Open ogen

In de bundel Open ogen van Remco Campert – die gisteren uit handen van Gijs Scholten van Aschat de (eerste) Kunstpenning van de Akademie van Kunsten ontving – staat een mooi gedicht onder de titel ‘Zeker’:

Er is geen begin en er is geen einde. Ik ben in het
midden. Ik ben dus nergens, niet dichtbij en niet
veraf (…). Kop en
staart zijn onlosmakelijk verbonden (…). Het ene
woord haalt het andere uit. Dat is zeker.

Het gedicht vergezelt me de afgelopen dagen. Vanmiddag, bij een bezoek aan de tentoonstelling Unspoken We in W139 (de tentoonstellingsruimte aan de Warmoesstraat 139 in Amsterdam), die nog t/m 17 juni is te zien, popte het opeens weer op toen ik de inleidende tekst las:

‘Onze levens ontvouwen zich, op het moment dat we tegen elkaar aan duwen, aan elkaar trekken en tegen elkaar aanwrijven, als we op dingen steunen en op concepten en biologische materie kauwen (…). Unspoken We (…) neemt de herkomst van dit woord als beginpunt en grondconcept: aanraking, vervuilen, omgaan met, schenden of nabij zijn (…). Er wordt een verhaal samengesteld uit verstrooide hoofdstukken waarin elk personage, elke spatie, elk woord en elke pagina een potentiële vervuiler is voor de anderen.’

Maar ook – laten we het positief zien – een verhaal waarin elk woord een potentiële opening biedt; een woord in het midden leunt op het woord dat links stond en rechts volgt. Het ene woord haalt het andere uit. Dat is zeker.

Dit was heel duidelijk toen wij afgelopen zondag tijdens de Open Klooster Leesclub van Jos Oegema en Annette Bak in Amsterdam, in het bijzijn van de auteur, het schitterende boek Het raadsel van goed en kwaad. Over wat mensen beweegt van Christien Brinkgreve bespraken. Ik ga niet uit de school klappen, maar een ding mag in het verband van het gedicht van Campert en de tentoonstelling in W139 wel worden genoemd.
Een woord dat in het boek veelvuldig terugkomt, is ‘contact’. Het is de kern, het midden zeg maar van het raadsel, het duwt en wrijft, is nabijheid, maar het verwijst ook naar de moeilijkheid en de tekortkoming van taal (en van definities in de wetenschap). Het is het gevolg van een worsteling in het zoeken naar een woord dat nog niet ‘bezet’ of ‘besmet’ is en je naar een wereld voert waar je niet wilt verkeren.

Er valt me bij het nadenken hierover een zin uit het schitterende boek van Brinkgreve toe: ‘Het geheim is het aangeraakt worden door andere, weldadige krachten’ (p. 137). Geen vervuiler – maar weldaad. In fysieke zin, even een hand op je arm voelen, en in overdrachtelijke zin: aangeraakt worden door – in Brinkgreve’s geval – de Goldbergvariaties van Bach of Canto Ostinato van Simeon ten Holt. Ik kan het helemaal meevoelen – zeker na het lezen van Campert en het bezoeken van de tentoonstelling in W139.Over open ogen gesproken!

Link naar Spinazie nr. 2 (samenwerking tussen iFilosofie en OBA), waarin Christien Binkgreve spreekt over haar boek: https://vimeo.com/274252502

Requiem

Op de kop af 106 zou ze vandaag zijn geworden, maar dat lag verre van in de lijn der verwachtingen. Mijn moeder werd slechts, of toch nog – het is hoe je het bekijkt – 74 jaar. Op zo’n dag als vandaag denk je uiteraard meer aan haar. En toeval of niet: in dagblad Trouw staan vandaag verschillende stukken waarin het over moeders gaat. En ook die raken me diep.

Eerst las ik dat van Stijn Fens: ‘Je ouders sterven niet één keer, maar honderden keren. Bij het overlijden van elke vriend en ieder familielid van hen, gaan ook zij weer een beetje dood’. Sterker nog: ook een beetje wanneer een vriend en familielid van jezelf overlijdt.

Ik weet nog hoe heftig ik het overlijden van Tine van Hees beleefde, een oud-docente en inmiddels vriendin van me. Dat was kort nadat mijn moeder overleed. Alles kwam in hevige mate binnen.
Fijns – van wiens vader, Kees, ik op dezelfde opleiding als waar Tine van Hees als hoofd verbonden was les heb gehad – citeert een liedje van de Engelse band Coldplay: ‘Those who are dead are not dead, they‘re just living in my head’.  Een waarheid als een koe.

Even verder op las ik de rubriek ‘Klassiek & Zo’ van Peter van der Lint. Hij had het over Ein deutsches Requiem van Brahms. Het deed me terugdenken aan in dit geval mijn vader. We zouden samen er een keer, in Leeuwarden, een uitvoering van bijwonen, maar hij had medicijnen die over de datum waren ingenomen en lag ziek in bed, dus dat ging niet door. Maar kort na zijn overlijden had een vriendin van mij een kaartje van een uitvoering van dit meesterwerk van Brahms in het Amsterdamse Concertgebouw over en ik kon mee. Het stuk kwam in hevige mate binnen, dus ik kan me Van der Lints reactie op een uitvoering in Parijs, drie jaar terug, levendig voorstellen: ‘Het was een idee van choreograaf Sasha Waltz en haar man om de koorleden tussen de toeschouwers te laten bewegen (…). Een blootvoetse sopraan legde haar hand op mijn schouder en zong – louter voor mij, zo leek het – “Sie sollen getröstet werden”.’ De tekst die doet denken aan die op de ingang van de begraafplaats bij de Zendingskerk in Ermelo, waar mijn ouders begraven liggen.

Het derde en laatste stuk waarin een moeder voorbij kwam, was de bijdrage over Louis Gauthier in de rubriek ‘Ik heb een droom’. Gauthier is journalist, componist, muziekprogrammeur en presentator. Hij had het over zijn inspiratiebron Gerrit Komrij – en ik zag mijn moeder weer zitten met de krant op schoot. Het eerste dat ze opsloeg was de column van Gerrit Komrij, die in 1976 verscheen in ‘haar’ krant, waar mijn vader en zij elkaar ontmoetten. ‘Weet je wel hoe oud ik ben?’ vroeg ze. ‘Ja’ antwoordde mijn vader en het was geen beletsel.
Het is zoals Gauthier besluit: ‘Mijn moeder is drie jaar geleden overleden, maar ik ervaar duidelijk haar nabijheid’. Mijn moeder is veel langer geleden overleden, maar vandaag, op haar verjaardag, ervaar ik haar nabijheid des te meer.

Drieluik

Het is weer eens tijd voor een drieluik. Dit keer naar aanleiding van de aankondiging van een leesclubochtend, – de eerste aflevering van een televisieserie en de laatst verschenen apostolische exhoratie, een aanmoedigingsbrief van paus Franciscus.

Christien Brinkgreve
De aankondiging behelsde de eerstvolgende editie van de leesclub waar ik onlangs lid van werd. Een bijzondere leesclub, omdat de auteur van het te bespreken boek erbij is. Komende keer is dat de sociologe Christien Brinkgreve, auteur van Het raadsel van goed en kwaad. Ik kom wellicht nog uitvoeriger op dit boek terug, wanneer ik het heb gelezen, maar uit enkele recensies heb ik onder meer al opgemaakt, dat de schrijfster niet alleen het kwaad belicht, maar zich ook laat ‘meevoeren naar een andere wereld waar een gevoel van geluk heerst, van tijdloosheid, van bestaan en, tegelijk, opgaan in iets groters’ zoals muziek.

Bas Heijne
Dat staat in schril contrast tot de eerste aflevering van de serie ‘Onbehagen’ van Bas Heijne. Hij zit op een terrasje in Parijs of loopt somber kijkend door de stad. Wat je ziet, is een patrouillerende agent, bloemen voor de deur van het kantoor van Charlie Hebdo en wat je hoort zijn gedachten over de ellende in de wereld. Zijn gedachtespinsels vliegen alle kanten op zonder de kern te raken en zijn allemaal even zwartgallig.
Met weemoed denk ik aan een lezing die ik eens in Tilburg bijwoonde van George Steiner, ook niet één van de lolligste overigens, die de lof bezong van terrasjes, koffiehuizen en wat dies meer zij. Je kunt er de krant lezen, zoals Heije doet, maar ook met elkaar praten en … je genieten van de eerste zonnestralen van de lente.
Opeens lees ik meer – en terechte – kritiek op Heijne, wiens geschriften ik tot nu toe meestal met instemming las. Bijvoorbeeld van Job Stufkens (in: Troost, Heeswijk 2014, p. 77): ‘Naar mijn mening leidt kennis van het verleden niet louter tot somberen. Deze kennis kan je namelijk ook inspireren om te streven naar een meer positieve en optimistische toekomstvisie.’ Zo is het maar net.

Gaudate et excultate
Het je verheugen op de lente hoeft je niet meteen  in een juichstemming te brengen, zoals de titel van de exhoratie van de paus ons wil voorhouden, maar  ook – of juist – het genieten van kleine dingen zoals een eerste zonnestraal kan inhouden en tegelijk weet hebben van de ellende in de wereld en er iets aan proberen te doen, hoe klein ook, moge duidelijk zijn. En dat weet paus Franciscus natuurlijk uiteindelijk ook: heiligheid zit er voor hem ook in het alledaagse en in kleine gebaren. Blijf, zegt hij, uit de greep van het kwaad en laat je in met het goede. Zoiets.

Drieluik

Tijdens de boekenweekuitzending van De Wereld Draait Door, ‘Heimwee’, op 8 maart jl. werd voor de zesde en laatste maal tijd ingeruimd voor Hier is Adriaan van Dis. Tijdens deze uitzending las de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhour het gedicht ‘Wij’ voor. Ik geef daar hieronder een gedeelte van, in de vertaling die de ondertiteling gaf:

Wij die zijn rondgestrooid
als granaatscherven
van wie het vlees door de lucht vliegt
als regendruppels
bieden iedereen in deze beschaafde
wereld onze oprechte excuses aan
mannen, vrouwen en kinderen
omdat we onopzettelijk
in hun veilige huizen verschenen
zonder toestemming te vragen.
Wij bieden onze excuses aan
omdat we onze afgerukte lichaamsdelen
in hun sneeuwwitte geheugen
hebben geprent
omdat we in hun ogen het beeld van
de normale, complete mens schenden
omdat we zo schaamteloos waren om
plotseling op te duiken in het journaal
op de internetpagina’s en in de kranten
naakt, met alleen ons bloed
en onze verkoolde resten.
Onze excuses aan iedereen
die niet rechtstreeks durfde te kijken
naar onze wonden
uit angst dat het schokkend zou zijn.
Excuses aan iedereen die zijn avondmaal
niet meer door zijn keel kreeg
na onverwacht geconfronteerd te zijn
met onze verse beelden op de televisie.

Het gedicht sloeg, laat ik voor mezelf spreken, in als een bom. En ik kan daarom de beelden van Bas de Wit (zie foto links: Grow with the Flow) die Galerie Gerhard Hofland (Bilderdijkstraat 165c, Amsterdam) tot en met 7 april a.s. laat zien, niet anders meer zien dan door de bril van Ghayath Almadhour. Al betekenen ze misschien heel iets anders – wat, laat zich overigens ook raden.

En ik kan het lied Schone handen van Wende ook nier anders meer horen dan als de keerzijde van het gedicht van Almadhour. Ook hiervan een gedeelte, het begin:


hetzelfde liedje
het is hetzelfde liedje
hoe vaak ga ik het nog zingen
alle boeken open, zoeken
hoe uit de knoop te komen
de stappen van dromen
naar iets wat echt is
ik mis mijn vader, een pad
iemand die zegt ga rechtsaf, adem uit
iemand die zegt, gewoon beginnen
ik blijf binnen
lees de krant en houd mijn adem in

Ik lees de krant, kijk naar de televisie, en zie beelden die schuiven over die van Bas de Wit. De figuren zetten erin misschien stappen van dromen, maar ik vertaal ze sinds Almadhour naar iets wat echt is. Het beeld van de normale, complete mens is geschonden. Maar ík kan en mag me niet excuseren. Zo is het en niet anders.

Het verslag van Brodeck

Het is weer Boekenweek! Om een keus uit het gigantische aanbod makkelijker te maken, neem ik hier twee paragrafen over uit mijn MA-scriptie over Susan Neiman en Philippe Claudel. Ik bestudeerde hierin onder meer Claudels roman Het verslag van Brodeck, dat nog steeds in de handel verkrijgbaar is, en bekeek in hoeverre een roman over het kwaad de filosofie, met name Neimans boek Het kwaad denken, dit onderwerp kan aanvullen. Ik neem de paragraaf over de schrijver zelf over alsmede de introductie op genoemde roman. Hierin komt ook het thema van de Boekenweek, de natuur, even aan de orde …

Philippe Claudel
De in 1962 geboren schrijver Philippe Claudel bouwt aan een buitengewoon consistent oeuvre. Dezelfde thema’s komen terug in zowel zijn boeken als in zijn films.

In een interview met Laurence Haloche, dat als extraatje is opgenomen op de dvd van de film Il y a longtemps que je t’aime (UGC, 2008), vertelt Claudel dat hij denkt in beelden en deze weergeeft in woorden, verf of film. Het ene beeld vraagt om een film, het andere om een boek. Het ene vraagt om taal, het andere om stilte.

De personages die op Claudels pad komen, zijn geen gelukkige mensen, want deze zijn volgens hem qua dramatiek en verhaal minder interessant. Hij zoekt naar een dialectische verhouding tussen voortbestaan na een traumatische ervaring, latente dood en het appèl dat een ander op je doet, zonder dat hij daarbij in de filosofisch-literaire traditie van een Camus of Sartre staat. Hij is eerder een schrijver die registreert en situaties aanvoelt zoals de schrijver György Konrád (1933). Omdat Claudel zijn personages over breuksituaties van het leven laat nadenken, raakt hij aan existentiële en filosofische vraagstukken.

Claudel is in Nederland vooral bekend geworden door zijn boek Les âmes grises (2003, Nederlandse vert.: Grijze zielen). Ook de hoofdpersoon uit het Verslag van Brodeck kan min of meer als een grijze ziel worden gekenschetst. Aan de ene kant staat hij open voor vreemdelingen en vluchtelingen, aan de andere kant blijkt aan het slot van de roman dat hij ook niet helemaal vrij van zonden is. Claudel verkent zo het grijze gebied tussen goed en kwaad. Een gebied dat andere denkers nadrukkelijk tot een uiting van het kwaad rekenen, maar dat in zijn visie wordt genuanceerd.[1] ‘Zwart’ en ‘wit’ staan ook in de roman Het verslag van Brodeck niet als zodanig tegenover elkaar, maar zijn eerder met elkaar verweven. Niet alleen wat betreft het grijze gebied tussen goed en kwaad, maar ook meer impliciet in de vorm van metaforen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van natuurverschijnselen als zware sneeuwbuien, die als zodanig donker én wit zijn en van een oxymoron wanneer er sprake is van “zwart licht”, terwijl wit ofwel wordt omschreven als “wit als room”, en “melkachtig” licht of wit, wat in alle gevallen een troebele vorm aanduidt. Hiermee boort Claudel een laag aan die Neiman niet aan bod liet komen, wellicht omdat dit middengebied tussen goed en kwaad binnen het conceptuele denken ongrijpbaar is.

Het verslag van Brodeck
In zijn uit 2007 daterende roman Le rapport de Brodeck (Het verslag van Brodeck) draait het in wezen om twee verslagen: dat wat het hoofdpersonage, Brodeck, in opdracht van burgemeester Orschwir moet schrijven over een gebeurtenis in het dorp in de bergen van een niet nader omschreven land, en dat wat Brodeck zelf in de kantlijn ervan schrijft.

Brodeck dient een verslag, een reconstructie te schrijven opdat een “gebeurtenis, drama of incident” in het dorp wordt begrepen. Hij walgt van het idee, maar weigert de opdracht niet, omdat hij niet zo wil eindigen als Anderer, een vreemdeling die na de oorlog in het dorp was beland. In zijn eigen verslag beschrijft Brodeck zijn eigen geschiedenis. Hieruit komen we te weten hoe hij zelf in het dorp terecht is gekomen, daar werd opgevangen door een oude vrouw, Fédorine, en dat hij naar een kamp werd gestuurd Zijn echtgenote, Emélia, werd voor deportatie gespaard maar wordt wel, nadat zij drie vrouwelijke vluchtelingen binnen had gevraagd, net als deze meisjes verkracht. Uit deze verkrachting wordt Poupchette geboren, die Brodeck beschouwt als zijn eigen kind. Emélia vervalt na deze ingrijpende gebeurtenis in stilzwijgen.

In de trein op weg naar het kamp, steelt Brodeck samen met een vriend, de student Kelmar, water van een moeder, dat was bestemd voor haar kind. De moeder en het kind overlijden nog voor ze het kamp hebben bereikt. Dit voorval kan en wil Brodeck niet vergeten in het besef dat ieder mens tot op zekere hoogte “een grijze ziel” is waarin ook kwaad schuilt. Dit besef ligt ten grondslag aan zowel het begrip dat Brodeck heeft voor de dorpelingen die Anderer hebben vermoord als aan het besluit om niet alleen zijn eigen geschiedenis maar ook het verslag voor de burgemeester in de ik-vorm te schrijven.

Het willen herinneren van de gebeurtenis in de trein staat in schril contrast tussen het feit dat burgemeester Orschwir het drama in het dorp wil vergeten. Een blijvende herinnering is volgens hem een groot gevaar, waardoor hij besluit het Verslag in de haard te gooien zodat het verbrandt.
Het leven dat Brodeck na terugkomst uit het dorp lijdt, beschouwt hij als zijn straf, evenals het zwijgen van Emélia. Het boek eindigt met het vertrek van Brodeck, Fédorine, Emélia en Poupchette uit het dorp.

 

[1] Zie: Simon J. Dingemanse, Leven tussen goed & kwaad (Zoetermeer 2015) 56: “Het kwaad kan zich daarnaast uiten in passiviteit en onverschilligheid.” Waarde hechten aan dit tussengebied wil nog niet zeggen, dat de mensheid geen behoefte zou hebben aan helden en voorbeeldfiguren!

Midsummer Night’s Dream bij HOVO Amsterdam

Rond 23 maart a.s. verschijnt de brochure met zomercursussen van HOVO Amsterdam. In een e-mail werd deze aangekondigd, inclusief een rijtje cursussen waaronder een over The Midsummer Night’s Dream van Shakespeare. Ongetwijfeld door drs. Ron Hoffman. Deze docent gaf eens eerder een lezing over dit toneelstuk voor de Volksuniversiteit Amsterdam (18 juli 2005). De met persoonlijke opmerkingen aangevulde aantekeningen die ik toen maakte, neem ik hier als blog over. Om u enthousiast te maken voor de HOVO-cursus.

Er bestaat zowel nabijheid als afstand tussen ons, onze tijd en (die van) Shakespeare. Vergeet niet, dat er een ander wereldbeeld bestond, waarin 99,9% van de mensen geloofden, naar de kerk ging, én goed konden luisteren maar meestal niet konden lezen. Toneelbezoekers herkenden blank verse tegenover proza en wisten een sonnet te onderscheiden, zoals die in Romeo en Julia voor komt. En ze herkenden de bronnen ervan. Maar we moeten niet vergeten dat Shakespeare daarin altijd aan het veranderen sloeg. Hij was zeker niet origineel. Immers: imitatio was de bedoeling, het op een hoger plan brengen van die bron. De plot van Midsummer Night’s Dream is wel origineel. En dat noemen we aemulatio.
Zijn kunst is zeker niet alleen hoge cultuur. Het was ook de tijd van bearbaiting (een beer die een hond van zich af moest zien te houden), toneel naast stews (prostituees) – niet gescheiden, maar door elkaar.

Heel mooi is de monoloog van Helena (eerste bedrijf): Love looks not with thee yes, but with the mind. Door Dolf Verspoor lelijk vertaald met: De Liefde kijkt niet uit – het hart bemind. Terwijl ik hierbij eerder moet denken aan een joodse wijsheid als: kijken met je hart.
Elders zegt Pyramus: I see a voice (…) I can hear my Thisbe’s face. Door Dolf Verspoor wél weer mooi vertaald: Wellicht kan ik mijn Thisbie’s aanschijn horen.
In deze zinnen klinken Bijbelteksten mee – maar dat hoef je je als toeschouwer niet persé bewust te zijn. Zo zegt ook Puck bijvoorbeeld: I’ll put a girdle round about the earth in forty minutes (II.1). Die veertig als getal staat er niet voor niets, al is het bij Verspoor drie kwartier geworden – en weg is daarmee de intertekstualiteit.

Leuk is altijd een toneelstuk in een toneelstuk, waarbij wordt gespeeld met werkelijkheid en schijn. Het is knap dat Shakespeare de ‘rude mechanicals’ als groep ten tonele voert, maar toch individuele trekjes geeft, op de grens van middeleeuwen en renaissance.
In de Franse romantiek werd Shakespeare uitgespeeld tegen Racine, ‘natuur tegen conventie, genie tegen talent, gevoel tegen rede’ (M. Evers, Veranderende grenzen). Het geniale is dat hij dingen weglaat – zodat we vierhonderd jaar later ons nog kunnen afvragen waar het eigenlijk over gaat. En dat zijn dan geen simplismen à la Hamlet is een twijfelaar of iets dergelijks. De tragische held als beeld komt al van Aristoteles. Waar Shakespeare mee bezig is, is iets heel anders (goed, slecht enz.).

Zonder overigens tot een moralist en didacticus te verworden. Zeker: elk toneelstuk biedt ruimte voor eigen interpretatie, maar Hoffmann leerde ons ook en vooral genieten van klanken, rijm, assonanties enz. Of zoals de nar in Twelfth Night het laatste woord heeft: And we strive top lease you every day. Amuseument van hoog niveau voor een breed publiek, met een diepere laag eronder. Dat was en dat is het. Shakespeare speel je met je hart en met je oren; zijn eq en zijn iq waren in evenwicht.
Zie het verschil in aanpak: Sascha Bulthuis gebruikte techniek om haar personages over het voetlicht te brengen, Halina Reijn probeert grenzen uit, elke keer anders. Ik hoop dat ook komend seizoen, na de HOVO-cursus, ook weer veel Shakespeare-voorstellingen te zien zullen zijn!

De tussensfeer

Momenteel lees ik het nieuwste boek van Joke J. Hermsen, Rivieren keren nooit terug. Op een gegeven moment heeft zij het over het feit dat je ‘altijd een of ander “tussen” moet opzoeken.’ Daarbij moest ik onwillekeurig denken aan lezingen van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy en Luuk van Middelaar tijdens de Dag van de Filosofie (2010) in Tilburg. Ik schreef daar eerder over in Wervelingen (herfst 2010) – een column die ik hier met toestemming overneem.

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy heeft in zijn essay De Indringer, dat hij schreef na een harttransplantatie gevolgd door kanker, over ‘een constante veruiterlijking’ van zichzelf. Hij wordt opgemeten, gecontroleerd, getest. Terwijl, zegt Nancy, ‘de felste vijanden’ van binnen zitten: ‘oude virussen, die zich altijd al schuil hielden’, en protheses, moeren, bouten en staven.
Ik moest hieraan denken tijdens niet alleen de lezing die Nancy hield tijdens de Dag van de Filosofie, 24 april 2010 in Tilburg, maar ook tijdens de daaropvolgende lezing van Luuk van Middelaar, met zijn boek De Passage naar Europa winnaar van de Socrates Wisselbeker 2010.
Van Middelaar heeft het in zijn boek over een ‘binnensfeer’ (de Europese instellingen) en een ‘buitensfeer’ (nationale staten). Maar ook over een zogenaamde ‘tussensfeer’ (de Europese Raad), waarin mensen elkaar ontmoeten en gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Om dat laatste nu gaat het mij hier: de tussensfeer.

De buitensfeer

Maar eerst de buitensfeer. Met enig afgrijzen las ik hoe Wilma de Rek en Bert Wagendorp in een artikel (in: de Volkskrant, 27 maart 2010, overgenomen in Filosofie Magazine nr. 3/2010) spraken over ‘een oud, volledig kromgetrokken mannetje’ en over een ‘gebocheld exemplaar’ [vet van mij, vS].
Hier is de veruiterlijking, het geëx-poseerd zijn oftewel het bloot-gesteld zijn aan de blikken van een ander waar Nancy het over heeft, op een treurige manier weergegeven.

De binnensfeer

Het spel dat Nancy tijdens zijn lezing speelde met de inhoud van het woord ‘beyond’ is bij De Rek en Wagendorp afwezig. Nancy ziet in dit woord de definitie van wat filosofie volgens hem moet zijn oplichten. Iets dat ‘sensible’ is, ‘sense’ geeft. Datgene ook dat ‘sensitive’ is. En dan vat Nancy het woord ‘beyond’ niet op als iets metafysisch, maar in ontologische zin, als leer van het zijn.
De Rek en Wagendorp hebben het over ‘een mannetje’ en een ‘exemplaar’, maar kunnen zich er niets wezenlijks bij voorstellen. Als zij dat wel zouden kunnen, zouden zij om te beginnen de buitensfeer verruilen voor de binnensfeer. Een sfeer die in de bijbel in overdrachtelijke zin ‘met ontferming bewogen’ wordt genoemd – wat dan letterlijk staat voor de ingewanden die gaan rammelen bij het zien van bijvoorbeeld ‘een oud, volledig kromgetrokken’ of ‘gebocheld’ medemens. Over wie vervolgens een zegenspreuk wordt uitgesproken, zoals Eliyahu Sidi (Parijs, 1936) op een serie gouaches toonde die in het Joods Historisch Museum te zien waren tijdens de tentoonstelling Count your blessings (14 februari t/m 24 mei 2010).

De tussensfeer

Nog een stap verder en we komen in de tussensfeer terecht, waarin zieken en gezonden, jong en oud, blank en zwart elkaar werkelijk ontmoeten en met elkaar in gesprek komen en naar oplossingen zoeken voor problemen die met een ziekte of handicap samenhangen.
Dit is het perspectief van het werkelijk samenleven in een stad zoals Van Middelaar die in Tilburg indirect schetste. En wat – vul ik aan – Hermsen ook bedoelt.

Othello met allure

Shakespeares Othello in de vertaling en bewerking van Esther Duysker zou je evengoed Jago kunnen noemen. Het is de trouwe rechterhand van Othello die in de opvoering door Het Nationale Theater in regie van Daria Bukvić de eigenlijke hoofdrol heeft. Een met wat Pim Fortuyn quotes strooiende en met de gebleekte haren van Wilders getooide valserik, sterk gespeeld door Rick Paul van Mulligen.

Dat zegt veel over wat Bukvić wil benadrukken: de witte wereld, hier in de personage van Jago, gunt de zwarte wereld, bij Shakespeare Othello, niet het succes waar het gewoon zonder meer recht op heeft. Of, zoals in de flyer bij het tournee te lezen valt: ‘Denk aan discriminatie op de arbeidsmarkt, het feit dat Zwarte Piet voor velen geen onschuldige kindervriend is of hoe minimaal het onderwijs aandacht besteedt aan de uitwassen van het koloniale verleden.’

Othello wordt gespeeld door de zwarte acteur Werner Kolf, en als hij tegen het eind vraagt: ‘Ben je bang voor me?’ dan komt dat binnen, al is dat niet rechtstreeks tot de zaal gericht, zoals hij op een bepaald moment wel de vierde wand doorbreekt en de zaal rechtstreeks toespreekt, frontaal.
Nu is het echt niet de eerste keer dat Othello door een zwarte acteur wordt gespeeld; Daan Schneider heeft dat voor de VPRO Gids (27 januari t/m 2 februari) uitgezocht. En ook de constatering die Bukvić in Het Parool schijnt te hebben gedaan dat ‘Othello in de grote zalen in Nederland nog nooit is gespeeld met een zwarte acteur in de hoofdrol’ behoeft enige nuancering; in Amsterdam wordt de productie bijvoorbeeld om wat voor reden dan ook niet gespeeld in de Stadsschouwburg maar in Frascati, waar je meestal de meer experimentele opvoeringen van Shakespeare voorbij ziet komen. Vreemd eigenlijk, een gezelschap met de allure van Het Nationale Theater in Frascati, hoezeer ik ze een reeks uitverkochte voorstellingen ook gun.

Ook het geweldige decor van Marloes en Wikke (Marloes van der Hoek en Wikke van Houwelingen) zou in de Schouwburg niet hebben misstaan of zijn weggevallen. En laat het duidelijk zijn: deze productie als geheel niet!
Want behalve de reeds genoemde sterk spelende Rick Paul van Mulligen en Werner Kolf, is ook met name de rol van Emilia (Lotte Driessen) er een om extra op te letten als u de kans krijgt; de meeste voorstellingen zijn inmiddels uitverkocht. Wat haar rol zo sterk maakt, is de lichaamstaal waarmee ze over het podium beweegt en haar twijfel een extra accent geeft. Zoals binnen de gehele productie al dan niet ongemakkelijke stiltes niet worden geschuwd. Die maken dat het geheel nóg sterker binnenkomt.

Ik had bijna geschreven: de boodschap nog sterker binnenkomt, maar daarmee zou ik de productie geen recht hebben gedaan. Want al valt de nadruk in de pers vaak op de insteek van Bukvić en het feit dat de hoofdrol door een zwarte acteur wordt gespeeld, het is gewoon een geweldige opvoering met een prachtige ritmiek die nog tot en met zaterdag 31 maart a.s. door het hele land valt te zien. Inderdaad: ook in enkele grote zalen.

Foto: Sanne Peper (van de website https://www.hnt.nl).

Ga je mee met de wind

Het nieuwe boek met dertig kinderliedjes en zangspelletjes van nicht Lida van den Broek-Mater, Ga je mee met de wind naar Liedjesland en illustraties van Amber Mater, ligt al enige tijd op mijn bureau. Zoals ook met het vorige boek het geval was, had ik het idee opgevat om ook hier een blog over te schrijven. Maar op de een of andere manier was het er nog niet van gekomen, omdat de invalshoek tot nu toe ontbrak. Nu die er is, steken we van wal.

En die invalshoek is misschien onverwacht: de televisieserie De Luizenmoeder op zondagavond. Dat is niet oneerbiedig bedoeld, in tegendeel zelfs; schreef ook Karl Ove Knausgård niet een prachtig hoofdstuk over dit fenomeen in Herfst (De vier seizoenen I)? Ik ga geen grappen maken over het eerste liedje, dat Goedemorgen allemaal heet en doet denken aan het ‘Hallo allemaal, wat fijn dat je er bent’ van juf Ank. Mijn tijdlijn in twitter stroomt er vol mee, van dominee Elsbeth Gruteke die tweette dat ze ‘het bijna deed vanochtend, in de kerk, na votum en groet, net als juf Ank “Hallo allemaal wat fijn dat je er bent”.’ Of van een ziekenhuisbezoeker die tweette dat de neuroloog binnen was gekomen met een ‘Hallo allemaal’ waarop ze had geantwoord: ‘Wat fijn dat je er bent’, tot grote verbazing van de specialist die de serie blijkbaar niet volgde.

Want laten we wel zijn: in het Liedboek staat een soortgelijke tekst (Lied 288): ‘Goedemorgen, welkom allemaal, / ik met mijn en jij met jouw verhaal, / lachen, huilen, vrolijkheid en pijn, / alles mag er zijn!’ (tekst Bette Westera, melodie Gerrit Baas).
Nee, het gaat mij om het taalgebruik dat niet zover van elkaar afligt: dat van dit lied, het boekje van Lida van den Broek en dat in de (kinder)kerk of het ziekenhuis. Stijn Fens memoreerde in een column in dagblad Trouw iets soortgelijks, namelijk dat het liedje ‘Hallo allemaal’ hem deed ‘denken aan het gezang waarmee de viering van mijn eerste communie opende. Als ik me goed herinner ging dat zo: “Kom nu aan tafel, kom nu maar gauw. De Heer die wacht op jou”.’ Dat moet voor kinderen een vertrouwde eenheid scheppen.

Het is ook de muziek die aan het liedje van juf Ank doet denken. En ook dat is verre van oneerbiedig bedoeld. Het gaat mij om de invloed van de toon van de melodie waarmee de liedteksten worden gezongen, die niet alleen aan juf Ank doet denken, maar ook aan een laborante die ik onlangs bij de mammografie trof. Ze zong het bijna: ‘Buik intrekken, kin omhoog en de arm ontspannen.’ Tot vier keer toe. Daarmee beantwoordde ze voor mij de vraag die Pieter Boskma in een gedicht over het Nederlands stelde:

Blijft zijn gorgelende taal
Geketend tussen zee en wolk,
Ontdaan van toppen kaal?

Het laatste liedje zegt ons gedag op de toon van juf Ank die vindt dat de ouders niet aldoor zo moeten zwaaien naar hun kroost:

Dag Man van de maan, dag Man van de maan, wat
sta je naar me te kijken? Dag
Man van de maan, dag Man van de maan,
Dat zou me toch ook wel wat lijken: Het
mannetje van de maan te zijn, zo
groot, zo klein in de maneschijn, het
mannetje van de maan te zijn, in de mane-
schijn.

Een aanstekelijke, eenvoudige melodie, net als alle melodieën en teksten in dit nieuwe boekje ook weer door Lida van den Broek geschreven. Net als de vorige uitgave wens ik het in vele handen.

Lida van den Broek-Mater, Ga je mee met de wind naar Liedjesland. Lecturium Uitgeverij, 2018.

Drieluik op zondag (II)

1.
In een andere blog, op een andere website wees ik al eerder op een mooi boek dat ik op het moment van schrijven wilde gaan lezen en nu ook daadwerkelijk mondjesmaat lees: Camus. De filosoof en de romancier van de Vlaamse filosoof Maurice Weyembergh (https://www.literairnederland.nl/het-eindejaarslijstje-2017-van-els-van-swollijstje-van-els-van-swol/). Vanmorgen was in alle vroegte het tweede hoofdstuk aan de beurt: ‘De mens die zichzelf schept en tot mythe maakt in De mythe van Sisyphus.’

Daarin citeert Weyembergh Camus (zie foto): ‘Hoe moeilijk het ook is, ik zou nooit ontrouw willen zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’  Het zijn volgens hem twee polen die ‘elkaars tegengestelden zijn én elkaar aanvullen.’ De mens moet volgens Camus in de woorden van Weyembergh ‘zijn eigen lotsbestemming ter hand nemen door zijn eigen verhalen te vertellen, door zijn eigen mythen te bedenken.’ Camus stond een wereld voor ‘die verdriet en wreedheid zoveel mogelijk uitbant, sociale gerechtigheid realiseert, en tegelijkertijd het individu maximale vrijheid laat zichzelf te scheppen.’ Het is volgens hem zinloos om de spanningen tussen het een het ander, tussen licht en donker, tussen schoonheid en de vernederden ‘te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Het gaat om een ‘dialectiek zonder synthese’, om ‘aanvaarden en verwerpen.’ En zo ontstaat er volgens hem ‘op den duur dan iets waarvoor het op deze aarde de moeite loont te leven, iets zoals bijvoorbeeld deugd, kunst, muziek, dans, rede, geest, iets dat tot een metamorfose leidt, iets verfijnds, iets krankzinnigs, iets goddelijks.’ Op die manier herhaalt en imiteert de mens op zijn best de schepping van God.  ‘In zo’n mate dat niemand verschil ziet tussen de danser en de dans.’

2.
Een uurtje of wat later bevond ik mij in het gehoor van de Vrije Gemeente in Splendor, bij een lezing van Katja Rodenburg (zie foto) over het thema ‘Duende – licht en donker, zon en maan.’ Over haar schreef ik al eerder hier een blog.
Ook zij had het over ‘kunst, muziek, dans, rede, geest’ en over een flamencozanger die dertig van de veertig keer niet dát gaf wat je zou willen. En de tien keer dat hij het wél deed, was het alsof hij niet zelf zong, alsof – om met Camus te spreken – niemand meer het verschil hoorde tussen de zanger en het gezang. Een gezang waarin eeuwen her meezongen, dat door het donker heen tot het licht was gekomen. Zoals de filosofie van Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis), over wie ik ook al eerder een blog schreef. Misschien was de zang niet mooi in de zin van de esthetica, maar gewoon – denk ik verder – maar ‘waar’ of ‘waarachtig’ in de zin van Camus: één moment van balans waarin recht werd gedaan aan zowel de schoonheid als de vernederden die de flamenco in Cadiz, aan de rafelranden van het bestaan, bezingt. Een dialectiek van aanvaarding én verwerping, waarin het leven zelf (met Nietzsche) een kunstwerk is geworden.

3.
Even later bezocht ik een straat verder het eerste deel van de dubbeltentoonstelling over Ferdinand Bol en Govert Flinck, twee meesterleerlingen van Rembrandt. In het Rembrandthuis (nog t/m 18 februari a.s., zie affiche). Het tweede deel, dat ik al eerder zag, valt te zien in het Amsterdam Museum.
Op deze tentoonstelling wordt duidelijk wat Katja Rodenburg, en pianist Maurice van Schoonhoven ook al benadrukten: duende vind je niet alleen in de flamencodans en –zang, maar in alle kunstvormen. Schoonhoven demonstreerde dit in enkele rake – en prachtig gespeelde – keuzes, met om te beginnen twee etudes op. 25 van Frédéric Chopin, halverwege in onder meer met de Prelude op. 32 nr. 12 van Rachmaninoff en tenslotte met twee etudes (op. 2 nr. 1 en op. 8 nr. 12) van Skrjabin.

Maar ook al kijkend naar met name een tafereel, van respectievelijk Rembrandt en Ferdinand Bol, probeerde ik iets van duende terug te vinden: Tobias en de engel, een verhaal dat in de deuterocanonieke of apocriefe boeken kan worden teruggevonden. Een verhaal (en gaat het volgens Camus niet om het vertellen van verhalen, om wat Bergson volgens Weyembergh ‘de fabulerende functie’ noemt?) over Tobit en Tobias.
Tobit, oud en blind, heeft in het verleden een kleine schat achtergelaten bij iemand in Medië, en stuurt zijn zoon Tobias op pad om die op te halen. Op zijn reis ontmoet Tobias aartsengel Rafaël, die hij echter niet herkent. Rafaël helpt Tobias om de schat naar zijn vaders huis terug te brengen. Bovendien geneest Tobias, met de gal van een vis die hij samen met Rafaël heeft gevangen, zijn vaders blindheid. Een deel van de schat wordt als aalmoezen weggegeven.
Ik herkende in dit schilderij verschillende (verhalende en beeldende) elementen van de duende: het verleden (de oude man, de achtergelaten schat) speelt er altijd in mee, het licht (het weer kunnen zien van Tobit) komt dóór het donker (de blindheid) heen, je moet altijd blijven zoeken naar ‘het’ moment (de schat die achtergelaten is), de vernederden (in de woorden van Camus) worden bij het verhaal betrokken en krijgen aalmoezen.

Misschien is het de engel op beide schilderijen die symbool voor de duende staat: bij Bol daalt hij uit het donker neer, als de inspiratie voor een kunstenaar (wat we allemaal zijn: levenskunstenaar), bij Rembrandt stijgt hij op (zie afb.), om weer nieuwe inspiratie te halen. Als een doorgaand proces, wat leven heet. Want volgens Camus ‘gaat het uiteindelijk om één ding, “z’n taak mens te zijn” uitoefenen.’ Ik zou haast zeggen: Mensch te zijn – uit één stuk, niet als een synthese maar dialectisch. Licht en donker. Schokkend, zei één van de mensen die de lezing van Rodenburg bijwoonde.