Zo krom als de maan

christensen_de-halfbroerroose_montaigne

In de vuistdikke roman De halfbroer van de Noorse schrijver Lars Saabye Christensen (zie afb. links) komen nogal wat personages met een als krom omschreven rug voor, zoals Boletta ‘met een rug zo krom als de maan boven de Majorstuen-kerk in oktober.’

Opvallend is dat ook de natuur in soortgelijke bewoordingen wordt beschreven: een ‘steile, groene berg die met kromme rug opstijgt uit de branding.’ Het doet denken aan de natuur in de beeldende kunst van Egon Schiele: een zonnebloem, geïnspireerd door Van Gogh, met dezelfde lijdende trekken als zijn mensenfiguren. Alsof de natuur een (zelf)portret, een antropomorfe (af)spiegeling is.

Bij Christensen klinken heel oude dichotomieën door: de mens vol schande en schaamte, in kromheid gebogen, kleingemaakt door een zwaar leven in een stad – tegenover de goede, heelmakende natuur, in dit geval een eiland. Maar de auteur legt nog een laag aan: van de authentieke, echte mens (die krom loopt) aan de ene kant en de artificiële, onechte mens (die kaarsrecht loopt) aan de andere kant.

Ook dat is een oud sjabloon. Daarvoor hoef je maar naar 17e en 18e eeuwse stads- of dorpsgezichten van Hollandse meesters te kijken: een edelman zit wijdbeens of staat rechtop en kijkt fier de wereld in, een visser of boer(in) is gezet en staat op z’n minst wat gebogen. Gerard de Lairesse deed het voor in zijn Groot Schilderboek en de Amsterdamse historicus Herman Roodenburg trok in zijn studie The eloquence of the body (uitgave Waanders) de lijn door naar het ‘echte leven.’ Rechtop lopen was een eerste vereiste in de 17e en 18e eeuw. Corsetten en operaties (Constantijn Huygens!) deden de rest. Een (rechte of kromme) houding gaf aan tot welke stand iemand behoorde.

Dit beeld werkt nog steeds door; in necrologieën over dirigent Carlo Maria Giulini werd bijvoorbeeld meermalen gewezen op diens aristocratische voorkomen in relatie tot zijn kaarsrechte houding.

Maar er zit nog een andere kant aan het verhaal dat 17e en 18e eeuwse Hollandse meesters ons tonen. Het is de Frans-Bulgaarse filosoof Tzvetan Todorov die heeft gewezen op het revolutionaire van het feit dat er voor het eerst gewone mensen al dan niet met gebreken werden getoond. Sindsdien is in de schilderkunst de scheiding tussen mooi en lelijk onder druk komen te staan.

Todorov spiegelt zich aan de filosofie van de humanist Michel de Montaigne (1533-1592). De Montaigne ging in het begin van zijn carrière, zoals het een humanist uit zijn tijd betaamde, uit van het Griekse denken. Plato, de man van het ideale lichaam in goede verhoudingen, was zijn ‘denkmeester.’ Maar gaandeweg sloeg Montaigne een richting in waarbij ook het niet-ideale werd betrokken. Dit zal zeker mede zijn ingegeven door zijn eigen zwakke gezondheid waarover hij in zijn geschriften openlijk berichtte. Maar zoals elke goede schrijver ontsteeg hij zijn persoonlijke malaise en raakte aan het algemeen-menselijke. In die zin is De Montaigne’s filosofie, waarin een verband bestaat tussen lichaam en geest zoals er bij Christensen een verband bestaat tussen mens en natuur, nog steeds actueel.

Met toestemming herplaats ik hier een eerder in Wervel-ingen verschenen culturele column n.a.v. de tentoonstelling van De Lairesse in Enschede, en het verschijnen van de biografie De vrolijke wijsheid, zoeken, denken en leven met Michel de Montaigne (zie afb. rechtsboven, uitg. Polis) door Alexander Roose.

Rachid Ouramdane L’A TORDRE

Annie HanauerOp 6 juli a.s. laten, zoals het programma-overzicht van Juli Dans (International Festival for Contemporary Dance) het zegt, ‘twee danseresssen zien hoe je van een zwakte je grootste kracht maakt.’ De één is Lora Juodkaite die sinds haar kindertijd een onbedwingbare aandrang heeft rond haar as te draaien om tot rust te komen. De Raimund Hogheander is Annie Hanauer (zie foto), die een prothese-arm heeft en zich ‘niet laat tegenhouden om toch een leven als danseres te kiezen.’ Zij dansen deze avond samen een duet van Rachid Ouramdane.
Deze aankondiging riep bij bij de herinnering op aan een Culturele column die ik over Raimund Hoghe schreef (Wervel
ingen, winter 2002). Met toestemming herplaats ik deze hier.

In een serie televisiefilms naar de toneelstukken van Samuel Beckett was onlangs uiteraard ook zijn beroemdste stuk te zien: Wachten op Godot. Michael Linsday-Hoggs, de film-regisseur, was in een opvatting van de figuur Lucky, de drager van zijn meester Pozzo, verder gegaan dan Beckett in zijn tekst aangeeft. Daarin buigt Lucky zich telkens voorover om iets voor zijn meester op te rapen, maar niets wijst erop dat hij, zoals in de regie van Lindsay-Hoggs, krom is gegroeid en constant voorover loopt. Lindsay-Hoggs laat Lucky alleen rechtop staan op het moment dat hij van Pozzo mag ‘denken’. Een ander kunstje dat hij voor twee hoofdpersonen, Estragon en Vladimir, moet opvoeren, is dansen. Dat bestaat er in de regie van Lindsay-Hoggs hieruit, dat Lucky probeert rechtop te komen. Maar het lukt hem niet. Volgens Pozzo omdat ‘hij gelooft dat hij in een net gevangen is.’

Volgens sommige kenners van het werk van Beckett is Lucky gebaseerd op de figuur van Jezus van Nazareth. Volgens hardnekkige geruchten zou uit oude Romeinse archieven, die bewaard zijn gebleven in het Historisch Museum te Rome, blijken dat Jezus bijna kaal was, een bochel had en slechts 1,47 meter was. Het archief bestaat overigens niet …

Hoe dan ook: het omgekeerde van wat Lindsay-Hoggs toont, komt ook voor: denkers die krom liepen (Georg Chr. Lichtenberg, Moses Mendelssohn, Kierkegaard). En wat heet: een danser met scoliose! Zijn naam is Raimund Hoghe (zie foto). In 1995 trad hij in Nederland op met zijn solovoorstelling Meinwärts en werd ter gelegenheid daarvan uitgebreid geïnterviewd door Marian Buijs voor de Volkskrant. De kop van dit interview luidde: ‘Ons gevoel voor esthetiek is beperkt’ en de ondertitel: ‘Theatermaker Raimund Hoghe laat publiek moed putten uit zijn eigen gebrek.’

Uit het interview blijkt, dat Hoghe jarenlang als dramaturg heeft gewerkt bij het beroemde danstheater van Pina Bausch en op een gegeven moment dingen in het theater aandurfde die hij daarbuiten nog steeds niet zal doen. ‘Op het strand kleed ik mij niet uit. Maar waarom is het eigenlijk zo’n sensatie als ik mijn lichaam ontbloot? Ons gevoel voor esthetiek is zo beperkt. Ieder mens heeft toch zijn eigen schoonheid? Kijk naar de dansers van Pina, die zijn dikker dan gangbaar is in de danswereld. Langer, ouder, ze dragen een bril en hebben geen geschoren oksels. Daar sprak men in Amerika schande van. Maar de manier waarop ze zich tonen is juist prachtig’, aldus Hoghe in het interview. ‘Ik ga van mezelf uit’, vervolgt hij. ‘Het feit dat ik daar sta, geeft veel mensen moed. Een ander is dik of dun. Het gaat erom zo te zijn als je bent en je lichaam te laten zien. Zo persoonlijk kun je in het theater alleen zijn als de vorm heel sterk is, dat heb ik van Pina geleerd. Ik kots mijn privé-gevoel niet uit. Ik heb een metafoor gevonden, heel simpel, om een beetje tolerantie en sensibiliteit op te roepen.’ En dat is iets dat in deze wereld hard nodig is.

Beeld 2: Thom Puckey

Thom Puckey_Beeld 2Alison Lapper

Tijdens Beeld 2 van de Amsterdam Art Fair 2016 toont Galerie Gerhard Hofland een beeld van Thom Puckey (foto links, Johannes Vermeerstraat 29, Amsterdam, 25 t/m 29 mei. http://www.amsterdamartfair.nl). Het beeld doet op het eerste gezicht denken aan Marc Quinns beeld van Alison Lapper op het Londense Trafalgar Square (foto rechts). Met dit verschil dat de vrouw van Puckey op een matras zit, en wordt omringd door revolvers die een groot contrast vormen met het witte marmer; je zou het met Louis Ferron een vorm van emancipatie kunnen noemen. T.g.v. deze expositie herplaats ik hier met toestemming een column uit Wervelingen (zomer 2004).

In het boek Werken van barmhartigheid, dat verscheen bij een tentoonstellingsproject uit 1998, staat bij een essay over het beeldend werk van Peter Schouten een afbeelding van diens Wervelkolom van de 20e eeuw. ‘Het beeld oogt als een reeks vleesgeworden aforismen van Elias Canetti, maar in de hoge vitrine lijkt het ook een pronkstuk uit de collectie van een museum voor natuurlijke historie’ (p. 35).

Het beeld staat als ‘pronkstuk’ ver af van de traditie binnen de afbeeldingen in het kader van de Zeven werken van barmhartigheid. Daarop was, zie ook de afbeeldingen in bovengenoemd boek, altijd wel iemand te vinden met een rugprobleem. Meteen op p. 8 is het al raak: het oudste voorbeeld in de Noordelijke Nederlanden, geschilderd door de anonieme Meester van Alkmaar (Rijksmuseum, Amsterdam). En zo gaat het maar door; iedereen kent immers de allegorie Caritas van Pieter Bruegel de Oudere (Boijmans Van Beuningen, Rotterdam).

Ook in Louis Ferrons roman Werken van barmhartigheid wordt een anders-gevormde ten tonele gevoerd, ‘wankelend achter zijn rollator dan wel strompelend op krukken’ (p. 246) – badend ‘in het licht van mededogen en erbarmen.’ De één vindt hem ‘wel een lollig ventje’, de ander ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie van minderheden van welk slag of geslacht dan ook’ (p. 247).

Tussen beide uitersten, ‘mededogen en erbarmen’ dat van de gezichten van de weldoeners op een schilderij in de traditie van Werken van barmhartigheid druipt en ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ zit een wereld van verschil. Ik betrapte me er echter op het jammer te vinden dat Peter Schouten met z’n kaarsrechte Wervelkolom van de 20e eeuw en Tineke Smith in haar serie Zeven werken (zie het boekje Zeven werken in Amsterdam; diaconie in beeld) deze traditie hebben verlaten. Immers: hier ging het om een autonome anders-gevormde, los van medelijdende dan wel neerbuigende of zelfs wegkijkende blikken. Maar uiteindelijk denk ik dat Louis Ferron gelijk heeft en dat het gaat om ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ – maar dan in combinatie met empathie.

Een voorbeeld vormt de discussie rond het beeld van Alison Lapper, een vrouw met phocomelia, een afwijking waardoor ze geen armen en korte benen heeft. Beeldhouwer Marc Quinn maakt van haar een beeld voor op Trafalgar Square in Londen. Er zijn mensen die vinden dat dit niet kan, terwijl anderen er blij mee zijn omdat het bewuster zou kunnen maken van mensen met een handicap. Maar dan, en daar gaat het uiteindelijk om, aan de hand van een autonoom beeld van een trotse en sterke vrouw, zonder de connotatie van neerbuigendheid die uit de traditie van de Zeven werken van barmhartigheid spreekt.

En dan gaat het niet meer om een neerbuigend mededogen en erbarmen van de kant van een diaconie, maar om ‘de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’, het, omdat dat de zin van het leven uitmaakt, met empathie naast degene met een handicap gaan staan en vanuit die grondhouding ondersteuning en hulp bieden waar het nodig is. Of – om het citaat van Thomas Roosenboom in zijn boek Spitzen volledig aan te halen: ‘Ja, de hongerige voeden, de dorstige laven, de naakte kleden, maar daarenboven, nog veel grotere getroosting, de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’ (p. 19).

Hilary Mantel

Mantel_HilaryMantel_De geest gevan

N.a.v. een interview met Hilary Mantel (zie afb. links) in de VPRO Gids #18 (30 april t/m 6 mei 2016) werk ik hier een column uit die ik eerder schreef voor Wervelingen (winter 2006-2007). Het interview verscheen n.a.v. de Nederlandse vertaling van Giving up the ghost (zie afb. rechts).

Eén van de hoofdpersonen in John Le Carré’s literaire thriller Absolute vrienden is Sasha. Een a-symmetrische man en voor alles een charismaticus, een ‘Quasimodo van de maatschappelijke genese van kennis’ (p. 97). Zelf brengt Sasha dit in verband met zijn Duits-zijn: ‘Voor mij geldt dat wat geen logica biedt betekenisloos is’ (p. 105). Le Carré legt dus geen link met Sasha’s scoliose en pijn. Of lijkt dat maar zo?

Zo’n stap wordt door onder anderen Hannemieke Stamperius wel gezet in haar boek Kleine theologie voor leken en ongelovigen. Haar visie doortrekkend, is het zo dat wanneer iets ten dienste van de maatschappij wordt gesteld, dit niet langer op het ego is gericht en dus is overwonnen (p. 214).
Stamperius besluit het hoofdstuk ‘Lijden en pijn’ met: ‘Geaccepteerd lijden breekt het ego af: psychologie en theologie gaan hier hand in hand. Er wordt dan ook wel terminologisch onderscheid gemaakt tussen lijden, dat de mens gevangen zet, en pijn, die mits geaccepteerd een bron van vrijheid en vreugde kan zijn. Tegenwoordig noemen we dat “empowerment”: in overwonnen lijden kan een enorme levenskracht zitten’ (p. 218).

Er is dus een link tussen het beeld dat Carré (maatschappelijke genese) en Stamperius (empowerment) schept: vechten voor de wereld en/of jezelf. Dit verband wordt ook beschreven in de dissertatie over lijden van Philip Krijger: De tragiek van de schepping.  Hij weet, net als overigens Stamperius die een botziekte heeft die ook haar gewrichten, spieren en zenuwen aantast, waarover hij praat, slechtziend en slechthorend als hij is. Krijger beschrijft drie modellen die niet naast elkaar staan maar in elkaar overgaan. Het gaat in de eerste plaats om het harmoniemodel (vrijheid en vreugde), vervolgens om het tragische model (frustratie, het lot) en tenslotte om het strijdmodel (confrontatie, maatschappelijke genese).

Maar er is nog een andere ingang. Die ontleen ik aan een interview dat Katja de Bruin had met schrijfster Hilary Mantel. Mantel heeft met haar boek Giving up the ghost, dat nu in een Nederlandse vertaling is verschenen (De geest geven) volgens De Bruin ‘grootste literatuur’ geschreven.
Mantel was, lezen we, ‘net twintig, toen ze geveld werd door vermoeidheid, braakaanvallen en een onverklaarbare pijn in haar benen.’ Het duurde zeven jaar voor ze zelf de diagnose stelde: endometriose. ‘De ziekte heeft haar leven bepaald. In veertig jaar is er geen dag geweest waarop ze geen pijn had.’ Tot voor kort, want na een zware operatie ‘kwam er ineens een dag waarop ik me realiseerde dat ik geen pijn had’, zegt de schrijfster.

In dit boek steeg de schrijfster boven haar eigen leed uit omdat ze, zoals ze stelt, zichzelf behandelde als een personage. Ze had dit boek nodig om voor zichzelf klaar te zijn om aan het laatste deel van haar levenswerk te beginnen: het derde deel over Thomas Cromwell. En dat is ze nu.
Bij haar is dus zowel het ego overwonnen (Stamperius) en leidt de confrontatie met de ziekte (en meer) tot een maatschappelijke genese (Krijger) in die zin dat de bewonderaars van haar werk dank zij haar autobiografie nu het derde deel over Cromwell tegemoet kunnen zien. Terwijl ze er zelf veel waarde aan hecht endometriose meer bekendheid te hebben gegeven.

En dan is het niet verder aan jezelf

[#Beginning of Shooting Data Section] Nikon D3X 2010/09/07 12:35:09.86 World Time: UTC+1, DST:OFF RAW (14-bit) Image Size: L (6048 x 4032), FX Lens: 14-24mm F/2.8G Artist: Peter Cox Copyright: Naamsvermelding verplicht Focal Length: 20mm Exposure Mode: Manual Metering: Matrix Shutter Speed: 1/125s Aperture: F/9 Exposure Comp.: 0EV Exposure Tuning: ISO Sensitivity: ISO 100 Optimize Image: White Balance: Direct sunlight, 0, 0 Focus Mode: Manual AF-Area Mode: Single AF Fine Tune: OFF VR: Long Exposure NR: OFF High ISO NR: OFF Color Mode: Color Space: Adobe RGB Tone Comp.: Hue Adjustment: Saturation: Sharpening: Active D-Lighting: OFF Vignette Control: OFF Auto Distortion Control: Picture Control: [NL] NEUTRAL Base: [NL] NEUTRAL Quick Adjust: - Sharpening: 2 Contrast: 0 Brightness: 0 Saturation: 0 Hue: 0 Filter Effects: Toning: Flash Mode: Flash Exposure Comp.: Flash Sync Mode: Colored Gel Filter: Map Datum: Image Authentication: OFF Dust Removal: Image Comment: [#End of Shooting Data Section]

‘Een wereldstad in de zomer’, schrijft Sjoukje Wartena in een bijdrage over een Weekje Parijs aan het winternummer 2005 van Wervelingen, ‘betekent mensen uit de hele wereld, zoveel soorten lijven, zoveel variatie in maten, kleuren, lengte, levensgeschiedenissen. Dat heeft een speciale werking. We zijn allemaal anders en allemaal hebben we ons eigen lijf en ons eigen leven en ons eigen levensverhaal. Maar dát hebben we allemaal, daarin zijn we allemaal hetzelfde.’

Daarom gaat de film Trying to kiss the moon van Stephen Dwoskin wel in op diens jeugd in het ziekenhuis, maar wordt polio niet met naam en toenaam genoemd; het gaat om het universele van zijn ervaringen, gelegd naast die van anderen. Maar Marjan Teeuwen, van de prachtige architectonische installaties van verwoeste en weer door haar opgebouwde huizen (zie afb.: Verwoest Huis op Noord, 2014), doet dat wel. Voor beide is wat te zeggen. Teeuwen is aan de ene kant daardoor gewend met tegenslagen te leven, en dergelijke transformaties van gebouwen dat óók zijn, en aan de andere kant omdat ze zelf veel struikelt en de bezoekers van de gebouwen na haar ingreep moet oppassen dat ook niet te doen.
Het is in beide gevallen, van Dwoskin en Teeuwen ‘pogingen iets van dat gemeenschappelijke individueel uit te drukken, of iets van het individuele op een gemeenschappelijk herkenbare manier uit te drukken’.

‘Na al te veel mooie jonge meisjes en vrouwenlijven in brons, marmer en op schilderijen’ had Sjoukje Wartena behoefte aan ‘Degas, die vooral veel vermoeide danseresjes schilderde, backstage, met pijnlijke voeten en zo.’ Of aan ‘grijnzen bij Toulouse Lautrec’, de zelf ook lichamelijk beperkte kunstenaar ‘die zich ook uitleefde in lelijkheid.’

Ik moest hierbij denken aan de ‘Face Farces’ van Arnulf Rainer, de beeldend kunstenaar die zichzelf met drugs en alcohol in een zekere staat van waanzin bracht en vervolgens foto’s van zichzelf bekraste, met grijns en al.

Zou dat de diepere zin zijn van het Bijbelverhaal waarin God tegen Mozes zei: ‘”Leg je hand in je boezem” en toen Mozes haar eruit trok, was zijn hand melaats, wit als sneeuw’ (Ex. 4:8): om hem even te laten voelen hoe het is om melaats te zijn?
Hans den Hartog Jager ging er in een recensie in NRC Handelsblad van 23 december 2005 mijns inziens ten onrechte ervan uit dat je uit de schilderijen van Jörg Immendorff niet zou kunnen opmaken dat hij de dood in de ogen kijkt. En al die schaduwen dan? Ze zeggen voor, en volgens mij, genoeg – zelfs als je niet weet dat Immendorff de spierziekte ALS heeft.

Alle genoemde kunstenaars doen, zoals Sjoukje Wartena tot slot van haar mooie stuk schrijft, net als wij zouden moeten wel alles ‘wat je kunt doen en alles waar je wat aan kán doen: uitgaan van feiten als gezinssamenstelling, verlangens en interesses, serieus nemen van je beperkingen, grenzen daarvan zoeken, je goed voorbereiden, voorwaarden scheppen, je ervaringen delen met je geliefden. En dan is het niet verder aan jezelf.’

Blog op basis van een column in Wervelingen (lente 2006) die ik hier met toestemming (her)plaats n.a.v. een portret van Marjan Teeuwen in Kunstuur, 17 april 2016 op NPO 2.

www.marjanteeuwen.nl

Georg Chr. Lichtenberg

Georg Chr. LichtenbergIn het kader van de Boekenweek vroeg de redactie van NRC Handelsblad enkele bekende Nederlanders naar hun geliefde Duitse literatuur. Tinkebell kwam in de Boekenbijlage (11 maart 2016) met een verrassende keuze: Donderslagen op muziek van Georg Christoph Lichtenberg (zie afb.). Ze schrijft dat ze verder had kunnen zoeken, maar ‘Hét Duitsland bestaat niet en je gaat dat zeker niet begrijpen door het lezen van één boek.’ In het kader van Tinkebelss keuze plaats ik hier, met toestemming, een column die eerder verscheen in Wervelingen (zomer 2005).

Sommige biografische notities maken er melding van, andere niet. Maar de karikatuur van waarschijnlijk Joh. Fr. Blumenbach op het omslag van de Reclam-uitgave Lichtenberg-ABC door Frank Schäfer laat niets aan duidelijkheid te wensen over: de fysicus en filosoof Georg Chr. Lichtenberg (1742-1799) had een afwijking aan de wervelkolom en was dien ten gevolge gekromd.

In de Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur heet het: ‘Was misvormd en heeft misschien juist daarom zo scherp de wereld geobserveerd.’ En in de Grote Winkler Prins: ‘Hij was een bultenaar, de geestigste en scherpzinnigste satiricus uit het laatste kwart van de 18de eeuw.’

Lichtenberg zou dit verband zelf nooit zo hebben gelegd, gegeven zijn kritiek op de fysiognomiek, de gelaatkunde van Joh. Caspar Lavater (1741-1801). Iemand is er eens mee begonnen Lichtenberg en zijn werk zó te omschrijven, en sindsdien brouwen de encyclopedieën elkaar op dit punt na. Overigens: wel bij Lichtenberg, maar bijvoorbeeld niet bij Moses Mendelssohn (1729-1786), óók een Verlichtingsfilosoof met óók een kromme rug. Maar dat laatste vermeldt de Grote Winkler Prins niet, en waarom zou zij ook als het verder geen weerslag op zijn denken (b)lijkt te hebben gehad.

De weergave in bovengenoemde encyclopedieën balanceert op wat de dichter Ed Hoornik in zijn beroemde gedicht Hebben en zijn heeft omschreven; een gedicht dat overigens niet is opgenomen in de beroemde bloemlezing van Gerrit Komrij, die tussen twee haakjes niet alleen een groot bewonderaar van Lichtenberg is maar als jongen ook in een orthopedisch korset of hessing, zoals het toen heette, gehesen werd.

Hebben is volgens Hoornik hard. Lichaam. Je hebt, in zijn lijn doordenkend, een kromme rug. Zijn is volgens de dichter

            … de ziel, is luisteren, is wijken
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

 Lichtenberg was geen bultenaar die scherp kon kijken en schrijven, maar een man met een kromme rug die een groot denker en dromer was, de ‘philosopher’s philosopher’ (Hans Driessen).

Het is zoals de zwarte theologe Doreen Hazel eens zei: ‘Ik heb een zwarte huid, maar dat moet je meteen vergeten. Ik ben zwart, dat mag je nooit vergeten.’ Het verschil tussen nature, zwart of krom geschapen zijn, en nurture, de cultuur die je al dan niet aan kunt ontlenen. Door jezelf, zoals Martin Luther King niet naliet te benadrukken – niet om van buitenaf op beoordeeld of veroordeeld te worden.

Vanuit een ander perspectief

Breitner_Kimonomeisje_1Bij een bezoek dat ik bracht aan het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag lag een stapel informatie en boeken voor me klaar over hoe in de loop van de kunstgeschiedenis ‘mensen met een rugprobleem’, zoals drs. Constance Scholten het noemde waren afgebeeld. Wetenschappelijk beschreven dan.

Literaire suggesties zoals waar Martin Schouten in zijn boek Het Palingoproer vanuit gaat, namelijk dat de personage op het schilderij Meisje in kimono (het zijn er veertien) van Breitner veel moest liggen omdat ze niet lang kon staan, mag je er zelf bij bedenken.

Voor hetzelfde geld had ik kunnen vragen hoe mensen met een rugprobleem zelf de werkelijkheid hebben uitgebeeld. Misschien doe ik dat ook nog wel eens. Ik kwam erop toen ik kort na elkaar twee artikelen las: over de schilder Meijer de Haan (in De Groene Amsterdammer van 1 november 2012) en in Wervelingen (winter 2012) over scoliose op oudere leeftijd.
In het artikel in Wervelingen stond dat een hyperkyfose (ronde of gebogen rug) ‘grote gevolgen kan hebben voor het dagelijks functioneren.’ Mensen met een hyperkyfose kunnen bijvoorbeeld ‘door hun houding mensen niet meer goed aankijken’ (p. 3). Of, zoals de hoofdpersoon, een arts, in Wanda Reisels roman Nacht over Westwoud opmerkt nadat hij iemand met een hyperkyfose heeft geobserveerd: ‘Zijn nek stond wat vooruit op zijn gebogen rug, wat het hem bemoeilijkt om iemand recht aan te kijken’ (p. 96).

Terug naar Meijer de Haan (1852-1895). Deze schilder was klein van stuk (ca. 1.50 meter) en had een gibbus. Hij bekeek alles vanaf een lager gezichtspunt dan langer uitgevallen mensen. De vraag is of dat terug is te vinden in het perspectief van zijn schilderijen. Het antwoord luidt: ja, maar dat had u al verwacht. De vraag is natuurlijk of dit kunsthistorisch interessant is. Ik denk het wel.
Daarvoor hoeven we niet alleen naar de schilderijen van Meijer de Haan te kijken (bijvoorbeeld op de website van het Joods Historisch Museum, http://www.jhm.nl of naar Le Pouldu op die van het Kröller Müller museum, http://www.kmm.nl), maar kunnen we ook te rade bij de schilderijen van een andere kleine, grote schilder: Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901). Neem zijn De wasvrouw, een vroeg werk (privébezit, Parijs) waarop een vrouw voor een dakraam staat en van onderaf is weergegeven waardoor ze extra struis lijkt.

Breitner_Kimonomeisje_2Of neem het werk van een andere Nederlander, Dick Ket (1902-1940). Kunsthistoricus Pierre Janssen vertelde in een televisie-uitzending Buch (1986) dat Ket, omdat hij leed aan een aangeboren hartafwijking, bij het schilderen zat, net zoals het meisje in kimono, Geesje Kwak (zie afb.) veel lag. Dat is ook aan het perspectief van Kets schilderijen te zien. Kijk maar eens naar Kets Stilleven met rode lap in het Gemeentemuseum van Arnhem. Ket beeldde een tafel af, met tijdschriften erop. En een viool. Aan de tafel staat een stoel met een ronde rugleuning waarover een rode doek hangt. Op de zitting staat een lampetkan en liggen wat boeken. Naast de tafel staat een koker waar je, door het hoge perspectief, ín kijkt. Of kijk naar het Stilleven met druiventros (ook in het Gemeentemuseum Arnhem) waarop hij iets soortgelijks doet.
Hoe dan ook: schilderen konden ze, die Meijer de Haan, Henri de Toulouse-Lautrec en Dick Ket! In een vernieuwend perspectief. Al kostte ze dat fysiek moeite.

Herplaatsing met toestemming van column die eerder verscheen in Wervelingen (zomer 2013) n.a.v. de tentoonstelling van alle veertien kimonomeisjes (1893-1895) in het Rijksmuseum te Amsterdam die 20 februari 2016 opent. Allemaal hetzelfde meisje, maar hoe inventief: de ene keer in een oosterse zetting, de andere keer met een stenen muur als achtergrond, of in vlakken die haast naar een zekere abstractie toewerken. Aanbevolen!

Een ‘bucklicht Männlein’

Das undatierte Archivbild zeigt den deutschen Schriftsteller Thomas Mann. Der "größte deutsche Epiker des 20. Jahrhunderts" wurde vor 125 Jahren, am 06.06.1875 in Lübeck geboren. Schon sein erster Roman "Buddenbrooks" (1901) machte ihn weltberühmt. Weitere wichtige Werke sind "Tod in Venedig" (1912), "Der Zauberberg" (1924) und "Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull" (1954). 1929 wurde er mit dem Literatur-Nobelpreis ausgezeichnet. Als Kritiker der Nationalsozialisten emigrierte er 1933 in die Schweiz, später in die USA, wo er 1944 die amerikanische Staatsbürgerschaft erhielt. dpa (nur s/w; zu dpa Themenpaket "Thomas Mann" am 29.05.2000)Walter Benjamin

In het laatst verschenen nummer van Filosofie Magazine (februari 2016) staat een ‘Historisch profiel’ van Walter Benjamin (1892-1940, foto rechts). Hierin citeert de auteur, Martin de Haan, een veel door Benjamin geciteerde omschrijving over een ‘bucklicht Männlein’ uit Des Knaben Wunderhorn. Het gebochelde mannetje dat voor pech in ons leven zorgt. Hij brengt dit, met Hannah Arendt, die het eerder deed, in verband met de vraag of Benjamin zelf niet aanstuurde ‘op zijn eigen pech, om maar niet nuttig te hoeven zijn?’ Naar aanleiding hiervan neem ik hieronder een eerder in Wervelingen gepubliceerde column (herfst 2008) over, waarin het mannetje ook figureert.

Onlangs las ik dat de schrijver Thomas Mann (foto links) iedereen die in zijn buurt kwam alleen maar bekeek met de ogen van een schrijver op zoek naar personages. Of dat hem helemaal recht doet (zie die fijnzinnige versie die Georg Lukács over hem geeft in Sunschrift 92) waag ik te betwijfelen, maar de rugpatiënten die Mann in zijn roman De Buddenbrooks ten tonele voert, lijken in eerste instantie meer tot op de spits gedreven karikaturen dan geloofwaardige personages. Of grotesken die we ook uit de beeldende kunst kennen, zoals de kleine mensen in Dr. Faustus.

Daar gaan we dan. Makelaar Sigismund Gosch ‘betreurde oprecht geen bochelaar te zijn’ (Buddenbrooks, p. 145). Gosch, een vrijgezel, was uiterlijk ‘een boosaardige, gemene, interessante en vreeswekkende karakterfiguur’ maar innerlijk eerlijk en goedmoedig. Een dialectiek die we tussen twee haakjes ook tegenkomen bij de zieke, stervende moeder in Die Betrogene.
En dan is er de bekende Sesemi Weichbrodt, die een pension had waarin zij adolescenten opleidde. Zij is naar de werkelijkheid getekend, en hád een kromme rug. Behalve vrijgezel was ze in de roman boosaardig en gemeen.
Vervolgens komt Johannes Buddenbrook, Hanno, ten tonele. Het jongetje dat droomt van het gebochelde mannetje uit Des Knaben Wunderhorn dat een beetje griezelig is (ook hij), slechte dingen uithaalt en tenslotte vraagt of men hem in gebed wil gedenken (p. 375).
Om nog maar te zwijgen van de jongste bediende van het kantoor van Thomas Buddenbrook, ook al zo krom als een hoepel en schuw als wat.
Tenslotte is er de organist van de Marienkirche in Lübeck, Edmund Pfühl, die – het valt te raden – op z’n minst ‘wat hoge schouders’ heeft.

In de roman van Thomas Mann lopen dus aardig wat mensen met een min of meer kromme rug rond. Misschien omdat er, als realiteitswaarde, in die tijd, begin 20ste eeuw, nog niet veel aan kon worden gedaan. Maar vooral, lijkt het, als symbool van het decadente, het burgerlijke. Mann wilde dit tegenover het intellectuele plaatsen. En dan staan – vrij naar de eerder genoemde Georg Lukács – ‘verminkte (…) persoonlijkheden’ (Sunschrift, p. 20) tegenover ‘estheties (…) aantrekkelijken’ (p. 22).

Maar aan het voorkomen van Sesemi Weichbrodt geeft Thomas Mann aan het eind van zijn boek een aparte draai: ‘Toen echter kwam Sesemi Weichbrodt aan tafel overeind, zo hoog ze maar kon. Ze ging op haar tenen staan, rekte haar hals uit, klopte op het tafelblad, en de muts trilde op haar hoofd. ‘Het is zo!’ zei ze met al haar kracht en keek iedereen uitdagend aan.
Daar stond ze, triomferend in de goede strijd die ze haar hele leven lang tegen de verzoekingen van haar leraressenverstand had gevoerd, gebocheld, nietig en bevend van overtuiging, een kleine, straffende, geestdriftige profetes’ (p. 616).

En zo geeft Mann aan Weichbrodt het profetische elan mee ‘zoals aan het slot van duistere Shakespeare-tragedies een Richmond of een Edgar naar voren komt die aanduidt dat het niet de wereld is die is vergaan maar slechts een bepaalde maatschappelijke wereld en dat die zal worden opgevolgd door een nieuwe, betere wereld’ (Lukács, p. 183).
Thomas Mann zegt zo via Weichbrodt, die het laatste woord heeft, dat het decadente voorbij gaat en er hoop is op een betere toekomst. Even heeft, en geeft, zij zicht op een wereld zonder pijn en narigheid.

Literatuur:
Thomas Mann: De Buddenbrooks. Vert. Thomas Graft. Uitg. De Arbeiderspers, 2006 (Modern Klassiek)
Georg Lukács: Thomas Mann. Socialistiese Uitgeverij Nijmegen, 1975 (Marxisme en kultuur)
Martin de Haan: Walter Benjamin: al het nuttige is betekenisloos, Filosofie Magazine 24 (2016) nr. 2 (febr.) 54-60.

Traces de mémoire

Dirck Volkertsz. CoornhertSemprun

De Openbare Bibliotheek Amsterdam heeft in de Top-10 van aanwinsten een verhandeling van de zestiende-eeuwer Dirck Volkertsz. Coornhert (zie afb. links) staan: Zedekunst, dat is wellevenskunste (1586). Een verhandeling over ethiek en het leiden van een deugdzaam leven. Ik heb, sinds Coornhert mij werd aanbevolen door de docente Nederlands aan het Hervormd Lyceum in Amsterdam, altijd wat met hem gehad. In Wervelingen schreef ik eerder o.a. over hem (zomer 2008). Die column herplaats ik hier met toestemming.

Ik heb eigenlijk ook altijd al wat gehad met ‘lieux de mémoire’, het nationale geheugen dat herinneringen aan een locatie en het nationale erfgoed verbindt. In de Gevangenpoort zoeken naar het vertrek waar Coornhert gezeten heeft. In Rijnsburg staan in de kamer waar Spinoza z’n lenzen sleep en zijn Ethica schreef.
Daarom heb ik de discussie over De Boom van Anne Frank destijds met veel belangstelling gevolgd: een boom die ‘figureert in een wereldberoemde getuigenis’, zoals Bas Heijne het in een column in NRC-Handelsblad omschreef.

Heel concreet en beperkt(er) dan de Duitse invulling van het door Pierre Nora gemunte begrip ‘lieux de mémoire.’ In het Duits wordt het woord ‘Ort’ ook als metafoor gezien, waardoor het een hernieuwde kijk op de geschiedenis geeft. Zoiets als het Hebreeuwse woord ‘Makom’ – plaatsen en ruimten, reëel, abstract en imaginair binnen het joodse denken. Gelijk HaMakom, De Plaats, die tot Mokum werd, de eerste onder de plaatsen waar het veilig was.

Zou er niet zoiets als een combinatie mogelijk zijn? Peter van Zilfhout bracht me op het idee toen hij in het tijdschrift Locus berichtte over zijn bezoek aan de Nietzsche-Villa in Weimar. Hij had er zelfs het balkon betreden van waaruit Nietzsche, in een rolstoel zittend, de heuvels rondom had gezien. Zien wat Coornhert zag, zien wat Spinoza zag, zien wat Anne Frank zag, zien wat Nietzsche zag. Alle vier om verschillende redenen in hun bewegingsvrijheid beperkt.

Ik moest er allemaal aan denken toen ik in Friesland op het laantje stond dat Jan Mankes zo vaak heeft afgebeeld – een kunstenaar die door zijn lichamelijke beperking, letterlijk en figuurlijk, dicht bij huis moest blijven en er met andere ogen naar de werkelijkheid om hem heen (en in zichzelf) leerde kijken. Hij moest wel.
Daar staan riep het schilderij van Mankes in mijn herinnering op, daar staand kwam het schilderij tot leven. De kamer van Spinoza, het vertrek van Coornhert, De Boom van Anne, het balkon van Nietzsche en het laantje van Mankes hebben van zichzelf geen betekenis – die geef je er zelf aan. Zoals je aan een Makom een betekenis van vrijheid hecht zonder de zekerheid te hebben dat het waarheid is.

Die betekenis staat volgens Van Zilfhout óók voor het te boven komen van een verlies. Het verlies van (bewegings)vrijheid, het verlies van gezondheid. Van Zilfhout spreekt dan ook liever van ‘traces de mémoire’, sporen van herinnering. Over een bepaalde gevoeligheid, inlevingsvermogen voor de menselijke eindigheid en over poëtische herinnering.
Zoals ik in een herstellingsoord, liggend op mijn bed, als stadsmens heb leren genieten van de zon die op een beukenbast speelde en me opeens herinnerde wat Jorge Semprun (zie foto rechtsboven), overlevende van Buchenwald, in 1944 uitriep bij het zien van een eenzame beuk – naar men zegt de beuk van Goethe – op het terrein van dit concentratiekamp: ‘Wat een mooie zondag!’

Een oud en een nieuw boek

Gregorio_ZuloagaIn mijn boekenkast staat het bekende De zieke mens in de beeldende kunst (1967) van J.A. van Dongen. Inmiddels is er op de markt de dikke pil De kunstenaar en de dokter van Jan Dequeker bijgekomen (uitg. Davidsfonds, Leuven, 2006, ISBN 9789058264145).
Beide boeken vullen elkaar aan. Al is het omslag met Het zieke kind van Gabriël Metsu (Rijksmuseum, Amsterdam) nagenoeg inwisselbaar.

Van Dongen heeft de volgende indeling gemaakt: inwendige ziekten – aderlating en koppenzetten – infectieziekten – kinderen en ouden van dagen – geesteszieken – chirurgie – kreupelen en mismaakten – dwergen en reuzen – zwangerschap, baring en kraambed – brillen en blinden – tandentrekken – kwakzalverij – sterven en dood.
Dequeker houdt het op: beenderen en gewrichten – aangeboren afwijkingen – endocriene aandoeningen – oogziekten – zwangerschap en gynaecologische aandoeningen – infectieziekten – inwendige ziekten – geestesziekten – zenuwziekten – huidziekten – heelkundige ziekten – vaatziekten.

Beide auteurs hebben, getuige hun indelingen, gekozen voor een opzet waarbij de nadruk valt op de medische kant van het onderwerp. Van Dongen erkent dat er ook andere benaderingen mogelijk zijn: psychologische, kunsthistorische en artistieke. En daar zou de symbolische, typologische aan kunnen worden toegevoegd. Ook Dequeker zal dit niet ontkennen, maar deze ‘ervaren clinicus’, zoals hij zichzelf omschrijft, valt vanuit laatstgenoemd gezichtspunt toch enige blikvernauwing te verwijten.

Het op dit moment in de Hermitage in Amsterdam tentoongestelde De dwerg Gregorio (1908) van Ignacio Zuloaga (zie afb.) is in dit verband een interessante casus. Het bijschrift zegt, dat de schilder een verband legt tussen de hemel en de eigenschappen van de kleine man. Een verband dat ligt in kracht. Kijk maar naar zijn ogen. Mooi, zoals die eruit worden gelicht. En de toeschouwer erop wordt gewezen. Zulke details mis ik wel eens in beide boeken. Daarvoor moet je toch altijd naar een museum zelf. Het kan in dit geval nog tot 29 mei 2016.

Gedeelte van een column, waaruit ik al eerder citeerde en die oorspronkelijk verscheen in Wevelingen (winter 2007/2008), en hier met toestemming is overgenomen en uitgebreid met de laatste alinea n.a.v. de tentoonstelling met Spaanse meesters in de Hermitage te Amsterdam:
http://www.hermitage.nl/nl/tentoonstellingen/spaanse_meesters/index.htm