterhoofd parafraserend aan – in zekere zin als kever zélf ‘een nieuw lichaam’ krijgt, hoewel Bonhoeffer het natuurlijk tussen aanhalingstekens zet omdat het slaat op het ‘nieuwe lichaam’ uit de Bijbel, d.w.z. dat na de opstanding uit de doden. Bekend is dat Bonhoeffer in zijn brieven refereert aan Kafka, onder meer aan Das Schloss dus dit uitstapje is mij vast vergeven.

Wie op internet zoekt naar informatie over de tentoonstelling in Berlijn, komt al snel terecht op pagina’s die verwijzen naar zijn huis – ook museum – in die stad. Dat brengt mij terug naar een wandeling die ik afgelopen voorjaar door Londen maakte, in de voetsporen van Bonhoeffer. Ik kwam toen terecht op een pleintje van een nog steeds bestaande pub (George Inn, zie foto), waar hij volgens een boek dat ik onlangs over hem las, elke middag at. Je komt dan toch even dichterbij, heb ik altijd het gevoel. Al moet ik bekennen dat al lezend en nadenkend over het werk van een schrijver het toch nog méér gaat leven. Dat wil zeggen inbreuk doet in je eigen leven.

Met terugwerkende kracht breng ik het citaat van Bonhoeffer ook in verband met een andere uitspraak van hem. Hij schreef in dezelfde tijd, in de cel in Berlijn-Tegel aan zijn vriend Eberhard Bethge en diens vrouw Renate over muziek ‘zoals je ouders ze beleven en beoefenen.’ En die, schrijft hij, ‘bij droefheid de grondtoon van vreugde in je levend houden.’
Dat is wat voor Bonhoeffer in alle ellende muziek dus vermocht te zijn: in zijn innerlijk oor, bijna nog mooier dan in het echt, de zuiverheid en de grondtoon van vreugde in je levend houden.

Het groene mos, het groene glas

N.a.v. een bezoek aan landgoed Voorlinden in Wassenaar en het lezen van de roman Het groene glas van Torgny Lindgren.

Als we de Zweedse schrijver Torgny Lindgren mogen geloven, lag in een bast als op de foto links, in het mos, en in een groen glas dat op een boomstronk was achtergelaten de basis voor zijn hoofdpersonage, de kunstenaar Klingsor in wording.
Ik kan het me helemaal voorstellen: ‘het pad naar de nuchtere roes van de kunst.’ De kleur doet denken aan wat voor Klingsor de kleur der kleuren was: caput mortuum, bruin-achtig grauw. Een kleur van een schoonheid die buiten ons bereik ligt.

Klingsor zoekt naar het innerlijk leven dat in alledaagse voorwerpen verborgen zit, zoals in een Morandi die in de vaste collectie van Museum Voorlinden zit. Of van een Jan Mankes. Zelf denkt Klingsor aan Cézannes Stilleven met appels en fruitschalen dat hij eens in een museum in Stockholm zag. In ieder geval gaat het om kunst die ‘overal doorheen kijkt, een kunst zonder buitenkant.’

De wereld is volgens Klingsor louter kunst. En wanneer hij een kapotte soepterrine schildert – wat mij weer aan Dick Ket doet denken -, die in de oorlog door een bominslag aan diggelen was geslagen, dan schildert hij haar heel. Hij heelde haar met andere woorden door zijn kunst, en reikte net als de filosoof Heidegger naar het zijn, sterker nog: naar het wezen van het zijn, de binnenkant.

Het lijkt of in zijn stillevens het stoffelijke en het eeuwige met elkaar zijn verenigd, verzoend. Lindgren heeft het op magistrale, haast magisch realistische wijze verwoord. En in die verwoording komt het werk van Klingsor tot leven.

Torgny Lindgren – Het groene glas. Uit het Zweeds vert. door Lia van Strien. Uitg. De Geus, 2016.

Foto boom op landgoed Voorlinden: Ati de Zeeuw.