Reactie van een liefhebber

Verhaal kort: ik las een voorpublicatie uit het boek Keep Swinging van Bert Vuijsje. Was erdoor geraakt, deed mee aan de winactie van Bazarow én won het boek (uitg. In de Knipscheer, 2022)!

De voorpublicatie betrof mijn geliefde Thelonious Monk (1917-1982), de ‘aardse hogepriester’, die door Vuijsje heel raak wordt neergezet: ‘Muziek die even volmaakt vergeestelijkt als even volmaakt diep-aards is’ (p. 104). Vind je het gek dat ik daar gek op ben?

Een omschrijving als ‘[Chet] Baker hield het sober maar blies precies de noten die noodzakelijk waren’ (p. 198) deed me denken aan een onvergetelijk optreden van Misha Mengelberg in Arnhem, al ziek zijnde: één noot, maar dan wel zó raak dat ik vol schoot.

Zo zou ik de ’33 jazzmeesters van de 20ste eeuw’, zoals de ondertitel van het boek luidt, allemaal langs kunnen gaan, maar dan wordt het een onleesbaar corvee. De ontdekkingen vallen je toe en zetten aan tot luisteren. Een recensie in de klassieke betekenis van dit woord valt dan ook van mij niet echt te verwachten; ik ben weliswaar een liefhebber, maar geen kenner , maar lust van een boek als dit pap.

Rugproblemen
Ik kwam al lezend wel op het spoor van iets dat mij, als de cultuurcolumns in het tijdschrift Wervelingen nog bestonden, wellicht tot zo’n column hadden aangezet. We hebben het dan over het feit dat Vuijsje in verhouding aardig wat aandacht besteedt aan jazzmusici die op de een of andere manier leden aan een ziekte of gebrek. De vraag is dan: speelden of zongen ze ondanks of dankzij dat gegeven de sterren van de hemel?
Vuijsje laat het antwoord meestal in het midden: ‘Of het door zijn handicap kwam, zal niemand ooit weten, maar in elk geval ontwikkelde Django Reinhardt zich (…) tot een gedreven en originele jazzgitarist’ (p. 56).

De twee musici met een rugprobleem die in Wervelingen langs hadden kunnen komen, zijn Chick Webb (foto rechtsboven) en Clark Terry. Hun problemen waren overigens heel verschillend. In verband met Webb noemt Vuijsje het woord ‘ondanks’: ‘Webb (…) had een behoorlijke faam verworven als spectaculair drummer, ondanks zijn lichamelijke handicap (hij leed in zijn kindertijd aan tuberculose die het ruggenmerg had aangetast, had daardoor een bochel gekregen en was nauwelijks langer dan één meter vijftig’, p. 93). Terry ‘werd (…) steeds meer gekweld door ondraaglijke rugpijnen waartegen geen operatie of behandeling hielp. Maar ook hier sloeg hij zich met een onaantastbare geestkracht doorheen’ (p. 130).

Chick Webb en Clark Terry
In het geval van Chick Webb hoef je maar een foto te bekijken en je ziet wat het probleem is (zie foto rechts), bij Clark Terry is dat niet het geval. Hun muzikale ontwikkeling er in beide gevallen toch niet los van te zien.
Clark kon zijn ‘spectaculaire’ spel ontwikkelen na aanpassingen van zijn dumstel. Terry hing op het eind van zijn leven zijn trompet aan de wilgen en ging zingen. Ik zou wel eens willen weten, of hij daarin eenzelfde niveau heeft bereikt als op de trompet. Misschien heeft het dan pas zin, om ziektes en aandoeningen te vermelden?

De vervoering die ik bij het lezen van dit boek met 33 korte portretten ervaarde, voerde mij terug naar mijn jeugd, toen ik bij voorkeur biografieën leende uit de Openbare Bibliotheek. Het verschil nu is, dat de opnamen die worden genoemd makkelijker te vinden zijn dan toen. Want om luisteren gaat het natuurlijk uiteindelijk. Bijvoorbeeld naar de zang van Terry (Wham!) om maar iets te noemen.
Dank je wel Bazarov, dank je wel In de Knipscheer voor dit mooie boek!

Bert Vuijsje: Keep Swinging
33 jazzmeesters van de 20ste eeuw.

Met bijdragen van Jeroen de Valk en foto’s van William P. Gottlieb
In de Knipscheer, 2022
ISBN 978-94-93214-67-5
260 pagina’s
€ 24,50

Ignaas Devisch – Zijn er nog vragen?

Zijn er nog vragen? / Ignaas Devisch ; met illustraties van: Davien Dierickx ; eindredactie: Sofie Renier. – Derde
druk. – Gent : Borgerhoff & Lamberigts, november 2020. – 94 pagina’s : illustraties ; 19 x 24 cm. – 1e druk: september 2020. ISBN 978-94-639-3308-7

Zijn er nog vragen, – de Vlaamse schrijver en hoogleraar filosofie en ethiek Ignaas Devisch hoopt van wel. Hij schreef een verhaal over zes vrienden, die politiek correct via mooie kunstzinnige illustraties (in enkele kleuren) ten tonele worden gevoerd: meisjes, jongens, zwart, wit, met een handicap. Een verhaal over filosofische levensvragen als het ontstaan van de wereld, wat de zin van het leven is, mensen die elkaar pijn doen enz. Omdat hun ouders het ook niet weten, of juist heel zeker weten, denken ze dat zij iets voor hen achterhouden en gaan op zoek. Ze surfen en doorzoeken tevergeefs dozen in de bibliotheek. Tot een gastspreker op school zijn levensverhaal vertelt en ze een filosoof aan de rand van het dorp raadplegen. Hij leert ze meningen te onderscheiden van feiten en een redenatie op te bouwen. De kinderen halen veel over hoop, de auteur ook. Alles wordt in algemene zin besproken. Het op de kinderen zelf betrekken, laat hij in dit unieke boek aan de lezers over: leerlingen en leerkrachten van de bovenbouw, van groep 5-8. Een rijke aanvulling in verhaalvorm over filosofische levensvragen voor kinderen van ca. 9 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

De andere helft van het verhaal

Er bestaat zoiets als ongelijktijdige gelijktijdigheid: iets dat gelijktijdig gebeurt en toch vanuit een totaal ander perspectief wordt bekeken. Bijvoorbeeld aan het andere eind van de wereld.
Neem de houding ten opzichte van het teruggeven van koloniale roofkunst en tegenover actrice Selma Blair, die op het Oscarfeest 2019 liep met een stok (zie foto links). Het is allebei nog nooit vertoond en het riep verschillende reacties op. En toch is er een overeenkomst waarnaar ik op zoek ga.

Het Nationaal Museum van Wereldculturen was de eerste die aankondigde dat landen of instanties die menen aanspreek te kunnen maken op koloniale roofkunst, die kunst op kunnen eisen. In de slipstream hiervan gaf Taco Dibbets, directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum, iets soortgelijks aan. Iets soortgelijks – want er is een wezenlijk verschil: een afdelingshoofd van het museum gaat in gesprek met musea in onder meer Sri Lanka en Indonesië.

Een wezenlijk verschil en, denk ik, meer van deze tijd, gevoeliger als we gelukkig zijn geworden voor machtsrelaties. Of dit nu gaat over roofkunst of over #MeToo; het is een perspectiefwisseling, waarbij de aandacht is gekanteld van object naar subject.

Dat geldt ook voor Selma Blair (Legally Blonde, Cruel Intentions, The Sweetest Thing). In de pers werd de stok waarmee zij op het Oscarfeest ten tonele verscheen, beschreven als ‘gewoon’ een onderdeel van haar – als altijd – opvallende, schitterende outfit van dit keer Ralph and Russo. Dat klopt, als je naar de foto kijkt. Maar ze had die stok wél nodig, want ze heeft MS.

Wat is nu de overeenkomst tussen beide verhalen, dat over de houding van de directie van het Rijksmuseum en Selma Blair? Dat zij de andere helft van een verhaal vertellen, de helft die lang níet werd verteld: bij roofkunst hoort óók gevoeligheid voor de ex-koloniën, niet alleen een formele houding, bij een stok hoort óók gevoeligheid voor de handicap van een actrice. Het zijn niet alleen statements, maar we laten de partijen zélf aan het woord en praten niet vanuit een zekere, onterechte machtspositie over hun hoofden heen. Ik wil als niet-westers museum zélf gehoord worden, mijn land en kunst mogen er zijn, ík mag er zijn, mét stok. Vanzelfsprekend.

Het is een eerste stap. Maar toch.

De tussensfeer

Momenteel lees ik het nieuwste boek van Joke J. Hermsen, Rivieren keren nooit terug. Op een gegeven moment heeft zij het over het feit dat je ‘altijd een of ander “tussen” moet opzoeken.’ Daarbij moest ik onwillekeurig denken aan lezingen van de Franse filosoof Jean-Luc Nancy en Luuk van Middelaar tijdens de Dag van de Filosofie (2010) in Tilburg. Ik schreef daar eerder over in Wervelingen (herfst 2010) – een column die ik hier met toestemming overneem.

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy heeft in zijn essay De Indringer, dat hij schreef na een harttransplantatie gevolgd door kanker, over ‘een constante veruiterlijking’ van zichzelf. Hij wordt opgemeten, gecontroleerd, getest. Terwijl, zegt Nancy, ‘de felste vijanden’ van binnen zitten: ‘oude virussen, die zich altijd al schuil hielden’, en protheses, moeren, bouten en staven.
Ik moest hieraan denken tijdens niet alleen de lezing die Nancy hield tijdens de Dag van de Filosofie, 24 april 2010 in Tilburg, maar ook tijdens de daaropvolgende lezing van Luuk van Middelaar, met zijn boek De Passage naar Europa winnaar van de Socrates Wisselbeker 2010.
Van Middelaar heeft het in zijn boek over een ‘binnensfeer’ (de Europese instellingen) en een ‘buitensfeer’ (nationale staten). Maar ook over een zogenaamde ‘tussensfeer’ (de Europese Raad), waarin mensen elkaar ontmoeten en gezamenlijk naar oplossingen zoeken. Om dat laatste nu gaat het mij hier: de tussensfeer.

De buitensfeer

Maar eerst de buitensfeer. Met enig afgrijzen las ik hoe Wilma de Rek en Bert Wagendorp in een artikel (in: de Volkskrant, 27 maart 2010, overgenomen in Filosofie Magazine nr. 3/2010) spraken over ‘een oud, volledig kromgetrokken mannetje’ en over een ‘gebocheld exemplaar’ [vet van mij, vS].
Hier is de veruiterlijking, het geëx-poseerd zijn oftewel het bloot-gesteld zijn aan de blikken van een ander waar Nancy het over heeft, op een treurige manier weergegeven.

De binnensfeer

Het spel dat Nancy tijdens zijn lezing speelde met de inhoud van het woord ‘beyond’ is bij De Rek en Wagendorp afwezig. Nancy ziet in dit woord de definitie van wat filosofie volgens hem moet zijn oplichten. Iets dat ‘sensible’ is, ‘sense’ geeft. Datgene ook dat ‘sensitive’ is. En dan vat Nancy het woord ‘beyond’ niet op als iets metafysisch, maar in ontologische zin, als leer van het zijn.
De Rek en Wagendorp hebben het over ‘een mannetje’ en een ‘exemplaar’, maar kunnen zich er niets wezenlijks bij voorstellen. Als zij dat wel zouden kunnen, zouden zij om te beginnen de buitensfeer verruilen voor de binnensfeer. Een sfeer die in de bijbel in overdrachtelijke zin ‘met ontferming bewogen’ wordt genoemd – wat dan letterlijk staat voor de ingewanden die gaan rammelen bij het zien van bijvoorbeeld ‘een oud, volledig kromgetrokken’ of ‘gebocheld’ medemens. Over wie vervolgens een zegenspreuk wordt uitgesproken, zoals Eliyahu Sidi (Parijs, 1936) op een serie gouaches toonde die in het Joods Historisch Museum te zien waren tijdens de tentoonstelling Count your blessings (14 februari t/m 24 mei 2010).

De tussensfeer

Nog een stap verder en we komen in de tussensfeer terecht, waarin zieken en gezonden, jong en oud, blank en zwart elkaar werkelijk ontmoeten en met elkaar in gesprek komen en naar oplossingen zoeken voor problemen die met een ziekte of handicap samenhangen.
Dit is het perspectief van het werkelijk samenleven in een stad zoals Van Middelaar die in Tilburg indirect schetste. En wat – vul ik aan – Hermsen ook bedoelt.

Beeld 2: Thom Puckey

Thom Puckey_Beeld 2Alison Lapper

Tijdens Beeld 2 van de Amsterdam Art Fair 2016 toont Galerie Gerhard Hofland een beeld van Thom Puckey (foto links, Johannes Vermeerstraat 29, Amsterdam, 25 t/m 29 mei. http://www.amsterdamartfair.nl). Het beeld doet op het eerste gezicht denken aan Marc Quinns beeld van Alison Lapper op het Londense Trafalgar Square (foto rechts). Met dit verschil dat de vrouw van Puckey op een matras zit, en wordt omringd door revolvers die een groot contrast vormen met het witte marmer; je zou het met Louis Ferron een vorm van emancipatie kunnen noemen. T.g.v. deze expositie herplaats ik hier met toestemming een column uit Wervelingen (zomer 2004).

In het boek Werken van barmhartigheid, dat verscheen bij een tentoonstellingsproject uit 1998, staat bij een essay over het beeldend werk van Peter Schouten een afbeelding van diens Wervelkolom van de 20e eeuw. ‘Het beeld oogt als een reeks vleesgeworden aforismen van Elias Canetti, maar in de hoge vitrine lijkt het ook een pronkstuk uit de collectie van een museum voor natuurlijke historie’ (p. 35).

Het beeld staat als ‘pronkstuk’ ver af van de traditie binnen de afbeeldingen in het kader van de Zeven werken van barmhartigheid. Daarop was, zie ook de afbeeldingen in bovengenoemd boek, altijd wel iemand te vinden met een rugprobleem. Meteen op p. 8 is het al raak: het oudste voorbeeld in de Noordelijke Nederlanden, geschilderd door de anonieme Meester van Alkmaar (Rijksmuseum, Amsterdam). En zo gaat het maar door; iedereen kent immers de allegorie Caritas van Pieter Bruegel de Oudere (Boijmans Van Beuningen, Rotterdam).

Ook in Louis Ferrons roman Werken van barmhartigheid wordt een anders-gevormde ten tonele gevoerd, ‘wankelend achter zijn rollator dan wel strompelend op krukken’ (p. 246) – badend ‘in het licht van mededogen en erbarmen.’ De één vindt hem ‘wel een lollig ventje’, de ander ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie van minderheden van welk slag of geslacht dan ook’ (p. 247).

Tussen beide uitersten, ‘mededogen en erbarmen’ dat van de gezichten van de weldoeners op een schilderij in de traditie van Werken van barmhartigheid druipt en ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ zit een wereld van verschil. Ik betrapte me er echter op het jammer te vinden dat Peter Schouten met z’n kaarsrechte Wervelkolom van de 20e eeuw en Tineke Smith in haar serie Zeven werken (zie het boekje Zeven werken in Amsterdam; diaconie in beeld) deze traditie hebben verlaten. Immers: hier ging het om een autonome anders-gevormde, los van medelijdende dan wel neerbuigende of zelfs wegkijkende blikken. Maar uiteindelijk denk ik dat Louis Ferron gelijk heeft en dat het gaat om ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ – maar dan in combinatie met empathie.

Een voorbeeld vormt de discussie rond het beeld van Alison Lapper, een vrouw met phocomelia, een afwijking waardoor ze geen armen en korte benen heeft. Beeldhouwer Marc Quinn maakt van haar een beeld voor op Trafalgar Square in Londen. Er zijn mensen die vinden dat dit niet kan, terwijl anderen er blij mee zijn omdat het bewuster zou kunnen maken van mensen met een handicap. Maar dan, en daar gaat het uiteindelijk om, aan de hand van een autonoom beeld van een trotse en sterke vrouw, zonder de connotatie van neerbuigendheid die uit de traditie van de Zeven werken van barmhartigheid spreekt.

En dan gaat het niet meer om een neerbuigend mededogen en erbarmen van de kant van een diaconie, maar om ‘de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’, het, omdat dat de zin van het leven uitmaakt, met empathie naast degene met een handicap gaan staan en vanuit die grondhouding ondersteuning en hulp bieden waar het nodig is. Of – om het citaat van Thomas Roosenboom in zijn boek Spitzen volledig aan te halen: ‘Ja, de hongerige voeden, de dorstige laven, de naakte kleden, maar daarenboven, nog veel grotere getroosting, de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’ (p. 19).

Werken van barmhartigheid

Caritas_BruegelIn Museum Catharijneconvent is momenteel een tentoonstelling te zien onder de titel De heksen van Bruegel. Het zijn twee prenten van deze meester geweest, die het iconische beeld van de heks op de kaart zetten, inclusief haardvuur, bezemsteel, een ketel en een meestal zwarte kat. Bruegel schilderde ook de allegorie Caritas (zie afb.). Hierover publiceerde ik eerder, in het blad Wervelingen (zomer 2004). Die column neem ik hier onder toestemming gedeeltelijk over i.v.m. de tentoonstelling in Utrecht.

In het boek Werken van barmhartigheid, dat verscheen bij een tentoonstellingsproject uit 1998, staat bij een essay over het beeldend werk van Peter Schouten een afbeelding van diens Wervelkolom van de 20e eeuw. ‘Het beeld oogt als een reeks vleesgeworden aforismen van Elias Canetti, maar in de hoge vitrine lijkt het ook een pronkstuk uit de collectie van een museum voor natuurlijke historie’ (p. 35).

Het beeld staat als ‘pronkstuk’ ver af van de traditie binnen de afbeeldingen in het kader van de Zeven werken van barmhartigheid. Daarop was, zie ook de afbeeldingen in bovengenoemd boek, altijd wel iemand te vinden met een problematische rug. Meteen op p. 8 is het al raak: het oudste voorbeeld in de Noordelijke Nederlanden, geschilderd door de anonieme Meester van Alkmaar (Rijksmuseum, Amsterdam). En zo gaat het maar door; iedereen kent immers de allegorie Caritas van Pieter Bruegel de Oudere (Boijmans Van Beuningen, Rotterdam).

Ook in Louis Ferrons roman Werken van barmhartigheid wordt een anders-gevormde ten tonele gevoerd, ‘wankelend achter zijn rollator dan wel strompelend op krukken’ (p. 246) – badend ‘in het licht van mededogen en erbarmen.’ De één vindt hem ‘wel een lollig ventje’, de ander ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie van minderheden van welk slag of geslacht dan ook’ (p. 247).

Tussen beide uitersten, ‘mededogen en erbarmen’ dat van de gezichten van de weldoeners op een schilderij in de traditie van Werken van barmhartigheid druipt, en ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ zit een wereld van verschil. Ik denk dat Louis Ferron gelijk heeft en dat het gaat om ‘de trotse vrucht aan de boom der emancipatie’ – maar dan in combinatie met empathie.

Dan gaat het niet meer om een neerbuigend mededogen en erbarmen van de kant van een diaconie, maar om ‘de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’, het, omdat dat de zin van het leven uitmaakt, met empathie naast degene met een handicap gaan staan en vanuit die grondhouding ondersteuning en hulp bieden waar het nodig is. Of – om het citaat van Thomas Roosenboom in zijn boek Spitzen volledig aan te halen: ‘Ja, de hongerige voeden, de dorstige laven, de naakte kleden, maar daarenboven, nog veel grotere getroosting, de beschaamde openlijk bijtreden in zijn schaamte’ (p. 19).