Waarheid en Verhaal

In een recente blog (zie link onderaan), naar aanleiding van het verschijnen van het boek Parabels onder redactie van Erik Ottenheim en Martijn Stoutjesdijk (Uitgeverij Abdij Van Berne), vraagt Marcel Poorthuis zich af of de parabel over Waarheid en Verhaal van de Maggid van Dubno (Jacob ben Wolf Kranz) wel de waarheid kan vertellen. Een verhaal biedt ruimte voor eigen interpretatie en identificatie. Maar zit de Waarheid er dan nog wel in? Zoiets als het thema van de opera Ritratto van Willem Jeths op een libretto van Frank Siera: ‘Fantasia e verità’ die onlangs zijn videopremière beleefde.

De parabel
Eerst de parabel zelf in de woorden van Poorthuis. ‘Waarheid en Verhaal zwierven door de wereld. Verhaal ging schitterend gekleed en werd overal met gejuich begroet. Waarheid daarentegen was naakt en als de mensen hem zagen wendden ze zich af. Toen vroeg Waarheid aan Verhaal: “Hoe komt het toch dat jij overal gastvrij wordt onthaald terwijl ik een dichte deur vind?” Verhaal antwoordde: “Mensen houden niet van jou. Jouw naaktheid komt onaangenaam over. Mijn warme kleren met mooie kleuren vinden ze veel aantrekkelijker. Maar ik weet het goed gemaakt: trek jij mijn kleren aan”. En vanaf die tijd dient de Waarheid zich gekleed in het verhaal aan en laten de mensen de Waarheid met plezier binnen.’

De naakte waarheid
Poorthuis vervolgt: ‘Intussen heeft de lezer allang gedacht aan “de naakte waarheid”, zoals de filosoof Kierkegaard die naar voren brengt in zijn dagboek op 1 augustus 1835. Kierkegaard wijst alle gepraat over waarheid af als die niet een waarheid is die mij persoonlijk raakt. Dat wat God van mij vraagt is waar het om draait, niet wat theologen aan algemene waarheden naar voren brengen. Weliswaar worden parabels soms verweten dat de waarheid onzichtbaar wordt in hun inkleding in bonte gewaden, maar uiteindelijk bezitten parabels juist het vermogen om niet zozeer algemene waarheden naar voren te brengen, maar om mij bij te kladden te grijpen: “Jij bent die mens!” (2 Samuel 12:7). Uiteindelijk gaat de naakte Waarheid dus toch weer schuil achter het gewaad van het Verhaal!’

Filosoferen over het kwaad
Iets soortgelijks kan worden gezegd over waartoe filosoferen over de waarheid of over een item als het kwaad toe leidt, in vergelijking tot de manier waarop literatuur, verhalen en romans dat thema aanpakken. Daarmee heb ik mij beziggehouden in mijn Masterscriptie, Het kwaad het hoofd bieden. In het kader van bovenstaand artikel van Poorthuis geef ik hier, in iets bewerkte vorm, de conclusie hiervan weer.
Onlangs kwam een nieuwe druk uit van het boek Het kwaad denken van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman waarop ik mij baseerde: Het kwaad in het moderne denken (Lemniscaat). Zij schetst hierin onder meer lacunes in filosofisch denken over het kwaad.

Neiman stelt in de eerste plaats, dat het denken over het kwaad eeuwenlang was gestoeld op het vertrouwen dat werd gesteld in de menselijke ratio. De moderne mens werd verondersteld in volle bewustzijn en in vrijheid te kunnen kiezen tussen goed en kwaad. Deze veronderstelling hing volgens haar in de tweede plaats samen met zowel het vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving en – in de derde plaats – met het vooruitgangsdenken. Beide noties komen terug in de Grote Verhalen van bijvoorbeeld religie en socialisme.

Grote Verhalen
In de twintigste eeuw raakte de notie van de Grote Verhalen, het mensbeeld dat uitging van maakbaarheid en vooruitgang in de geschiedenis, van religie en socialisme op de achtergrond. Hieruit spreekt volgens Neiman een toenemende terughoudendheid ten aanzien van niet alleen de idee dat het kwaad ooit te herleiden is tot een hogere orde maar ook ten aanzien van de kracht van de ratio.

In haar reconstructie van het denken over het kwaad neemt zij de aardbeving in Lissabon (1755) als beginpunt en Auschwitz als eindpunt. Auschwitz staat volgens haar voor de mislukking van de moderne opvatting van het kwaad, waarin het kwaad wordt begrepen vanuit en gekoppeld wordt aan bedoelingen van de mens. Deze kantiaanse opvatting verloor volgens Neiman na Auschwitz alle aannemelijkheid. Bij het beschrijven hiervan heeft zij veel ontleend aan de analyse die Hannah Arendt gaf over het proces van Adolf Eichmann. Arendt wijst op diens onnadenkendheid, die doorslaggevende gevolgen had. Bovendien verloor in het licht van Arendts analyse ook het vooruitgangsdenken elke vorm van geloofwaardigheid.

Alternatieven
De leemte die Neiman vervolgens in het filosofisch begrippenapparaat aanwijst, slaat op het ontbreken van een interpretatiekader bij de duiding van het kwaad. Er lijken nog geen alternatieven gevonden te zijn om in die lacune te voorzien. De vraag is nu in hoeverre een literair werk in deze leemten kan voorzien. Bij de beantwoording van deze vraag keek ik naar studies van twee wijsgerig theologen.

Om te beginnen Ungolf U. Dalferth, die stelt dat het kwaad geen denkprobleem is, – zoals Neiman stelt -, maar een existentieel probleem. Jean-Claude Wolf, de andere denker, laat het belang zien van het exodus- of uittochtmotief. Hij stelt het begrip exodus, de uittocht centraal en plaatst dit bij uitstek in het perspectief van hoop of verzoening. Hoewel de aandachtspunten die beide denkers te berde brengen op een christelijke achtergrond en interpretatie berusten, gaat deze interpretatie dit kader te boven. Immers: het menselijk lijden dat Dalferth beschrijft, en het pelgrimsmotief dat Wolf aan de menselijke ervaring hecht, kunnen ook geheel seculier worden geduid. Dit heeft tot gevolg dat ze daarmee als zodanig in een wetenschappelijke analyse inpasbaar zijn.

Conclusie
Een literair werk kan dan met andere woorden in de door Neiman gesignaleerde lacune voorzien, omdat een probleem als het kwaad op een andere, mijns inziens meer vruchtbare manier benadert dan Neiman in haar boek deed, namelijk als een levensvraag in plaats van als een denkprobleem. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat romans (of parabels) tot op zekere hoogte in de door Neiman gesignaleerde leemten kunnen opvullen, in die zin dat de roman een ander pleidooi voert en een andere – wellicht vruchtbaarder – insteek kent voor het benaderen van het kwaad en de gevolgen daarvan dan een filosofische studie als die van Susan Neiman.

 

https://parabelproject.nl/een-parabel-over-waarheid-en-verhaal/

Rebels en dwars

In de rubriek ‘Mijn favoriet’ (NRC Handelsblad) las ik over iemand die een kunstwerk van Hugo Tieleman kocht. Hij let, schrijft hij, bij zijn aankopen er altijd op of het werk harmonie heeft, ‘zoals muziek geen dissonanten mag hebben.’ Oké, dat is zijn opvatting. Maar net zomin als het leven altijd harmonieus verloopt, net zo goed mag – of moet misschien wel – muziek op z’n tijd dissonanten hebben om dit uit te kunnen drukken. Rebels en dwars, als het thema van de Boekenweek dit jaar, waarin terecht een schrijver als Gerrit Komrij (weer) aandacht krijgt.

De rubriek speelde een dag later nog door m’n hoofd. Eerst bij een grote boekwinkel in de stad, waar tussen de ramsj een piano staat (of liever: stond, want hij is weg), met een zitje ernaast – om wat te lezen, te mijmeren of naar de pianomuziek te luisteren. Een sjofel uitziende, oudere heer in regenjas, model Carmiggelt, nam achter de piano plaats en probeerde wat toetsen in allerlei registers uit. Over de hele omvang van het klavier: ping, ping, ping. Als een atonale melodie.

Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon,
en daar is wel wat voor te zeggen.
(Christiaan Weijts)

Beethoven – een rebelse en dwarse man, zo gaat hij door. Toen, opeens, op het moment dat ik de hoop al een beetje had opgegeven, speelde hij vloeiend achter elkaar wat jazznummers. Bijna was hij uit het dagelijks leven gevallen, maar hij hernam zich, zonder acht te slaan om de mensen om hem heen.

Ik ben niet mooi meer,
ik heb in het gesticht gezeten,
mijn vingers staan stijf van de medicijnen,
en toch ga ik een blues spelen op de piano
(Rogi Wieg)

Ik verliet de boekwinkel en liep naar het theater waar studenten van de Theater-vooropleiding Amsterdam een stuk van Shakespeare zouden spelen: Troilus en Cressida. Een van de studenten zat in een ochtendjas met tijgerprint achter een piano en speelde erop, tussen de bedrijven en zijn rol als Hector door; zoals we van oorlogsmisdadigers weten dat ze graag piano speelden. Tegen het eind van het toneelstuk zegt hij dat zijn dagtaak is gedaan, en de avond goed doet:

Zwaard, rust, je bent verzaad van dood en bloed.

Met een klappertjespistool wordt Hector gedood. Hij valt van de pianokruk, random wat toetsen aanrakend. Wanneer hij uit de tijd valt, de eeuwigheid in, klinkt weer een atonale melodie. Ping, ping, ping.

de rest zijn
afgevallen noten
die aan het

behang zijn
blijven plakken
(Henk Knibbeler)

Dissonanten. Zoals het leven op z’n tijd zelf, maar het bestaat wel

een geluidloos, teder akkoord
dat alle dissonanten samenvoegt
(Peter Handke)

En dat zegt een van de meest rebelse en dwarse denkers uit de vorige eeuw. ‘Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren’ luidt de kop boven een recente recensie van zijn experimentele werk op Literair Nederland: https://www.literairnederland.nl/recensie-peter-handke-de-angst-van-de-doelman-voor-de-strafschop/

 

Deze blog verscheen eerder in een iets andere vorm op de website Literair Nederland (21 juni 2017) en wordt hier in het kader van de Boekenweek 2020 hernomen.

Verhalenbundel als troost

Verleden week was het De Week van het Korte Verhaal. Reden om weer eens een bundel van een van mijn geliefde verhalenschrijvers van de plank te pakken. Naast Mensje van Keulen is dat onder anderen Thomas Verbogt. Mijn keus viel op Echt iets voor jou van Verbogt (Nieuw Amsterdam Uitgevers), over wiens werk ik zo eens in de drie jaar een blog schrijft, lijkt het wel. Ik plak er tevens een vraag aan vast die tijdens De Week speelde: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen?

Echt iets voor jou
Eerst de bundel Echt iets voor jou. Deze bestaat uit verhalen over het gewone, alledaagse leven. Over kleine, herkenbare dingen die je soms groter maakt dan ze eigenlijk zijn. Over een boek waar je je zinnen op hebt gezet, en dat net ‘oppelepop’ is. Over rijles in een automaat, wat alleen voor ‘speciale gevallen’ is weggelegd. Verplicht levertraan (en melk) moeten innemen c.q. drinken. Worden aangehouden door de politie. Het saamhorigheids-gevoel dat bij de huisarts ontstaat, wanneer iedereen op een bepaald moment een griepprik komt halen. Over het raden van het uiterlijk van iemand op grond van zijn stem, en er dan vreselijk naast zitten. Over een politieagent die vraagt of je slachtofferhulp wil, een verbouwing in huis. Een tandarts die denkt dat hij lollig is. Een fles wijn na een lezing krijgen, waarvan ‘de boodschap lijkt: “Drink maar snel op, dan ben je gelijk vergeten waar je was”.’ Of – tenslotte – een opmerking krijgen over de donkere kleren die ‘je altijd draagt’.

Allemaal herkenbaar en in recensies vaak omschreven met trefwoorden als ‘melancholiek’, ‘lichte toon’, ‘humoristisch’, ‘loom’, ‘lichtvoetig’, ‘komisch’ en ‘absurd’. Eén woord ben ik echter nog nooit tegengekomen, terwijl Verbogt – van wie onlangs een nieuwe bundel verhalen is verschenen, die vreemd niet genoeg in aanmerking kwam voor de J.M.A. Biesheuvelprijs –, en dat is ‘troost’, terwijl de schrijver zelf eens heeft gezegd dat hij dat ‘het allerliefste doet, troosten, troosten en nog eens troosten’.
De titel van de bundel, die ook de titel is van een van de circa veertig verhalen is, zou je ook kunnen lezen als: Ík weer, en niet zozeer als een aanbeveling van iemand over een boek: ‘Dat boek is echt iets voor jou’ (dat overkwam mij met De Da Vinci Code van Dan Brown en ik vond het niet mooi, wat dat dan ook mag inhouden) of een afkeuring berustend op een vooroordeel: ‘Je houdt vast niet van popmuziek’ (en laat ik dat soms best wél doen).

Moet een verhalenbundel een eenheid vormen?
Dat titelverhaal leidt mij tenslotte naar bovengenoemde vraag: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen? Natuurlijk maakt de stijl van een auteur en zijn manier van kijken (‘melancholiek’ enzovoort) dat dit vanzelf al zo is. Dat die vraag opeens opdoemt, zou wel eens alles te maken kunnen hebben met – denk ik als cultuurwetenschapper dan maar – het feit dat er, zoals Marian Donner in een bespreking van het recente essay Mens/onmens van Bas Heijne (uitg. Prometheus) schreef: ‘Er heerst een gedeeld gevoel van verlies van samenhang. Er is geen gemeenschap meer’. En ze citeert (in De Groene Amsterdammer, 20 februari 2020) Heijne: ‘Vandaar de nieuwe hang naar de groep, de bubble, het houvast van de identiteit, het verlangen naar ondeelbare uniekheid op basis van afkomst, nationaliteit, kleur, geloof, politieke overtuiging. Het verlangen samen te vallen met iets wat groter is dan jezelf, zodat de illusie van een soort van solidariteit en gemeenschap wordt hersteld’.

Misschien is dat het antwoord: de hoop op het feit dat een verhalenbundel een samenhangend geheel vormt, de illusie van een soort solidariteit met de personages die ten tonele worden gevoerd. Het verlangen naar troost wellicht. Niet alleen jij, maar ook ik.
Spannender is het dan ook wellicht om uit te zoeken wat bijvoorbeeld het korte verhaal ‘Razernij’ doet in de bundel De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) die Maxim Februari samenstelde met columns die hij de afgelopen jaren schreef en of de thematiek onderling overeenstemt tussen die columns en dat verhaal.

Links naar twee websites die een kenmerkend verhaal uit de nieuwe bundel, Olifant van zeep van Thomas Verbogt bieden (resp.’Wekker’ en ‘Als je de stilte ziet’): https://karakters.nu/podium-lees-het-kortverhaal-wekker-van-thomas-verbogt/
en: https://www.athenaeum.nl/leesfragmenten/2020/als-je-de-stilte-ziet/

 

Breuk of doorgaande lijn?

 

 

 

 

 

 

 

Op 14 februari jl. hield ik ’s middags een inleiding in het Huis van de levenskunst in de Bethelkerk in Amsterdam Oostzaan (zie foto links, EvS). Op verzoek van ds. Trinus Hibma werkte ik het thema ‘heidendom’ uit, naar aanleiding van mijn boek over Henk Vreekamp (Mythe, mysterie, mystiek) dat verleden jaar verscheen bij KokBoekencentrum. De vraag was: ‘Hoe kijken we in de huidige samenleving naar onze heidense roots? Vormen ze een breuk of een andere manier van kijken?’ Een gedeelte uit deze inleiding over bovenstaande vraag breng ik hier als blog. Plompverloren, midden in het hier iets aangepaste en met reacties aangevulde verhaal vallend.

Het eerste dat bij mij als voorbeeld van een doorgaande lijn bovenkomt, zijn de kerken die gebouwd zijn op, of aan ‘tempels van afgoden’, zoals paus Gregorius dat noemde en – sterker nog – ook goed vond dat die zo werden gebouwd, mits de kerk werd gewijd. Een mooi voorbeeld in Nederland is de Grote Kerk in Elst, tussen Arnhem en Tiel. Onder de kerkvloer vond men in 1947 de resten van twee Romeinse tempels, uit circa 50-100 van de gewone jaartelling. In de vroege middeleeuwen bouwden de eerste christenen op die resten een zaalkerk, die later in Romaanse stijl werd vergroot. Ook daarvan zijn de resten nog te zien in wat uiteindelijk tot een gotische kerk werd uitgebouwd.

Een historische opvatting
Je kunt óók zeggen dat hier geen breuk tussen heidense tempel en christelijke kerk is aangebracht, maar dat is er sprake is van een doorgaande lijn. Dat is een manier van denken die we kennen uit de boeken van de negentiende eeuwse Zwitserse historicus Jacob Burckhardt. Hij benadrukte de continuïteit en waarschuwde tegen harde, revolutionaire breuken. Als je me nu vraagt: Waar zie je dat in de geschiedenis en in de huidige samenleving, dan denk ik respectievelijk aan de middeleeuwen en aan de Arabische lente.

Wat het eerste, de middeleeuwen betreft, denk ik aan wat romancier Stefan Hertmans beschrijft in zijn roman De bekeerlinge. Een christelijke vrouw bekeert zich tot het jodendom, en Hertmans beschrijft dit als ‘een religieus alternatief voor de onrust en het geweld van de christelijke wereld’, een perspectiefwisseling. Hertmans concludeert, met Burckhardt: ‘Er loopt geen breuk (…) door de geschiedenis’. Dat Burckhardts opvattingen overigens ook een conservatieve achtergrond kennen, bleek gisteren nog weer eens uit een recensie van een boek van hem in dagblad Trouw.
Het tweede voorbeeld betreft de Arabische lente. In de slipstream daarvan voltrok zich een zachte revolutie die zich afspeelde op internet, waardoor iedereen – mits er geen censuur wordt toegepast – kennis kon maken met andersoortige ideeën. Ook hier gaat het om een alternatief, een seculier alternatief in dit geval voor onrust en geweld, en ook hier is sprake van een andere manier van kijken.

Door te spreken van vóór en ná, of het nu gaat om de kruistochten, de Arabische lente, de Tweede Wereldoorlog of de Wende, geef je tussen twee haakjes impliciet aan, dat je het voorspel tot die omwentelingen ontkend. Zo begint Johan Huizinga – een leerling van Burckhardt – zijn boek In de schaduwen van morgen (1935), dat onlangs opnieuw is verschenen bij ISVW Uitgevers, met: ‘We leven in een bezeten wereld en we weten het’. Let wel: dat was in 1935!

Niet-historische opvattingen
Er bestaan denk ik wat betreft de verhouding tussen het heidense- en christelijke denken, – om me daartoe te beperken – nog twee andere, niet historische opvattingen. De eerste voert ons terug naar het eind van het boek Als Freyja zich laat zien van Henk Vreekamp, waarin het over het visioen van de doop van Freyja gaat.
De tweede zou ik een symbolistische willen noemen, die uitgaat van gelijktijdigheid. Ik doe dat met in het achterhoofd de titel van een boek van de in oktober 2019 overleden dichteres en essayiste Anneke Reitsma: De poëzie van Ida Gerhardt in symbolistisch perspectief. Wat zij in Gerhardts poëzie zag, was onder meer suggestie en metafysische gerichtheid, – naar hetgeen dat boven ons uitgaat. Je moet je er als lezer van bewust zijn, dat poëzie op meerdere niveaus kan worden gelezen; het kan gelijktijdig naar meerdere voorstellingen verwijzen. Naar – vul ik in – een heidense én naar een christelijke.

Er worden zo nieuwe verbanden bloot gelegd, zoals Ede bij Vreekamp symbool stond voor Eden en het Kootwijkerzand, het enige woestijngebied in Nederland, voor de woestijn in Israël. Daarvoor is verwondering een vereiste, namelijk om in het alledaagse iets anders te kunnen zien. Denk bijvoorbeeld aan het gedicht ‘De disgenoten’ van Gerhardt, waarin een eenvoudig gedekte tafel de Avondmaalstafel blijkt te zijn.

Et voilà
, in de woorden van W. Dekker in een recensie over Vreekamps De tovenaar en de dominee (in: Kontekstueel, november 2010): ‘In de[ze] mystiek komt de door de openbaring geheiligde mythe terug (…). In door de openbaring worden beide (mythe en mystiek) geheiligd’. Waarmee alle drie uit de titel van mijn boek (mythe, mysterie, mystiek), of: verleden, toekomst, heden weer bij elkaar zijn gebracht. Ik had namelijk eerder betoogd, dat deze drie in het denken van Vreekamp eigenlijk niet los van elkaar zijn te zien, hetgeen in de vragen na de pauze werd bewaarheid.
Daarin ging het niet alleen over zijn visie op het heidendom, die door mij was uitgewerkt en die voor sommigen vreemd bleef, tot in zeer felle bewoordingen aan toe, maar vooral ook over zijn visie op het jodendom die in verschillende opmerkingen helaas wat dreigde te ontaarden (hier is nog steeds werk aan de winkel!), zijn visie op het Palestijnse vraagstuk, en – daar had ik eigenlijk al dan niet terecht geen aandacht aan geschonken – op human interest-vragen aangaande Vreekamps leven en sterven.

Conclusie
Als je dan tenslotte vraagt wat het heidendom (en ook het christendom overigens) in de huidige, seculiere samenleving kan betekenen, dan vind je in de beelden van Gerhardt, en ook van bijvoorbeeld Nijhoff, denk ik het antwoord: ze doordringen elkaar wederzijds.
Dat is de Sjechinah, de inwoning van God in het alledaagse, en dan mag je voor heidens in dit verband in onze tijd ‘seculier‘ lezen, want het gaat al lang niet meer alleen om Noordse heidenen als Freyja, om heidenen als de nazi’s bij de theoloog Miskotte (Edda en Thora, 1939) of om Apollo, Dionysus en Aphrodite bij de filosoof Simon IJsseling of om – zoals iemand van de ruim twintig toehoorders zei – ‘barbaren’.
Het gaat om een andere manier van kijken. Niet wegkijken maar kijken, góed kijken. Niet alleen naar ‘de’ heiden buiten ons (oorspronkelijk een bewoner van de heide), maar ook naar de heiden in ons. Vreekamp noemde zichzelf een heiden-christen die werd uitgedaagd door het jodendom. Hij erkende dat er twee zielen in zijn borst huisden: het heidendom en het christendom.

We kunnen in deze wereld niet zonder elkaar, heiden, jood en christen, om de schepping te helpen voltooien en tot zijn bestemming te brengen. Een opdracht, een mitswa zou de jood zeggen, die ons allen aangaat, wonend in één stad, in één wereld, zoals Ambrogio Lorenzetti het als een visioen à la Freyja schilderde op de lange wand in het stadhuis van Siena.
Opvallend is dat Lorenzetti ook niet-religieuze onderwerpen bij de kop pakte, wat in zijn tijd (ca. 1340) nog niet was vertoond. Het goede bestuur van de ideale stad die hij verbeeldt, laat alle mensen genieten van de oogst van hun akkers, van de wijn van het Koninkrijk en het brood uit de hemel. Sy hit swa, moge het zo zijn, zoals Vreekamp zijn Als Freyja zich laat zien eindigt. Zonder punt. Om het open te laten.

Link naar de genoemde recensie van het boek van Burckhardt in Trouw: https://www.trouw.nl/religie-filosofie/juist-ook-door-het-contrast-met-het-huidige-denken-geeft-dit-boek-te-denken~b7c062d0/

Poëzieweek 2020 en Spinoza

Afgelopen zaterdag, 1 februari, startte weer de jaarlijkse reeks lezingen met nabesprekingen vanuit de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum. Dit keer over de delen 3-5 van Spinoza’s Ethica.
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar gedurende zo’n periode (t/m maart a.s.) heb ik altijd de neiging een beetje in het onderhavige onderwerp, in dit geval ‘in Spinoza’ te zijn.

In ieder geval las ik op diezelfde (zater)dag het gedicht dat Janita Monna had gekozen voor haar rubriek ‘Poëzie’ in dagblad Trouw op Spinozistische wijze.
Het is een gedicht van de Vlaamse dichter en acteur Maud Vanhauwaert (1984), ‘Er komt een vrouw’, dat is opgenomen in de bundel Nu. Tien Dichters dat verscheen ter gelegenheid van de Poëzieweek 2020 (zie afb.).

Het eerste strofe luidt:

Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt
‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het
oneindige, laten we rennen’.

Het is een links uitgelijnde strofe, zoals er nog twee in dit gedicht voor komen. De volgende bestaat uit één regel:

Ze haakt haar arm in de mijne tot een lemniscaat.

En tot slot, met het voor deze gedichten kenmerkende underscore liggende streepje dat dit gedicht met een volgend, niet in de bundel opgenomen gedicht:

En we rennen. Met onze armen
zwaaiden wij een maat die bij ons past_

Als ik de links uitgelijnde regels ga ontleden, kom ik – met Spinoza als leidraad – uit bij een vrouw, bestaande uit lichaam en geest tezamen. Want Spinoza bracht niet langer de scheiding daartussen aan, wat Descartes deed. Lichaam en geest vormen, net als de vrouw en de ik-figuur, samen het zogenaamde parallellisme van Spinoza, alhoewel hij de term zelf – die verwarring kan zaaien – niet gebruikt. Het gaat immers niet om twee parallel lopende zaken (evenwijdig noemt Vanhauwaert het), maar om twee perspectieven, dat van het lichaam en dat van de geest, dat van het ene personage en dat van het andere in het gedicht.

De volgende regel gaat over het in elkaar haken van de twee armen tot een lemniscaat, het wiskundige symbool voor de oneindigheid die in het eerste vers al voor kwam. Ook dit kun je weer à la Spinoza lezen: de twee renners raken elkaar in het oneindige, in het absoluut oneindige (absolute infinitum), in God of de Natuur. Wat ze doen is rennen, richting daarnaartoe, zwaaiend met hun armen in een maat die bij ze past.
Wellicht is dat Bach, waarnaar iemand tijdens de nabespreking wees en het verband legde met toonsymboliek, zoals Piet Steenbakkers, de spreker voor de pauze, het verband had gelegd tussen Spinoza en de retorica. Overigens het thema van het Festival Oude Muziek dit jaar.

Het zijn maar respectievelijk drie, één en twee regels (over ritme gesproken), maar ze raken me, geven mij veel stof tot nadenken. Zoals iemand tijdens de nabespreking afgelopen zaterdag zei, dat één vergelijking die Piet Steenbakkers maakte al zóveel voor hem had verduidelijkt, dat de hele middag voor hem was geslaagd.
Het ging over iemand die zijn wiskunde weer wilde ophalen, bij de HOVO of de Volksuniversiteit. Hij zag de eerste les een som op het bord die hij/zij met geen mogelijkheid kon oplossen. Tijdens de laatste les stond die som weer op het bord, en hij/zij zag in één oogopslag (Eureka!) het antwoord: 42. Dat kon, omdat hij/zij alle stof van de tussenliggende lessen had verwerkt.

Zoiets bracht mij ook het gedicht: de hele Poëzieweek, die nog t/m 5 februari duurt, mag voor mij door die paar regels al geslaagd heten.

Week van het gebed voor de eenheid

Vandaag, op 26 januari, vieren wij de afsluiting van de Week van het gebed voor de eenheid (Raad van Kerken). Dit jaar werd het thema vanuit een oecumenische groep op Malta samengesteld. Dat thema is: ‘Zij waren buitengewoon vriendelijk voor ons’. Daarmee wordt gedoeld op de bewoners van Malta, die Paulus en andere drenkelingen uit een vergaan schip opnamen. De titel is ontleend aan Handelingen 27:18-28:10.

Aan het begin van deze week viel mij een gedicht toe van de Vlaamse dichter Koen Stassijns (1953), zoals gepubliceerd in Hemelingen (2019). Zoals ik wel eerder heb betoogd, ligt mijn hart bij veel Vlaamse schrijvers. Een kleine zoektocht op internet leidde mij naar een ander gedicht van hem uit genoemde, indrukwekkende bundel, ‘Bootvluchtelingen’ dat ik speciaal vandaag overneem:

De waarheid is een lekkende sloep die zinkt met
tweehonderd mensen aan boord die dan nog hopen
op een beter bestaan. Ze vertrekken, komen niet aan,
en daartussen ongestoord: de Middellandse Zee

uitrollend op verhitte stranden waar menigeen
de zonnebranden met zo weinig mogelijk olie
te lijf wil gaan. Tot we zo bruin zijn als diegenen
die zich zo graag bij ons hadden gevoegd maar die

in een geul van de geschiedenis zijn verdwenen.
Natuurlijk kennen wij hun namen niet, ze zijn
niet uit te spreken, en geen zee gaat ooit ten onder
aan welke vorm ook van verlies of van verdriet.

Een zee weet niets, raakt nooit haar onschuld kwijt.
En daarom houden we van haar. Omdat ze niets
onthoudt van wat in haar gebeurt. Ze plooit zich net
als wij terug, negeert wat in haar golven treurt.

En wij, wij smeren ons in, we beschermen ons
tegen de zon en haar milde gloed. En drinken,
als avondrood nagloeit op het strand, een cocktail,
verrijkt met een kruid dat enkel in Libië groeit.

De indrukwekkende bundel is uitgegeven door Atlas Contact.

Drieluik – Pijn

1. Albert Camus

Afgelopen jaar begon voor mij op twitterland met een discussie over een artikel in Trouw dat door een auteur (historicus en recensent) was opgeduikeld en opnieuw onder de aandacht werd gebracht (zie link onderaan deze blog).
Ik struikelde over het verschil dat daarin wordt gemaakt tussen de God van het Oude- en de God van het Nieuwe Testament en tweette: ‘Daar hebben we de zogenaamde Oudtestamentische, jaloerse God weer eens… Jammer, jammer toch altijd weer. Alsof er twee bestaan: een Oud- en een Nieuwtestamentische’. Voor je het weet ben je in het dualistische Manicheïsme beland.

Je kunt er de klok op gelijk zetten en op een reactie wachten. Het ging alleen niet over waar ik mee kwam (zo blijf je zelf buiten schot), maar over een artikel dat ik eens over Albert Camus heb geschreven in Bekirbénoe, een periodiekje van het leerhuis dat in de huidige vorm een beetje van de leg lijkt te zijn geraakt, als ik hun programma voor komend jaar bekijk.[i]
Die reactie eindigde uiteindelijk met de zinsneden: ‘Ik vermoed dat hier wensdenken en toe-eigening uwerzijds in het spel is’. Ook die ben ik al in een eerder verband al in heel wat toonaarden tegengekomen, tot nationalisme aan toe. Het slaat er dan op dat ik joodse elementen in het werk van wie dan ook had aangewezen. Hoe zou ’t gaan als ik als niet-islamiet islamietische elementen zou aanwijzen, gewoon als ook een bron van onze westerse beschaving die vaak wordt veronachtzaamd? De beer zou dan denk ik helemaal los zijn …

2. In het vlees

Enkele dagen later las ik in hetzelfde dagblad Trouw als hiervoor genoemd, een interview van Sander Becker met de dichter, wiskundige en filosoof Roelof ten Napel naar aanleiding van diens nieuwe dichtbundel In het vlees (uitg. Hollands Diep). Aan het begin schrijft Becker: ‘Pijn manifesteert zich in vele gedaanten, met vleselijke en geestelijke elementen in wisselende verhoudingen’. Ik kon het op grond van de hiervoor geschetste ervaring – en niet alleen die – alleen maar beamen. Ten Napel heeft de pijn letterlijk vorm gegeven in honderdveertig essayistische sonnetten, die bijna allemaal verminkt zijn, omdat ze niet de klassieke sonnetvorm bezigen, maar andere, als door pijn verwrongen. Niet dat ze allemaal autobiografisch zijn, dat niet. Want het is volgens de dichter ‘vooral belangrijk dat een goed gedicht bij de lezer iets laat meeresoneren, ook als de lezer een heel andere achtergrond heeft dan ik’.

De overeenkomst tussen de hiervoor beschreven twitterervaring en de pijn van Ten Napel is ‘het systematische leed dat mijn religie produceert’. Bij Ten Napel gaat het om LHTBI-haat, bij mij om anti-judaïsme dat steeds maar weer de kop opsteekt en niet wordt (h)erkend of omzeild. Ten Napel zegt tegen het eind van het interview dat ‘als het erop aankomt, je eerder voor pijnverlichting van je naasten zou moeten kiezen dan voor God, hoe paradoxaal dat ook klinkt’. Het is een zinsnede die geeft te denken; misschien zou het voor christenen hetzelfde moeten zijn: kiezen voor de naaste is kiezen voor God, kiezen voor God is kiezen voor de naaste.

3. Anatomie van pijn

Aan het eind van de tweede week van 2020 woonde ik de voorstelling Anatomie van pijn van regisseur Lies Pauwels bij in het Internationaal Theater Amsterdam (ITA), opgevoerd door NTGent. Eigenlijk kwam hierin alles samen: pijn in verschillende gedaanten, met vleselijke en geestelijke elementen, pijn als metafoor voor de conditie van de westerse beschaving, waarvan maar niet uit te roeien antijudaïsme denk ik een graadmeter is. Eveneens vorm gegeven als evenzovele eenakters als de sonnetten bij Ten Napel, al heb ik de tel niet bijgehouden. En evenzeer het autobiografische overschrijdend.
Niet dat er gedurende de krap twee uur telkens wat bij mij meeresoneerde, maar gefascineerd was ik wel. Door de reminiscenties aan Samuel Beckett, de onmogelijkheid om in taal te vatten of misschien zelfs überhaupt te vatten wat pijn met je doet. Misschien soms nog het beste in schrijnende muziek van Monteverdi, Marcello, Bach en uit veel andere uithoeken, hard afgedraaid. Of soms door één viool, haperend en brokje bij beetje bespeeld. Tegelijkertijd hangt er met enige regelmaat iemand in een trapeze en valt er soms uit. Het is een oproep om alles vanuit een ander perspectief te bekijken en kwetsbaarheid toe te laten. Misschien vanuit het perspectief van een jood, van een islamiet. En dan niet zeggen: ik doe daar niet aan mee, want het is mijn traditie niet, zoals een bekende hoogleraar praktische theologie en Eerste Kamerlid mij eens domweg zei. Ja, domweg – christendommelijk.

https://www.trouw.nl/nieuws/het-ethisch-reveil-van-albert-camus~b8061ae7/ (Let vooral en passant even op de titel: Het ethisch reveil … Over toe-eigening gesproken).
https://www.trouw.nl/cultuur-media/voor-dichter-roelof-26-doet-de-vraag-of-god-bestaat-er-niet-meer-toe~b4afc60b/
https://ita.nl/nl/voorstellingen/anatomie-van-pijn/3347/

[i] Ik ben het eens met de kop boven een artikel van Alex van Heusden in Roodkoper (februari 1997), dat mij werd toegestuurd door Jan Kok: ‘De noodzaak van het “leerhuis” actueler dan ooit’, maar helaas kijkt hij alleen terug en geeft voor heden en toekomst een dystopisch beeld in plaats van een uitwerking hoe het dan wél zou kunnen.

‘Ik ben een entertainment’

Als je op de flyer van de IDFA-documentaire King of the Cruise afgaat, – een film die nog steeds in de bioscoop draait (en op PICL valt te zien) -, zou je denken dat de hoofdpersoon Ronnie Reisinger, pardon: baron Ronald Reisinger, dagelijks over het dek flaneert in een Sinterklaasachtige koningsmantel. Niets is minder waar: we zien hem slechts één keer in die mantel om op de foto te worden gezet (zie foto hierboven). Meestal heeft hij een overhemd en een korte broek aan, soms een Schotse kilt.

Niet dat hij niet op wil vallen, want daar is het hem eigenlijk allemaal om te doen. Ouder worden is onzichtbaar worden, zegt hij, en daar heeft hij een broertje dood aan. En niet dat hij de enige extravagante persoon op het cruiseschip is. Neem een Estse vrouw waarmee hij vaak aan tafel zit. Zij is buitengewoon in hem geïnteresseerd en deed me denken aan een Estse die ik eens op een congres ontmoette en die elke winkel indook om een boek over Europese koningshuizen te bemachtigen. Het trekt, zegt Ronnie, baron of koning zijn.

Het is wellicht net zo’n combinatie van echt en verzonnen als de naam van het cruiseschip (Edge) en de naam van de maatschappij op de badges van het personeel (CNO). Regisseur Sophie Dros doet ook geen moeite om er duidelijkheid over te scheppen, net zomin als ze dat doet over het waarheidsgehalte van Reisingers opgediste verhalen; ‘Ik ben een entertainment’ volstaat. Dat is goed, maar denk dan óók niet dat het grote schip model staat voor ‘het’ cruiseschip, net zomin als de passagiers dat doen. Die zijn er allebei in soorten en maten.

Een cruiseschip is – de tweede hoofdpersoon van de film –, nog steeds volgens de genoemde flyer, ‘een drijvende micro-gemeenschap die aantrekkelijk is voor sommigen, en afstotelijk voor anderen’. Ik behoor een beetje tot de eerste categorie, maar denk niet dat ik me op de foto laat zetten, telkens met champagne in mijn hand of in de buurt heb, ga golven, naar de pedicure of de fitness ga. Het zijn dingen die ik thuis ook niet doe, dus waarom zou ik dat daar opeens wel doen?

Ik zie het wel om me heen: mensen die zich vol eten (zoals ook de baron, met de mogelijke gevolgen van dien; halverwege wordt hij naar een ziekenhuis vervoerd), mensen (ook jongeren, die bij mijn rederij ontbreken, zie foto) die zich vervelen en niet of nauwelijks van boord gaan, waar ik de kans te baat neem dat wél te doen om wat te zien van de steden en dorpen in het land waardoor ik heen vaar. Aan boord schrijf ik me in voor de leesclub, bezoek de korte kerkdiensten (andersoortig dan op Ronnies schip), geniet van het uitzicht, zoals dat in King of the Cruise af en toe ook mooi in beeld is gebracht, ben blij als me aan het diner een mooi gesprek toevalt in plaats van de small talk uit de film en bezoek de première van een film van David Attenborough met live muziek.

De muziek die ik verder verkies is niet de rake, ironische keuze van de film (‘Nice skin’ op het moment dat een gerimpelde nek van een oudere dame in beeld wordt gebracht), maar concerten van meereizende conservatoriumstudenten die bijvoorbeeld een Pianokwintet van Brahms spelen. En die zingende serveersters ben ik ook nog nooit tegengekomen. Wel het vriendelijke tot overdreven vriendelijke personeel dat zich afbeult. Ik pas ze af te vallen; geen dagkrantje ontvangen? Dan haal ik er wel een uit een display en niet aan de receptie, want daar vragen ze naar het nummer van je ‘Stateroom’ …

Het zijn twee werelden, die van mij en die van Reisinger en de Estse, die van het ene en het andere cruiseschip, de ene en andere (minder vervuilende) maatschappij, maar op een gegeven moment kantelt de film. In zijn luxe balkonhut vertelt Reisinger over zijn leven, het gebrek aan liefde dat hem ten deel viel en valt. Staat hij (of liever: zit hij, uitgeput op een bankje, terwijl iemand om hem heen aan het stofzuigen is) ‘symbool voor de leegte in de westerse wereld’, zoals ik ergens las? Nee – hij maakt er deel van uit, net als ikzelf op een bepaalde manier. Dat kun je maar beter erkennen en proberen wat meer inhoud aan je eigen leven te geven. Dat kan ook, ja werkelijk, op een cruiseschip.

Zie ook: https://8weekly.nl/special/confrontatie-met-jezelf/

‘Het breidt zich alleen maar uit’

De tweede en laatste blog naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van P.C. Hooftprijswinnaar Maxim Februari.

Deze keer blijf ik stil staan bij zijn opmerking, dat een roman niet valt samen te vatten, in tegenstelling tot een filosofieboek; zijn vriend René Gude (beiden filosoof) vond het omgekeerde. ‘Het breidt zich alleen maar uit’. Een opvatting die ik tussen twee haakjes tijdens een weekend over joodse filosofie bij de Internationale School voor Wijsbegeerte, geleid door Rico Sneller, ook meende op te maken als zijnde de visie van Derrida: literatuur, filosofie en theologie vormen ‘in den beginne’ een herhaling met andere woorden.
Uit de zaal volgde naadloos hierop aansluitend dan ook de vraag of interpretaties dan altijd nodig blijven. Ja, kwam uit in verschillende bewoordingen uit diverse monden.

In dezelfde week als de Spui25-bijeenkomst las ik in het tijdschrift In de waagschaal een ‘Exegetische miniatuur’ van emeritus predikant Wout van der Spek over Psalm 2 die hieraan raakt. Het is, schrijft Van der Spek, als je ervan uitgaat dat Psalm 1 later is toegevoegd, eigenlijk de eerste Psalm die ook nog eens begint met: ‘Waarom’.
De auteur schrijft van Tom Naastepad te hebben geleerd, dat het vervolg van een verhaal of een boek een herlezing ervan is. Dat is mooi, maar Van der Spek had ook dichter bij huis kunnen blijven: de Talmoed (wij zaten nota bene enkele jaren samen aan de voeten van een joodse leraar Talmoed te lernen) is de uitbreiding ervan, om Maxim Februari te parafraseren.

Mijn hart sprong dan ook op, toen ik tijdens een Bijbelcursus in mijn eigen wijkkerk de predikant Paula de Jong hoorde zeggen, dat de (Psalm)citaten in de Evangeliën meestal net niet letterlijk zijn; een soort kleine Talmoedfragmenten dus: kleine uitbreidingen, herhalingen in net andere bewoordingen, interpretaties. Derrida (zie link onder aan deze blog) zou het haar hebben kunnen nazeggen.

Zo zou je, tenslotte, Marcus 4:25 volgens haar ook kunnen lezen:

Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Niet in materiële zin, maar als sommetjes: 1+1=2, 1-1=0. De rijke wordt rijker, aan Bijbelkennis die hij/zij als rijkdom met zich draagt en die zich steeds uitbreidt. Interpretatie op interpretatie.

 

https://www.dbnl.org/tekst/_voo013201501_01/_voo013201501_01_0036.php

 

Te groot voor een sterveling

Twee blogs naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek, De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van Maxim Februari. Enkele dagen later werd bekend dat aan hem de C.C.S. Croneprijs werd toegekend voor zijn oeuvre, en een week later dat hij de P.C. Hooftprijs 2020 zal ontvangen.
Ik volg de gang van Februari’s lezing en blijf bij enkele opmerkingen die mij raakten stilstaan.

Deze eerste keer bij Fay Weldons Letters to Alice, een boek waar Februari zich wel vaker over uitspreekt. Weldon heeft het over wat Februari ‘de ziel van het boek’ noemt: erotische bedwelming, angst en beven. Dat is waarom veel schrijvers niet lezen of lezen voor zich uit schuiven: het is te groot. We mogen volgens Februari immers niet vergeten, dat de roman één van de grootste ontdekkingen van de mensheid is, net als de symfonie.

Ik herken die angst ook – een logisch bruggetje – in mijn muziekbeleving. Toen ik tijdens mijn studie in Amsterdam met een vriendin op kamers woonde, luisterden we af en toe, samen of afzonderlijk, naar de weinige grammofoonplaten die we hadden meegenomen. Eén van haar was de Sinfonia concertante in Es gr.t. KV 364 van Wolfgang Amadeus Mozart (1779).
Ik hoorde het stuk niet graag en het was die opmerking van Weldon/Februari die me op het spoor zette van het waarom.

Een opmerking die in dezelfde week, op donderdag 12 december door een rechtstreekse uitzending vanuit het Amsterdamse Concertgebouw (door Mezzo) werd bevestigd. Het waren de geweldige solisten, violiste Isabelle Faust en altvioliste Tabea Zimmermann met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van de door mij zeer geliefde dirigent Iván Fischer die de Sinfonia concertante speelden.
Met een ongekende diepgang en retorische accenten, geweldig begeleid door een orkest waarvan de leden op het puntje van hun stoel zaten, net als ik voor de buis.

Clemens Romijn schreef in Preludium, het muziekmagazine van Het Concertgebouw en het Concertgebouworkest, in een toelichting: ‘De gebruikelijke zonnige sfeer van het genre ademt het werk niet. Het Andante in c klein doet zelfs bijzonder droef en klaaglijk aan’. Dat hij daarbij er toch biografische achtergronden bij haalt, doet aan deze constatering niets af. Het werk was voor een adolescent op kamers gewoon te groots, dat is mijn conclusie die nu telt.

Dit is, zoveel jaren later anders en de grootste uitvoering, door ‘twee verschillende zielen, de viool en de altviool’ (Fischer in een pauze-interview), van een dialoog pur sang is niet langer iets om nog angst voor te hebben, maar dat je zoiets groots toch niet al te vaak moet horen (of lezen), is iets dat ik Weldon na moet geven. Daar is een mens nu eenmaal niet tegen bestand.